donderdag 24 maart 2016

Johan en ik (24 maart 2016)

De vlaggen van Hotel Huis ter Duin hangen half stok als ik er om een uur of twee langsfiets. ‘dag van nationale rouw voor België?’  denk ik bij mezelf dus dat is logisch. Ik peddel rustig door richting Katwijk en verheug me al op het moment dat ik daar ga omdraaien en de wind in de rug heb. Mijn telefoon trilt in mijn achterzak en ik besluit na het lastige stukje duin te kijken wat er aan de hand is.
Ik trap me zo hard als ik kan door de duinen want hoe harder je trapt, hoe eerder je op je bestemming bent. En ik ben wel nieuwsgierig naar het berichtje.

‘Johan Cruijff is overleden’. Staat er in mijn scherm. Tja, ook hij moest een keer gaan. Al is hij nu iets te snel weg naar mijn mening. Ik ben niet zo van het voetbal maar als klein jongetje was ik toch fan van hem en ben dat altijd gebleven. Voetbal is alleen leuk als het door genieën gespeeld wordt. Johan was dus leuk, net als Bergkamp, Van Basten, Mezzi en Henry bijvoorbeeld.

Affijn.

Ik stap weer op en fiets met de wind in de rug naar huis. Ik realiseer mij dat ik nog een handtekening van hem moet hebben op zo’n voetbalplaatje die je vroeger bij de sigarenboer kocht. ‘Thuis meteen kijken’ denk ik blij. Ik schakel bij en ga logischerwijs dus harder.
Onderweg droom ik weg en zie ik mezelf staan voor de poorten van ‘De Meer’ met dat plaatje in mijn hand. Wachtend op Cruijff. Negen jaar oud, ongeveer.
De spelers komen één voor één aan gereden voor de wedstrijd van vandaag waar we geen kaartjes voor hebben. Nee we komen alleen om een glimp op te vangen van Cruijff. Als zijn Citroën eindelijk en als laatste  aan komt rijden bewegen we een beetje met de auto mee. Zodat we in de buurt zijn als hij uitstapt. Want veel tijd heeft hij niet als hij zo laat aankomt.

Thuis duik ik direct de dozen met prullaria in op zoek naar dat ene kaartje met die ene handtekening. Hoe goed ik ook zoek, ik kan het niet vinden. Ik kom een honkbal tegen met een handtekening van een beroemde Amerikaanse pitcher, een shirt van de beste catcher van Nederland, een gesigneerd exemplaar van Turks Fruit. Ik kom foto’s tegen van vakanties uit 1985, 86, 87 etc en allerlei andere troep. Maar geen voetbalplaatje van Cruijff met zijn handtekening.
Ik zak in elkaar en denk na. En denk na, waar is die handtekening? Stond die dan op iets anders? Ik denk na en denk na. En plots wijst mijn herinnering me terecht. Keihard en meedogenloos.

De auto kwam aan en Johan stapte uit, we liepen er op af en hoe dichterbij ik kwam, hoe langzamer ik ging lopen. ‘Daar stond Johan Cruijff’ …Verschillende mensen stonden om hem heen om een foto te maken, een handtekening te vragen of gewoon om maar in de buurt te zijn. Ik zag dat hij haast had en dat hij naar binnen moest. Mijn stiefvader porde in mijn rug dat ik moest doorlopen. Ik stopte. Ik kon Cruijff niet te laat op zijn training laten komen. Daar komt bij dat ik echt niet durfde. Johan Cruijff, een grotere held had ik toen niet. En hij me aan zoals alleen Cruijff dat kon, uitdagend. Ik liet het gaan.
Onderweg rende er nog een jongetje naar hem toe met een kaartje. Cruijff stopte, bukte, tekende het kaartje en gaf het ventje een aai over zijn bol.

Een traan bungelt over mijn wang als ik er aan denk. Wat een sukkel was ik toen, want nu kan het echt nooit meer. 

zaterdag 19 maart 2016

Huize vergeet me alsjeblieft niet

De oude man pakt de hand van zijn vrouw vast. Ze reageert amper en blijft recht voor zich uit kijken. Hij probeert haar een kus te geven maar komt net niet ver genoeg uit zijn rolstoel omhoog om met zijn lippen bij de hare te komen. 
“Dan maar even zo lieverd” zegt hij in het niets en geeft haar een kus op haar arm.

