woensdag 25 juni 2014

Privé peepshow

Langzaam rij ik de berg op, met nog vele haarspeldbochten en hoogtemeters voor de boeg doe ik het rustig aan. Pijn gaat het vanzelf wel doen. Het is al warm op dit vroege tijdstip en er zijn helaas geen bomen meer die de zon een beetje tegenhouden. Door het pittige stijgingspercentage is mijn snelheid laag, de warme zon zorgt voor zweet op mijn armen. Ik negeer het en kijk nog maar eens om me heen naar het prachtige Alpenlandschap. De sterk geurende dennenbomen hebben plaatsgemaakt voor alpenweiden en rotsen. Ik adem de frisse lucht genietend diep in en verplaats mijn handen van bovenop het stuur naar bovenop de remgrepen en ik dans op de pedalen. Dat voelt heel lekker, totdat ik op mijn kilometerteller kijk. Ik ga weer lekker zitten.

Twee vliegen landen op mijn onderarm, waarschijnlijk aangetrokken tot de overdaad aan zout en de lage snelheid. Snel kijk ik of ze de bedoeling hebben te steken, dit blijkt niet het geval en ik laat ze. De twee hebben elkaar vliegensvlug gevonden en bespringen elkaar. In eerste instantie lijkt het op een fikse knokpartij, ze staan op hun achterste benen en vallen elkaar in de overgebleven armen. Dit gaat even zo door, totdat de één uiteindelijk bij de ander op de rug klimt. Normaal gesproken zit ik niet zo te wachten op vliegen op mijn arm maar nu vind ik het wel een aardige afleiding, een privé peepshow. Het landschap tijdens de klim is prachtig maar het lijkt er  niet op dat het heel erg veel gaat veranderen het komende half uur. Ik kijk nog eens goed en zie dat ze van mijn natte haren op mijn armen een liefdesnestje hebben gebouwd.

Hier moet ik even over nadenken.....

Eerlijkheid gebied te zeggen dat ik geen idee had hoe en hoe lang vliegen het doen. Het hoe is me nu duidelijk. Zouden ze het doen om me af te leiden van deze verschrikkelijke helling en gaan ze door tot het hoogtepunt? Dan hoop ik voor dat ventje dat zijn conditie beter is dan die van mij. Het is nog zevenenhalve kilometer tot de top en met een snelheid van 10 kilometer per uur is dat dus nog drie kwartier. Dat kan ik ze niet aandoen.
Zelf schrik ik ook wel een beetje van deze cijfers en besluit dat het iets sneller kan, moet. Na een slok energiedrank en een hap sportreep schakel ik een tandje zwaarder. Luidt een bekende wielerwijsheid niet: "Als je nog kan denken dan ga je niet hard genoeg."? Vast wel.

Met 15 kilometer per uur probeer ik het stel een beetje tegemoet te komen. Ik heb lopen lummelen, dit gaat namelijk ook best lekker. Er ontstaat een sterke behoefte om even van positie te wisselen. Ik doe het heel voorzichtig. De vlieg heel abrupt. Hij springt op en landt naast zijn liefdespartner. Misschien even uithijgen? Ik denk er niet aan, ik ga door, in de verte kan ik de top al zien, doortrappen. Ze nestelen zich iets dieper in mijn armhaar en gaan ook weer verder. Gelukkig, ik heb me al helemaal ingesteld op een gezamenlijk hoogtepunt.


Ik kijk weer eens rond en ga voorzichtig nog eens staand klimmen. Mijn vrienden trekken zich er gelukkig niets van aan. De weg vlakt iets af en ik schakel bij, ik heb genoeg haar op mijn armen om ze te beschermen tegen de rijwind. Het zou toch lullig zijn als ze er voor het zingen van af waaien. De top is nu echt dichtbij, nog één kilometer! Het is bijna zover! De weg loopt weer venijnig omhoog en ik geef nog één keer alles om zo snel mogelijk de top te halen. Gehaald! Ik stap van mijn fiets en ga naast de weg uitgeput in het gras liggen en kruis mijn armen achter mijn hoofd. Een zachte krak.
Oeps.


