Posts tonen met het label Tom Boonen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tom Boonen. Alle posts tonen

dinsdag 10 april 2012

Sterven en weer opstaan

De spanning was prachtig opgebouwd gedurende de weken voorafgaand aan de twee grootste, en doorgaans, meest heroïsche klassiekers van het jaar. Kranten stonden vol met verhalen over de kanshebbers en geen televisie programma ging voorbij of er werd wel over gesproken. De ronde van Vlaanderen moest nog heroïscher en werd derhalve iets zwaarder gemaakt. Dus meer hellingen en nog korter op elkaar, wat dus meer spektakel op zou moeten leveren.




Helaas doen wielrenners nooit wat men van ze verwacht, het zijn soms net mensen. Er werd wat afgewacht, er werd wat gekeken en uiteindelijk konden drie renners het uitvechten. De Kapelmuur was er uit en dat bleek toch een enorme aderlating. Al was het alleen maar om het gemis van het door bier en worst gevoede gebulder van de grote uitzinnige menigte die altijd op de muur staat. Of om de mooie, meestal wonderschone, plaatjes en wielergevechten die richting Godshuis plaatsvinden. Een gemis dus voor de toeschouwer en de renners.

Natuurlijk, men kreeg de gedroomde winnaar. Tom Boonen moest winnen en deed dat. En uiteraard was er het alom vertegenwoordigde ‘wat als’ in alle media te lezen. Want tja, wat als Cancellara gewoon had kunnen meedoen in de finale? Soms lijkt het wel of Cancellara de koers kan breken of maken, valt de Zwitserse beul weg dan is het geen koers meer ofzo. Uiteindelijk komt het er bij fietsen op neer dat je op dat ding blijft zitten, als je dat niet doet dan gaat het mis en doe je niet meer mee. En nog iets: Als Gerrans in zijn wiel kan blijven in Milaan-San Remo dan kan Tommeke dat zeker in Vlaanderen.

De prelude naar de volgende kraker was wellicht nog gekker. Wilfried de Jong leverde een prachtige documentaire af over het rijden over kasseien in Noord Frankrijk en Vlaanderen werd gek bij alleen al de gedachte aan weer een winst van Tom Boonen. Mooi bijkomend detail is dat de Hel van het Noorden verreden werd op eerste paasdag. De koerskoorts steeg zelfs in Nederland tot Vlaamse hoogtes.
Ondanks dat er heel wat rijtjes de ronde deden met eventuele winnaars was er eigenlijk maar één winnaar mogelijk. Wie anders dan Cancellara kon Tom Boonen van zijn winst afhouden? Pozzato? Te Italiaans en te mooi. Thor Hushovd? Ach, die had nog geen enkele keer zijn neus tegen het venster geduwd dit jaar. Ballan? Dan moet Boonen eerst lek rijden. Tjalingi? Boom? Ik hoopte het van harte maar bij Rabo is de Grinta er totaal uit en durven ze niet te winnen dit jaar. Nee, alleen Cancellara kon hem verslaan, maar ja die deed niet mee. Alleen Boonen kon aanspraak maken op zijn vierde steen, zijn vierde winst in Roubaix, zijn volmaakte wederopstanding.
Twee jaar gesukkel. Leven en fietsen in de marge. Twee jaar met een laffe sprint en pudding in de benen. Twee jaar lang iets meer feesten dan trainen. De Belgen hadden hem afgeschreven.

Maar Tom was het daar niet mee eens. Hij begon dit jaar al sterk, reeg de overwinningen aan één en was de smaakmaker in de Vlaamse semiklassiekers. In een sprint, alleen, het maakte niet uit. Hij was terug. In de Ronde ging het niet helemaal van harte, zag het er iets minder zelfverzekerd uit en kreeg de concurrentie een beetje hoop. Cancellara was er niet bij richting Roubaix en dus hoefde men alleen maar Tom te volgen.
Op meer dan vijftig kilometer van de streep vond de vriendelijke Belg dat geloer en getuur welletjes. Hij zette aan. En bleef trappen. Onze Hollandse hoop in bange dagen, Terpstra kon zijn kopman een paar honderd meter volgen maar bij de eerste de beste kasseistrook moest hij hem laten gaan. “Wat een idioot,” dacht ik nog. Hoogmoed komt voor de val. Maar Tommeke bleef lekker draaien, vloog over de kasseien. Een hele Sky armada kon het gat niet dichten. En waar waren de andere favorieten? Het was toch een kwestie van Boonen volgen?
Jaja. Wat zal hij hebben gelachen, “ik zal ze leren, die praatjesmakers,” moet hij vijftig kilometer lang gedacht hebben.

Een unieke zegereeks van vier zware koersen in zestien dagen. Hij heeft zich wederom onsterfelijk gemaakt bij het ganse Vlaamse volk. Op eerste paasdag de mooiste en heldhaftigste wielerkoers winnen die er is. Dat is sterven, en weer opstaan.

vrijdag 30 maart 2012

Ode aan de Flandrien

Eenmaal heb ik het aangedurfd, ik was pas net begonnen met wielrennen en was onbevreesd. Onwetend vooral. Ik had jarenlang op een mountainbike de meest onbegaanbare paden in de Alpen overwonnen. Dus hoe erg konden die paar kilometer keitjes daar in dat Vlaamse land nou eigenlijk zijn? Die 140 km kon ik ook wel aan, ik had wel vaker meer dan vier uur op de fiets gezeten.

De ‘Ronde’ ging gereden worden.

De eerste, koude, kilometers gaan vlotjes over de immer glooiende wegen. Het is kraakhelder en de zon verwarmt al snel mijn benen en doet het bloed weer in vingers en tenen stromen. Waar ik ook kijk, alles en iedereen ademt wielrennen. Dit wordt een top dag!