Hij gaat weer rechtop zitten en kijkt de groep rond. De groep bestaat uit hun kinderen, kleinkinderen en ik. Ze zijn 59 jaar getrouwd en dat moet gevierd. Iedereen is samen gekomen en hebben de twee oudjes, die in hetzelfde huis zitten maar wel op een andere afdeling, bij elkaar gebracht. In de bijeenkomstruimte van het huis waar iedereen zijn of haar ouders bezoekt op zondag.

Oma pakt ondertussen een glas wijn van tafel alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze kan echter al jaren niet slikken en dus wordt het glas zonder pardon uit haar hand gegrist voordat ze stikt. Ze vertrekt geen spier als het glas ver van haar vandaan weer op tafel wordt gezet. Dan kijkt ze richting haar jongste kleinkind en er verschijnt een kleine glimp van herkenning in haar ogen. 
Een desastreuze.

“Komt je moeder nog jongen?” Vraagt ze oprecht nieuwsgierig.  Iedereen die het verstaan heeft slaat dicht, krijgt vochtige ogen of kijkt een andere kant op. Ze vraagt het nog eens en als dat niet helpt grijpt opa in.

“KOMT JE MOEDER NOG!?”

De kleine jongen kijkt ondertussen naar zijn vader die verschrikkelijk hard maar zinloos aan het vechten is tegen de tranen. Zijn zus en broer weten het ook even niet.
“Je dochter komt niet meer ma, die is er niet meer helaas.” Zegt de vader en schoonzoon zo voorzichtig mogelijk. Lichte paniek neemt de eerder bijna lege blik van oma over.
“Dat ben ik helemaal vergeten. Wat vervelend voor jullie. Nog gecondoleerd……..” Stamelt oma die niet in de gaten heeft dat het ook over haar dochter gaat. Opa is ook geschrokken en realiseert zich iets beter wat er net gebeurd is. "Ja ik weet het weer, wat een narigheid." Zegt hij oprecht. Over de situatie maar ook over de dood van zijn dochter. Hij kijkt ook naar zijn vrouw, en denkt zichtbaar: "Wat een narigheid toch allemaal.". De kleinkinderen zijn gevlucht in hun telefoon, de rest neemt een slok van hun biertje. Weten het ook even niet.

Gelukkig, de borrelhapjes! Even iets luchtigs en een aanleiding om over iets anders te praten.

“Ze mag toch wel even blijven slapen zo? Heel even maar, gewoon even een dutje. Ze is zo ontzettend moe van al die gezellige drukte. Als ze wat uitgerust is dan komt ze toch wel weer naar huis? Toch?” Vraagt opa aan niemand in het bijzonder. Hij probeert weer op te staan om haar een kus te geven. Wederom tevergeefs.
Na de teleurstellende boodschap dat ze allebei naar hun eigen  huis gaan pakt hij voor de twintigste keer het briefje waar op staat wat de aanleiding is van deze dag. 

“59 jaar getrouwd. We hebben er niet zo lang van kunnen genieten. Twee jaar maar,” verzucht hij als hij mij zoekend naar begrip aankijkt.

Het tegenovergestelde is waar. Het is pas sinds twee jaar dat ze allebei de dingen wat door elkaar halen. Wel wrang dat de herinnering zulke klote spelletjes met zijn bewustzijn speelt. Hij geeft zijn vrouw uiteindelijk maar weer een kus op haar arm als ze met rolstoel en al wordt weggereden naar haar kamer. Oma is een klein vermoeid hoopje mens ondertussen. Opa zucht. Zet zijn bril af en grijpt een tissue van tafel. 

woensdag 17 juni 2015

Een setje

In de kast hangt een rood damesjasje, een rood rokje en een blouse.Op de bodem van de kast staan rode lage pumps en op de bovenste plank ligt een fraaie zomerhoed. Alles hoort duidelijk bij elkaar. Tussen de kledingstukken hangt een klein buideltje, ik herken de mediterrane geur van lavendelvelden.
Het setje hangt in een grote antieke notenhouten kledingkast waarvan de drie andere kastdelen helemaal zijn gevuld met mannenkleding. De kast zelf ruikt zoals een oude kast hoort te ruiken; een mengeling van leven en meubelwas. De combinatie van lavendel en antiek doet me aan mijn oma denken.