maandag 15 juli 2013

Flarden herinneringen en mist op het Spaarne

“Kom aan boord jongen.” Zegt hij als hij handig de ruime sloep aanmeert. Ik kijk enigszins verbaasd naar mijn vader, nooit geweten dat hij van varen hield, laat staan dat hij er ook nog eens heel bedreven in is. Lichtelijk argwanend stap ik bij hem aan boord. “Ja, nieuwe hobby jongen, het is net autorijden. Het gaat me dus gemakkelijk af. Wees dus maar niet bang en ga lekker zitten.”

Alsof hij nooit anders heeft gedaan vaart hij weg, nonchalant met één arm om het roer en in de andere een sigaretje. Hij groet de andere ‘schippers’ met een rustige en duidelijke knik.
“Dat is lang geleden Pap, ik dacht dat je nu wel eens een keer klaar was hier. Ik had je al zolang niet meer gezien.”
We varen over het Spaarne richting het Qruqiusgemaal. Zwijgend kijkt hij mij aan en zucht, Ik moet even mijn mond houden en genieten van het moment begrijp ik. Ik ga ongemakkelijk achterover zitten, nog niet helemaal comfortabel met de situatie. Pappa wijst onder mijn voeten. Daar zit een klein koelkastje verborgen. Hij glimlacht bemoedigend naar me.

Er zitten biertjes in.

Ik besluit me voorlopig even over te geven aan het moment en pak een biertje, zoals we zo vaak thuis al hadden gedaan. Haarlem glijdt langzaam aan me voorbij en gaat over in aan de rechterkant Heemstede en aan de linkerkant Schalkwijk. Vanaf deze plek is het allebei mooi. Woonbootbewoners zwaaien en we wuiven terug. Vader en zoon in een bootje met een biertje op een mooie middag.

Jaloersmakend.

De laatste keer dat ik deze route aflegde was met mijn lieve zus, ook over het water al was dat toen bevroren. Een stuk kouder maar het gaf net zo’n warm gevoel. We hoefden ook niet zoveel te zeggen toen, gewoon een beetje krabbelen en elkaars tempo aanhouden. Had best willen zeggen dat ik heel veel van haar hou en dat ik blij was dat we dit nog konden doen. Maar ik denk dat mijn stralende gezicht dat wel verraadde.

Ik kijk naar hem. Ik lijk steeds meer op hem, ik ben hem ook aan het inhalen. Ik nader zijn leeftijd langzaam maar gestaag. Een koude rilling trekt door me heen als ik dit denk. “Je ziet er goed uit jongen. Jij wordt ook geen dag ouder hè?!” lacht hij mijn gedachtes weg. “Smaakt het biertje nog steeds zo goed?” Vraagt hij naar de bekende weg. “Ja pap, ik geniet met volle teugen.”
“Goed zo, doe mij er ook nog maar eentje dan.”
We varen heel even het kleine haventje van Heemstede in. Natuurlijk. De Van den Eijnde kade. Snel varen we weer verder naar het gemaal. Ik zie ons nog staan langs de kant van de weg met een overkokende motor, bijna op onze eindbestemming maar nog lang niet thuis. Rustig verwisseld hij het wiel en wast zijn handen in de Ringvaart. We slaan linksaf diezelfde Ringvaart op. Ik zie me vervolgens klooien met Sacha, de hond, die wel heel goed de Molenplas in kon springen maar er nooit zelfstandig weer uit kon. Beschaamd kwam ik thuis omdat ik die duffe Golden retriever weer haar gang had laten gaan. Pappa zette lachend de douche aan om het arme koude dier te wassen.

Ik zie de Meerwijkplas, zijn grote zus woonde daar lange tijd in een flat. Uren speelde ik daar in het park met mijn grote neven. Stiekem op de brommer, zwemmen in het meer en verlegen stamelen als één van hun vriendinnetjes iets tegen me zei. Ter hoogte van Vijfhuizen zie ik ons op bezoek gaan bij de ‘De Bie-tjes’ die een zoon hebben van de zelfde leeftijd en die bij me in het honkbal team zat en waar we vaak heen gingen om ze op te halen om naar het honkbal te gaan. Of om na het honkbal nog wat te gaan drinken. Zorgeloos.