Ik pik aan bij een grote groep die het tempo er lekker in heeft. De heerlijk prikkende geur van massage olie en tijgerbalsem maakt het wielerplaatje compleet en binnen no time zitten de eerste 35 kilometer er op. Van enthousiasme neem ik een keer over en rij ik op kop van een vijftigtal wielrenners. Ik rijd de Ronde! Er is nog geen vuiltje aan de lucht maar van de TV herken ik deze brede baan die vooral bergafwaarts gaat. Met een snelheid van 70 km/pu razen we naar beneden. Naar de eerste hindernis.

Ineens slaan we af en is de weg drie keer smaller. Asfalt heeft plaats gemaakt voor keien en de hellingsgraad is veranderd van dalen naar stijgen. Ik heb niet goed geschakeld en moet op een iets te zware versnelling de Molenberg op. Het gehobbel valt hier mee al is het oppassen dat je wiel niet wegglipt. Harkend kom ik boven. Mijn eerste echte Vlaamse berg is een feit. ik glunder van top tot teen.

Vol goede moed ga ik verder. Het groepje is uiteen geslagen maar al snel ontstaat er een nieuwe. ‘Volle vaart vooruit’ staat er op een shirt voor me en dat lijkt me een zeer goede instelling voor het vervolg van dit avontuur. Vanaf een lekker lopende weg slaan we scherp linksaf.
Bonk, klets, kledder, pang, kloink, hots, klots. De hel breekt los. De paddenstraat. De langste kasseienstrook uit de Ronde, en de slechtste. De eerste 113 en een halve meter gaan nog best goed maar daarna is de snelheid eruit en is het werken geblazen. “Spanning op de benen houden en de handen losjes bovenop het stuur”, zo zeggen ze. Maar hoe in godsnaam? Ik stuiter van links naar rechts en wil een richting kiezen maar mijn fiets beslist steeds anders. Waardoor ik het stuur weer iets strakker vastklem met mijn knuisten wat als gevolg heeft dat elke trilling rechtstreeks mijn schouders en nek inslaat. Bidons, pompjes, reepjes, jasjes, brillen fietsbanden, mannen en vrouwen zie ik langs de weg liggen. Van ellende of gewoon omdat ze een band moeten plakken. Hobbelend, botsend, vloekend en tierend smeek ik om het einde. Tom Boonen zat hier ooit doodleuk aan Armstrong uit te leggen hoe en waar hij moest rijden. Armstrongs’ blik sprak boekdelen: How? Fucking how do you do that?!

Als de keien overgaan in asfalt laat ik een traan van genot.

De volgende hindernis van naam is de Koppenberg. Een slecht aangelegde puist met stukken van 24% of 22% maar een kniesoor die daar op let. Kapot ga je sowieso. De berg wordt steiler en steiler. Ondanks dat de stenen net zijn gelegd liggen ze er beroerd bij. Ik moet slingeren om de lopers (losers) te ontwijken, desondanks gaat het redelijk goed, ik ga het halen. Melkzuur spuit uit mijn poriën. In een flits zie ik een bekend gezicht, ik herken haar niet meteen. Ze moedigt me aan, wat leuk is. Ze vraagt iets, ik antwoord niet, kijk naar voren, trappen, focus. Het steilste stuk dient zich aan. Ik heb hier goed profs in topvorm zien afstappen. Ik denk er niet aan. En rij door. Stapvoets. Boven stap ik voor het eerst af. Smijt mijn fiets in het gras en buig voorover, en weer naar achter. Happen naar adem heet dit. Min moeder is naar boven gekomen: “Zag je me niet?” vraagt ze. “Cippolini reed naast je.”

De Ronde van Vlaanderen dus

Er volgen nog een aantal kasseistroken en wat bergjes. De paterberg, kruisberg haaghoek Oude Kwaremont, Berendries, etc. Allemaal als opwarmertje voor die ene heilige puist in het mooie stadje Geraardsbergen. Over het plein naar Links, aldus het bordje met het magische woord ‘MUUR’. De weg stijgt lichtjes maar de benen beginnen serieus te kraken. Gehobbel en geklim hebben zich als scherpe naalden in mijn dijbenen en kuiten genesteld. Dan gaat de weg scherp naar rechts en daar zijn de kinderkopjes ook weer. We rijden het bos in en het stijgingspercentage wordt nu echt serieus. Net als de pijn in mijn benen en longen.

Ik ga het niet halen,

Ik ga het niet halen

Ik ga het godverdomme niet halen!!

Alléé manneke! Trappe!! Hoor ik naast me en nu valt me op dat de hele berg tjokvol mensen staat. Toeschouwers die iedereen een hart onder de riem steken. De geur van bier en hamburgers blijft hangen onder de bomen. Ik ga niet lopen voor al deze mensen besluit ik en ik ga nog maar eens op de pedalen staan. Ik verbijt de kramp die als messteken door mijn bovenbenen schiet. Het eerste steile stuk is gehaald, de bocht om en dan nog een kasseienpad dat rechtstreeks omhoog naar de hemel lijkt te gaan. De kapelmuur. Ik verbijt me nog éénmaal en kom heelhuids boven bij het kapelletje aan. Ik sla een kruisje. Voel me euforisch. Ondanks de bloedsmaak die vanuit mijn longen mijn mond in komt. Ik heb het gehaald! Ik heb ‘de MUUR’ overwonnen


Nog 20 kilometer en één berg. Eitje! En dan wacht mij een heerlijke trappist en een hele grote bak friet. Ik ben een Flandrien!