Alle kasten bij oma roken hetzelfde, meubelwas en lavendel, en soms naar van die heerlijk ruikende zeepjes met op het wikkel een Spaans meisje. Die lagen her en der tussen de kleding of lakens waardoor alles altijd lekker fris rook. Bij oma in de naaikamer stonden twee dingen die bij ons favoriet waren; de oude radio en de verkleedkist. De radio deed het nog prima en was een wonder der techniek. Het display suggereerde dat je zelfs radioprogramma's uit Berlijn en Wenen kon beluisteren. Het was een Duits exemplaar vermoed ik. Door aan de knoppen te draaien zocht ik als een ware spion de juiste frequentie op en probeerde ik zover mogelijk te komen. Ik heb nog nooit een Duitser te pakken gekregen. Mijn zusje speelde ondertussen met de naar lavendel of zeep geurende kleding. Tijdens mijn zoektocht naar verre onbekende landen en geluiden rook ik regelmatig aan een uit de kist gekomen zeepje en werd heimelijk verliefd op het heerlijk ruikende Spaanse meisje. Haar gitzwarte haar stak mooi af bij haar felrode jurk en haar rode lage pumps. In haar hand droeg ze een zomerhoed.

"Schiet het al een beetje op mannen?" Vraagt de eigenaar van de kast. We moeten zijn antieke kast verbergen met schuifdeuren. "Oh ja ik zie het al, bijna klaar. Dan laat ik jullie nog even lekker doorwerken." En hij loopt de kamer weer uit. De man is een jaar of 65 schat ik. Hij houdt van zeilen, schilderen en klassieke muziek. Dit is af te leiden uit de talloze zeiltijdschriften in het huis, de schilderijen aan de muur met zijn signatuur en de klassieke radiozender die al de hele dag op staat. Nergens een foto van een vrouw. Wel een hele wand met fotoboeken. "Daar staat mijn hele leven," zei hij toen we er naar vroegen. "En daar zal het bij blijven," vervolgde hij met een kleine brok in zijn keel.
Ik kijk weer naar het kledingsetje. Zou iemand het ooit hebben gedragen? Flanerend over een boulevard in een zuidelijke stad, waar de geur van lavendel vanuit de velden de stad in waaide? Hand in hand met de man wiens kast we nu aan het verbergen zijn, gelukkig, verliefd en voor altijd bij elkaar?

Ik klim het trappetje op om de laatste schroef in het plafond te draaien. Achter de hoed op de bovenste plank zie ik fotolijstjes. Ik kan het niet helpen, ik moet even kijken. Op de bovenste foto staat een kale oude vrouw in een bed. Ze zit rechtop en lacht triest. Er komt een slangetje uit haar neus en ze heeft vlekken in haar gezicht. Ik schrik. De tweede foto zie ik per ongeluk ook maar is gelukkiger van aard en een stuk eerder genomen. Dezelfde dame staat in een rode jas en rode jurk uitdagend te lachen naar de fotograaf. Ze staat op het witte strand aan een azuurblauwe zee, de wind waait door haar lange donkere haar. De lage pumps staan naast haar in het zand, in haar hand de zomerhoed.

woensdag 15 april 2015

Leverworst, smeerkaas, bruinbrood en een glas melk

Hij schenkt de thee in uit de thermoskan die de zuster net heeft neergezet, Het is vier uur en in het ziekenhuis is het dan de gewoonte om een kopje thee te drinken.  Of koffie als je bezoek daar zin in heeft. Wij hebben gekozen voor thee. Wij zijn Pappa, zijn vriend Henk,  mijn zusje Manon en ik.
De hand van mijn vader trilt een beetje en de thee komt niet helemaal goed in het kopje terecht.
“Pap, je hand trilt helemaal! Hahahaha, dat is grappig!” Lach ik. “Wat is er aan de hand?” Manon lacht ook.  Het doet ons denken aan de spelletjes die we speelden toen we nog echt klein waren. paardje rijden, de kieteldood, je kent het wel.
Hij zet de kan neer en zucht diep. Henk kijkt bedenkelijk en schaamt zich een beetje. Hij wil zich er niet mee bemoeien maar de woorden branden op zijn lippen. Hij houdt zich in. Pappa begint te vertellen.
“Weten jullie nog dat opa z’n armen en handen altijd zo trilden? Hij had de ziekte van Parkinson, dat is een ziekte waarbij je geen controle meer hebt over je spieren. Hij had vooral last van de spieren in zijn armen. Doordat je geen controle meer hebt over je spieren gaan ze heel erg trillen of schudden. Ik heb daar dus ook last van en kan dus soms niet zo goed de thee inschenken.  Het is erfelijk.” Besluit hij.
De hoofdzuster komt langs en vraagt of er nog speciale wensen zijn voor de avondmaaltijd. Ze kijkt begripvol naar de arm van mijn vader. Hij grijnst gemeen terug.
“Leverworst, smeerkaas, bruinbrood en een glas melk.” Dreun ik tussen neus en lippen op, zoals iedere dag sinds ik hier ben.