We tuffen lekker door en ik mijmer lekker verder op het monotone geluid van de motor. Als we de Ringvaart weer verlaten zou daar vroeger de plek zijn geweest waar ook de Amsterdamse vaart uitkwam. We kijken elkaar aan en richten ons op. Als we heel erg ons best doen zien we de plek waar ooit zijn ouderlijk huis heeft gestaan. Het staat er niet meer en we gaan lichtelijk teleurgesteld weer zitten.

Ik zie tranen in zijn ogen als hij naar me lacht. Ik geef hem nog een biertje. En een glimlach.

Het wordt mistig als we via Haarlem Noord de stad weer binnen varen, dikke slierten glijden langs de boot en over onze kaal geschoren hoofden. Er blijven druppeltjes aan de korte haartjes plakken. De mist wordt dikker en dikker en met het verdwijnen van het zicht wordt ook al het geluid gedempt. De wereld is verdwenen en ik voel een afscheid naderen, hoe meer bruggen we passeren hoe dichterbij het komt. Ik schuif iets dichter naar hem toe om hem nog een beetje te kunnen zien. Hij legt zijn hand op mijn schouder en knijpt vaderlijk. “We zijn er bijna jongen, Ik moet je zo laten gaan. Je mag nog niet met me mee.” Als we de laatste brug onderdoor zijn gevaren leggen we aan voor mijn huis. Zoals altijd als we afscheid nemen gaat dat snel en gemakkelijk. “Dag jongen.” “Dag pap, we bellen!”
Ik hoor de motor van de boot ronken, hij vaart weg, zijn silhouet wordt snel vager als hij naar de overkant van het Spaarne vaart. Het geluid van de motor verdwijnt net als mijn vader in de mist, ik staar al snel in het niets.

Ik pak snel mijn telefoon, ben vergeten hem iets te vragen. Zijn nummer is er niet meer.

woensdag 17 april 2013

De lamme en de blinde

Hij loopt er wat verloren bij, hij ziet geen hand voor ogen en is over duidelijk de weg kwijt op het immense plein voor het centraal station. Door werkzaamheden en drukte is hij de dikke geribbelde strepen op het trottoir, die blinden moeten geleiden, kwijtgeraakt.

Het is spitsuur in Amsterdam. Zakenlui lopen gehaast van en naar de trein, studenten rennen om op tijd op college te komen en de toeristen die de moeite hebben genomen te komen genieten van de Amsterdamse ochtendspits lopen er rustig door heen.

Desalniettemin staat de man stil.

Voorbijgangers ontwijken de arme ziel scheldend en vloekend zoals je dat alleen in het oergezellige Amsterdam nog ziet. Hij trekt zijn schouders op en de paniek straalt van zijn gezicht. Hij probeert om zich heen te kijken door wild met zijn stok te zwaaien. Weer vloekend en tierend ontwijken de zakenlui, studenten de rood met witte stok. De vroege toeristen maken rustig foto’s.

AUW!
één iemand ziet de stok duidelijk over het hoofd en klettert met een smak op de grond.

De hulpeloze blinde man ontfermt zich over de gevallen kerel. Onhandig zoekt hij naar een geschikte plek om hem aan vast te pakken en hem overeind te helpen. Dit lukt niet.
Met veel pijn en moeite komt hij uiteindelijk zelf overeind. Aan zijn motoriek is te zien dat hij niet helemaal 100 is, ze niet allemaal op een rijtje heeft, geestelijk uitgedaagd is, gehandicapt is of gewoon een plat Amsterdamse mongool.
“Sorry meneer,” zegt de gevallene. “Heb ik u pijn gedaan? Volgens mij liep ik heel hard tegen uw been aan.”
“Nee hoor meneer,” zegt de blinde. “Volgens mij liet ik u struikelen. Ik ben de weg kwijt en probeer die met mijn stok te vinden. Maar het lukt niet helemaal en daar bent u de dupe van geworden vrees ik. Kunt u mij wellicht helpen?” Vraagt de blinde man vertwijfeld. Hij kan de man uiteraard niet zien maar iets zegt hem dat dit wel eens mis zou kunnen gaan.
De wat achtergebleven man denkt even na en maakt daar alle denkbare gebaren bij. “goed! Dat doe ik!” zegt hij uiteindelijk enthousiast. “Wat kan ik voor u doen?”