Ik schrik een beetje van de laatste woorden van mijn vader. Als mijn opa het had en mijn vader heeft het, dan krijg ik het dus ook. Pappa leest mijn gedachten en probeert me gerust te stellen. 
“Normaal gesproken slaat het een generatie over. Dat betekent dat ik het dus niet zou krijgen want mijn vader heeft het al.”
“Maar ja, dat was ook niet het geval bij jullie toch?” Gooi ik het balletje snel en bijdehand terug.
“Ja,  maar dat is echt een hele grote uitzondering jongen, geloof mij maar . De kans dat jij het krijgt is echt heel erg klein, echt heel erg klein.” 
Manon d'r ogen zijn groot en angstig. Papa geeft haar een kus, "het is vooral iets voor mannen Lieverd. Jij hoeft ook niet ook bang te zijn."
Hij pakt de kan weer op en probeert de thee weer in te schenken. We kijken samen geschrokken toe.

Het mislukt. Pappa zucht en kijkt boos weg. Hij pakt een sigaret, en een aansteker uit zijn jas. Met trillende handen probeert hij de sigaret aan te steken. Hij kan zijn duim niet lang genoeg stilhouden om de vlam aan te houden. Terwijl Henk de thee inschenkt houdt hij hem een aansteker voor. Pap kan zijn hoofd nog stil houden en het lukt hem op deze manier om de sigaret aan te krijgen. 

Roken in het ziekenhuis was nog heel normaal.

“Als hij zich er erg druk om maakt wordt het alleen maar erger." Legt Henk uit. "Soms verkrampt hij helemaal, Hij wil eigenlijk helemaal niet op zijn vader lijken, dat maakt hem kwaad.” Fluistert hij verder.

“Maar goed jongen,” gaat mijn vader verder met trillende stem nu. “Jij hoeft je echt geen zorgen te maken. De kans dat dit nog eens gebeurt is nihil.”
“Maar hoe gaat het met jou?  Zijn je bloedsuikers alweer een beetje op peil? Ik hoorde van de zuster dat het wel weer goed gaat. Dat is fijn om te horen jongen. Je liet ons wel weer erg schrikken hoor!

“Ja het ik voel me ook wel meteen een stuk beter, vanaf nu moet ik maar proberen die bloedsuikers een beetje normaal te houden.”

Zo kwam ik er achter dat mijn vader Parkinson had. Ik lag in het ziekenhuis omdat mijn bloedsuikers tijdens mijn eerste stappen in de pubertijd totaal niet onder controle te krijgen waren. (een combinatie van koppigheid en hormonen)  Hierdoor belandde ik bijna in een coma. Ik moest strenger zijn voor mezelf, geen koekjes meer eten, niet meer snoepen, geen patatjes meer na school bij de snackbar, geen roze koeken meer bij de thee iedere pauze. 14 jaar en het roer moest al om.

Mijn vader legt zijn hand op mijn hoofd, de hand is rustig. Mijn hoofd niet. 


woensdag 25 juni 2014

Privé peepshow

Langzaam rij ik de berg op, met nog vele haarspeldbochten en hoogtemeters voor de boeg doe ik het rustig aan. Pijn gaat het vanzelf wel doen. Het is al warm op dit vroege tijdstip en er zijn helaas geen bomen meer die de zon een beetje tegenhouden. Door het pittige stijgingspercentage is mijn snelheid laag, de warme zon zorgt voor zweet op mijn armen. Ik negeer het en kijk nog maar eens om me heen naar het prachtige Alpenlandschap. De sterk geurende dennenbomen hebben plaatsgemaakt voor alpenweiden en rotsen. Ik adem de frisse lucht genietend diep in en verplaats mijn handen van bovenop het stuur naar bovenop de remgrepen en ik dans op de pedalen. Dat voelt heel lekker, totdat ik op mijn kilometerteller kijk. Ik ga weer lekker zitten.

Twee vliegen landen op mijn onderarm, waarschijnlijk aangetrokken tot de overdaad aan zout en de lage snelheid. Snel kijk ik of ze de bedoeling hebben te steken, dit blijkt niet het geval en ik laat ze. De twee hebben elkaar vliegensvlug gevonden en bespringen elkaar. In eerste instantie lijkt het op een fikse knokpartij, ze staan op hun achterste benen en vallen elkaar in de overgebleven armen. Dit gaat even zo door, totdat de één uiteindelijk bij de ander op de rug klimt. Normaal gesproken zit ik niet zo te wachten op vliegen op mijn arm maar nu vind ik het wel een aardige afleiding, een privé peepshow. Het landschap tijdens de klim is prachtig maar het lijkt er  niet op dat het heel erg veel gaat veranderen het komende half uur. Ik kijk nog eens goed en zie dat ze van mijn natte haren op mijn armen een liefdesnestje hebben gebouwd.

Hier moet ik even over nadenken.....

Eerlijkheid gebied te zeggen dat ik geen idee had hoe en hoe lang vliegen het doen. Het hoe is me nu duidelijk. Zouden ze het doen om me af te leiden van deze verschrikkelijke helling en gaan ze door tot het hoogtepunt? Dan hoop ik voor dat ventje dat zijn conditie beter is dan die van mij. Het is nog zevenenhalve kilometer tot de top en met een snelheid van 10 kilometer per uur is dat dus nog drie kwartier. Dat kan ik ze niet aandoen.
Zelf schrik ik ook wel een beetje van deze cijfers en besluit dat het iets sneller kan, moet. Na een slok energiedrank en een hap sportreep schakel ik een tandje zwaarder. Luidt een bekende wielerwijsheid niet: "Als je nog kan denken dan ga je niet hard genoeg."? Vast wel.

Met 15 kilometer per uur probeer ik het stel een beetje tegemoet te komen. Ik heb lopen lummelen, dit gaat namelijk ook best lekker. Er ontstaat een sterke behoefte om even van positie te wisselen. Ik doe het heel voorzichtig. De vlieg heel abrupt. Hij springt op en landt naast zijn liefdespartner. Misschien even uithijgen? Ik denk er niet aan, ik ga door, in de verte kan ik de top al zien, doortrappen. Ze nestelen zich iets dieper in mijn armhaar en gaan ook weer verder. Gelukkig, ik heb me al helemaal ingesteld op een gezamenlijk hoogtepunt.


Ik kijk weer eens rond en ga voorzichtig nog eens staand klimmen. Mijn vrienden trekken zich er gelukkig niets van aan. De weg vlakt iets af en ik schakel bij, ik heb genoeg haar op mijn armen om ze te beschermen tegen de rijwind. Het zou toch lullig zijn als ze er voor het zingen van af waaien. De top is nu echt dichtbij, nog één kilometer! Het is bijna zover! De weg loopt weer venijnig omhoog en ik geef nog één keer alles om zo snel mogelijk de top te halen. Gehaald! Ik stap van mijn fiets en ga naast de weg uitgeput in het gras liggen en kruis mijn armen achter mijn hoofd. Een zachte krak.
Oeps.


maandag 15 juli 2013

Flarden herinneringen en mist op het Spaarne

“Kom aan boord jongen.” Zegt hij als hij handig de ruime sloep aanmeert. Ik kijk enigszins verbaasd naar mijn vader, nooit geweten dat hij van varen hield, laat staan dat hij er ook nog eens heel bedreven in is. Lichtelijk argwanend stap ik bij hem aan boord. “Ja, nieuwe hobby jongen, het is net autorijden. Het gaat me dus gemakkelijk af. Wees dus maar niet bang en ga lekker zitten.”