De blinde legt rustig uit dat hij naar de ingang van de metro moet. Onderwijl kijkt hij van links naar rechts en weer terug. De man loopt rustig en lachend met de blik van de man mee.
“Dat is heel makkelijk hoor meneer, dat kan ik zelfs vinden! Loopt u maar even met mij mee.”

De man die ze niet helemaal op een rijtje heeft steekt zijn hand uit ten teken dat ze hand in hand het avontuur gaan aanvangen. Als de blinde niet reageert steekt hij zijn arm maar door de opening die de in de zak gestoken arm tussen het lichaam laat. “Kom mee!” Zegt hij vrolijk.
Het metro station is maar 100 meter verder. Daar lopen ze gearmd en gehandicapt. Hij loodst de man feilloos door de menigte en zet hem af bij de ingang van de steile en gladde trap die naar de metro tunnel leidt.

“Hier is het meneer! Kijkt u maar.”

De blinde man zwaait met zijn stok over de grond, hij voelt de ribbels weer. "Ja ik zie het meneer, dankuwel."

maandag 31 december 2012

Over cowboys, amazones en zelf paardrijden

Paardrijden. Zelf associeer ik dat met bijvoorbeeld in volle galop door de branding razen, met een schuimbekkend paard. kadoeng, kadoeng, kadoeng, kadoeng! Of ik denk aan cowboys die door het wilde westen galopperen op zoek naar goud, drank of indianen. Stoere kerels met een leren hoed, stevige leren laarzen en een geweer om de brede schouders. Soepel springen ze op hun paard en gaan schijnbaar moeiteloos op pad. Al met al best een stoere bezigheid dus dat paardrijden.

"Wil je het ook even proberen?" Roept ze vanaf haar paard. Ik sta al een tijdje bewonderd te kijken naar haar. Hoe ze makkelijk blijft zitten, makkelijk het gehobbel met haar mooie lichaam absorbeert en schijnbaar het paard laat doen wat ze wil. Lukas rent genietend rondjes door de bak. Maakt een kort bochtje, een lange bocht, steekt diagonaal over en versnelt en remt af bij de minste beweging van haar armen en lijf. Het prachtige en belofte volle woord amazone lijkt voor haar verzonnen.

Met mijn grote mond had ik al een paar keer gezegd dat ik het ook wel eens wilde proberen als dat kon. Prompt probeerde Lukas mij het water in te duwen toen we een brug zonder reling overliepen en ik nietsvermoedend naast de kolos liep. In de bak, een paar momenten later, liep hij wild galopperend en briesend recht op mij af. Stoer bleef ik staan, met klotsende oksels.

Nu was het dus zover, direct zag ik de stoere cowboys voor me. Relaxed stappend door het wilde westen. "ja dat wil ik wel. Leuk!!" roep ik enthousiast. Voelde me al bijna een cowboy. Bijna, want eenmaal naast lukas zie ik eerder een rodeo-achtige gebeurtenis voor me. Potverdikkeme hij is toch best wel groot! En hoe kom ik hier in vredesnaam op!
Ik krijg een voetje van mijn Amazone en voor ik het weet lig ik op mijn buik op de rug van het paard. Ik heb zijn manen vast en trek mezelf verder omhoog, ik til mijn rechterbeen omhoog en over de rug heen. Het doel is dat ik aan iedere kant van zijn rug een been heb bungelen. Mijn geklooi blijft niet onopgemerkt, Lukas begint al vrij snel te bewegen met zijn hoofd en begint van ellende ook maar alvast te stappen.

Met een laatste krachtsinspanning til ik mijn been daadwerkelijk over zijn rug heen. Nu lig ik nog steeds plat op mijn buik maar bevinden mijn benen zich wel ieder aan een andere kant. Lukas blijft lopen terwijl ik me zo bewegingloos mogelijk probeer recht te zetten op zijn hoge rug. Dit lukt natuurlijk voor geen meter en lukas heeft geen idee wat ik wil en dat is lastig want ik ook niet echt. Laat staan dat ik weet hoe dat moet.

Affijn

Als ik eenmaal mijn positie heb gevonden en mijn rug heb gerecht en mijn schouders naar achter heb geduwd, zoals mijn amazone mij heeft opgedragen, staat Lukas stil. Ik laat de teugels rustig en ontspannen langs zijn hals bungelen, net als mijn armen. Dit is goed hoor ik naast mij. Met mijn hak por ik zacht in de zijkant van lukas, hij begint te stappen. Gelukkig, even was ik bang dat er meteen gegaloppeerd ging worden omdat ik het wellicht te hard deed. Ik wil iets naar links dus trek ik aan de linker teugel. Niets, lukas stapt rustig rechtdoor. Ik trek iets harder, nog niets, geen beweging te krijgen in dat beest. We lopen recht op de uitgang van de bak af en ik begin mij ietwat zorgen te maken.

"Niet over de hals lieverd." Hoor ik naast mij. Ik heb geen idee waar het over gaat. "Als je de teugels aanhaalt dan moet je die van het paard afhalen zodat zijn hoofd ook echt opzij gaat. Nu trek je het alleen maar omhoog aan één kant." legt ze verder uit.
Deze uitleg helpt en ik stuur lukas van links naar rechts. Zo ongeveer.

Ik zit boven op een reusachtig beest, en het doet zo ongeveer wat ik wil. Ik fantaseer de cowboyhoed er even bij en de stoere laarzen ook even voor het moment. Een warme gloed van trots trekt van mijn buik door naar mijn kaken en mijn lippen waardoor er een glimlach ontstaat. Ik rij paard, ik ben een cowboy!

"Wil je even draven?" Hoor ik uitdagend naast me. "
Mijn glimlach verdwijnt. "ben je gek geworden!Het is al veel te laat. We moesten maar eens terug naar de stal volgens mij.......

donderdag 27 december 2012

lege plek

Hij staat met zijn hoofd in zijn nek het puntje van de kerktoren te bekijken. Het is bijna nacht en de toren is prachtig verlicht. Door het licht zie je duidelijk dat het sneeuwt en het schouwspel kan als mysterieus worden omschreven.
De oude man staakt zijn getuur en mompelt dat ze verder gaan lopen. Hij pakt de rolstoel vast, draait deze de goede richting op en loopt over de Grote markt richting stadhuis. De man ziet er moe en onverzorgd uit, zijn kleding is ongewassen en zijn vlassige grijze baard staat al een paar dagen. Hij sloft achter de rolstoel aan alsof hij er liever zelf in zou zitten.

Hij strompelt langs de grote kerstboom die op het plein staat. "De boom staat er ook weer, Sinterklaas is koud het land uit en ze zijn alweer begonnen met de kerst. Het is wel een mooie dit jaar, veel mooier dan die van vorig jaar, zie je?" En hij richt de rolstoel richting de kerstboom om er even naar te kijken.
Na een paar tellen loopt hij weer verder. Zijn kleding is wat ongewassen maar van goede snit, verder oogt hij wat afwezig maar totaal niet dronken. Met zijn onderarmen leunend op de handvatten van de rolstoel rolt hij een shagje. "ja ja, ik weet het. Je gaat er dood van." Hij jaagt vuur in de sigaret en inhaleert diep. "ahhhh…. maar het is wel erg lekker!" mompelt hij tijdens het uitblazen van de rook.