Alsof hij nooit anders heeft gedaan vaart hij weg, nonchalant met één arm om het roer en in de andere een sigaretje. Hij groet de andere ‘schippers’ met een rustige en duidelijke knik.
“Dat is lang geleden Pap, ik dacht dat je nu wel eens een keer klaar was hier. Ik had je al zolang niet meer gezien.”
We varen over het Spaarne richting het Qruqiusgemaal. Zwijgend kijkt hij mij aan en zucht, Ik moet even mijn mond houden en genieten van het moment begrijp ik. Ik ga ongemakkelijk achterover zitten, nog niet helemaal comfortabel met de situatie. Pappa wijst onder mijn voeten. Daar zit een klein koelkastje verborgen. Hij glimlacht bemoedigend naar me.

Er zitten biertjes in.

Ik besluit me voorlopig even over te geven aan het moment en pak een biertje, zoals we zo vaak thuis al hadden gedaan. Haarlem glijdt langzaam aan me voorbij en gaat over in aan de rechterkant Heemstede en aan de linkerkant Schalkwijk. Vanaf deze plek is het allebei mooi. Woonbootbewoners zwaaien en we wuiven terug. Vader en zoon in een bootje met een biertje op een mooie middag.

Jaloersmakend.

De laatste keer dat ik deze route aflegde was met mijn lieve zus, ook over het water al was dat toen bevroren. Een stuk kouder maar het gaf net zo’n warm gevoel. We hoefden ook niet zoveel te zeggen toen, gewoon een beetje krabbelen en elkaars tempo aanhouden. Had best willen zeggen dat ik heel veel van haar hou en dat ik blij was dat we dit nog konden doen. Maar ik denk dat mijn stralende gezicht dat wel verraadde.

Ik kijk naar hem. Ik lijk steeds meer op hem, ik ben hem ook aan het inhalen. Ik nader zijn leeftijd langzaam maar gestaag. Een koude rilling trekt door me heen als ik dit denk. “Je ziet er goed uit jongen. Jij wordt ook geen dag ouder hè?!” lacht hij mijn gedachtes weg. “Smaakt het biertje nog steeds zo goed?” Vraagt hij naar de bekende weg. “Ja pap, ik geniet met volle teugen.”
“Goed zo, doe mij er ook nog maar eentje dan.”
We varen heel even het kleine haventje van Heemstede in. Natuurlijk. De Van den Eijnde kade. Snel varen we weer verder naar het gemaal. Ik zie ons nog staan langs de kant van de weg met een overkokende motor, bijna op onze eindbestemming maar nog lang niet thuis. Rustig verwisseld hij het wiel en wast zijn handen in de Ringvaart. We slaan linksaf diezelfde Ringvaart op. Ik zie me vervolgens klooien met Sacha, de hond, die wel heel goed de Molenplas in kon springen maar er nooit zelfstandig weer uit kon. Beschaamd kwam ik thuis omdat ik die duffe Golden retriever weer haar gang had laten gaan. Pappa zette lachend de douche aan om het arme koude dier te wassen.

Ik zie de Meerwijkplas, zijn grote zus woonde daar lange tijd in een flat. Uren speelde ik daar in het park met mijn grote neven. Stiekem op de brommer, zwemmen in het meer en verlegen stamelen als één van hun vriendinnetjes iets tegen me zei. Ter hoogte van Vijfhuizen zie ik ons op bezoek gaan bij de ‘De Bie-tjes’ die een zoon hebben van de zelfde leeftijd en die bij me in het honkbal team zat en waar we vaak heen gingen om ze op te halen om naar het honkbal te gaan. Of om na het honkbal nog wat te gaan drinken. Zorgeloos.

We tuffen lekker door en ik mijmer lekker verder op het monotone geluid van de motor. Als we de Ringvaart weer verlaten zou daar vroeger de plek zijn geweest waar ook de Amsterdamse vaart uitkwam. We kijken elkaar aan en richten ons op. Als we heel erg ons best doen zien we de plek waar ooit zijn ouderlijk huis heeft gestaan. Het staat er niet meer en we gaan lichtelijk teleurgesteld weer zitten.

Ik zie tranen in zijn ogen als hij naar me lacht. Ik geef hem nog een biertje. En een glimlach.

Het wordt mistig als we via Haarlem Noord de stad weer binnen varen, dikke slierten glijden langs de boot en over onze kaal geschoren hoofden. Er blijven druppeltjes aan de korte haartjes plakken. De mist wordt dikker en dikker en met het verdwijnen van het zicht wordt ook al het geluid gedempt. De wereld is verdwenen en ik voel een afscheid naderen, hoe meer bruggen we passeren hoe dichterbij het komt. Ik schuif iets dichter naar hem toe om hem nog een beetje te kunnen zien. Hij legt zijn hand op mijn schouder en knijpt vaderlijk. “We zijn er bijna jongen, Ik moet je zo laten gaan. Je mag nog niet met me mee.” Als we de laatste brug onderdoor zijn gevaren leggen we aan voor mijn huis. Zoals altijd als we afscheid nemen gaat dat snel en gemakkelijk. “Dag jongen.” “Dag pap, we bellen!”
Ik hoor de motor van de boot ronken, hij vaart weg, zijn silhouet wordt snel vager als hij naar de overkant van het Spaarne vaart. Het geluid van de motor verdwijnt net als mijn vader in de mist, ik staar al snel in het niets.

Ik pak snel mijn telefoon, ben vergeten hem iets te vragen. Zijn nummer is er niet meer.

woensdag 17 april 2013

De lamme en de blinde

Hij loopt er wat verloren bij, hij ziet geen hand voor ogen en is over duidelijk de weg kwijt op het immense plein voor het centraal station. Door werkzaamheden en drukte is hij de dikke geribbelde strepen op het trottoir, die blinden moeten geleiden, kwijtgeraakt.

Het is spitsuur in Amsterdam. Zakenlui lopen gehaast van en naar de trein, studenten rennen om op tijd op college te komen en de toeristen die de moeite hebben genomen te komen genieten van de Amsterdamse ochtendspits lopen er rustig door heen.

Desalniettemin staat de man stil.

Voorbijgangers ontwijken de arme ziel scheldend en vloekend zoals je dat alleen in het oergezellige Amsterdam nog ziet. Hij trekt zijn schouders op en de paniek straalt van zijn gezicht. Hij probeert om zich heen te kijken door wild met zijn stok te zwaaien. Weer vloekend en tierend ontwijken de zakenlui, studenten de rood met witte stok. De vroege toeristen maken rustig foto’s.

AUW!
één iemand ziet de stok duidelijk over het hoofd en klettert met een smak op de grond.

De hulpeloze blinde man ontfermt zich over de gevallen kerel. Onhandig zoekt hij naar een geschikte plek om hem aan vast te pakken en hem overeind te helpen. Dit lukt niet.
Met veel pijn en moeite komt hij uiteindelijk zelf overeind. Aan zijn motoriek is te zien dat hij niet helemaal 100 is, ze niet allemaal op een rijtje heeft, geestelijk uitgedaagd is, gehandicapt is of gewoon een plat Amsterdamse mongool.
“Sorry meneer,” zegt de gevallene. “Heb ik u pijn gedaan? Volgens mij liep ik heel hard tegen uw been aan.”
“Nee hoor meneer,” zegt de blinde. “Volgens mij liet ik u struikelen. Ik ben de weg kwijt en probeer die met mijn stok te vinden. Maar het lukt niet helemaal en daar bent u de dupe van geworden vrees ik. Kunt u mij wellicht helpen?” Vraagt de blinde man vertwijfeld. Hij kan de man uiteraard niet zien maar iets zegt hem dat dit wel eens mis zou kunnen gaan.
De wat achtergebleven man denkt even na en maakt daar alle denkbare gebaren bij. “goed! Dat doe ik!” zegt hij uiteindelijk enthousiast. “Wat kan ik voor u doen?”

De blinde legt rustig uit dat hij naar de ingang van de metro moet. Onderwijl kijkt hij van links naar rechts en weer terug. De man loopt rustig en lachend met de blik van de man mee.
“Dat is heel makkelijk hoor meneer, dat kan ik zelfs vinden! Loopt u maar even met mij mee.”

De man die ze niet helemaal op een rijtje heeft steekt zijn hand uit ten teken dat ze hand in hand het avontuur gaan aanvangen. Als de blinde niet reageert steekt hij zijn arm maar door de opening die de in de zak gestoken arm tussen het lichaam laat. “Kom mee!” Zegt hij vrolijk.
Het metro station is maar 100 meter verder. Daar lopen ze gearmd en gehandicapt. Hij loodst de man feilloos door de menigte en zet hem af bij de ingang van de steile en gladde trap die naar de metro tunnel leidt.

“Hier is het meneer! Kijkt u maar.”

De blinde man zwaait met zijn stok over de grond, hij voelt de ribbels weer. "Ja ik zie het meneer, dankuwel."