Met het shagje in zijn linker mondhoek draait hij de rolstoel om en loopt verder over het plein. Een jonge knul op een fiets schiet rakelings langs hem. "Kijk uit je doppen ouwe!" Roept hij boos naar de oude man met de rolstoel. Die blijft verschrikt staan en vraagt zich af wat er zojuist gebeurde. "Het moet toch niet gekker worden hè?" Roept hij een beetje bozig. Zijn oude lijf en de rolstoel weerhouden hem ervan erachteraan te gaan. Vroeger, toen hij nog fit was en die rolstoel er nog niet was, was hij er wel achteraan gegaan. De kans is echter groot dat er toen niets gezegd werd, toen waren mensen eerder onder de indruk van hem dan dat ze hem uitscholden.

Voor het stadhuis kijkt hij naar de trap die naar de deur van de Ridderzaal loopt. "Weet je nog hoe we daar stonden te stralen? Wat een mooie dag was het toen hè? Kom we gaan nog eens op het bordes staan!" Zegt hij enthousiast.

Hij gaat met zijn rug naar de trap staan en met ieder stapje dat hij achteruit omhoog loopt tilt hij de rolstoel ook een trede verder, trede voor trede sleurt hij zichzelf en de rolstoel zo naar boven. "Je bent afgevallen," zegt hij terwijl hij de laatste trede overwint en op het bordes komt. Vorig jaar had ik dit niet gered denk ik. Toen woog je dubbel zoveel.


Daar staat hij dan. Jaren geleden stond hij hier samen, samen met haar, zijn vrouw. Mooie tijden waren dat. Ze straalden, keken naar de kerstboom die wel speciaal voor hun huwelijk leek neergezet. De oude man kijkt over het plein en naar de lege plek naast hem. Overmand door emotie verliest hij zijn balans. Net op tijd vindt zijn achterwerk de zitting van de lege rolstoel.

maandag 26 november 2012

Uitzichtloos

De straat is glimmend nat. De zon breekt bij lange na niet door de dichte mist heen die al dagen over de stad heen ligt. Als het leven niet figuurlijk uitzichtloos is dan is het dat wel letterlijk. Het is koud. Daar zit ze op de straat. Een vrouw van mijn eigen leeftijd, gekleed in drie jassen en voor zover ik kan zien minstens twee broeken over elkaar. Ze draagt twee verschillende schoenen. Naast haar staan drie grote boodschappen tassen van de Albert Heijn, gevuld met dekens en een dekzeil.

Ik loop op tien meter afstand en kijk haar aan, per ongeluk, te lang. Ze kijkt terug. Ik weet al waar dat op uit gaat draaien, een smeekbede om muntjes, de aanschaf van een daklozenkrant, of een tirade over hoe verrot deze wereld wel niet in elkaar zit. Ik kijk vlug weg, voel haar donkere ogen prikken als ik haar nader. Vanuit mijn ooghoeken probeer ik in te schatten wat er gaat gebeuren. Ze kijkt me aan, denkt na, vormt zich een beeld.
De priemende ogen dwingen me mijn pas in te houden en haar weer aan te kijken. Haar ogen staan fel maar triest, triest dat ik niet het lef had haar aan te kijken en fel omdat ik vermoed dat er nog iets van levenslust in haar geest zit. Misschien nog net genoeg om haar uit deze situatie te slepen of wellicht is het net genoeg om haar in leven te houden.

In de hoop dat het eerste het geval is stop ik voor haar neus en zeg haar gedag. “Ik ken jou wel," zegt ze lachend en beschuldigend. Jij zat ook op het SSG, net als ik.” Gaat ze haar verkapte beschuldiging verder. “Je herkent me toch nog wel? Ik zag meteen dat jij het was Rogier”

Ik zie ergens onder die capuchon en de wilde bos ongewassen haar wel iets bekends, en inderdaad zou het wel eens van de SSG kunnen zijn. Maar ja, ik zat daar bijna acht jaar op school en heb daar zoveel gezichten gezien en wellicht ook met zoveel meisjes contact gehad in intieme of minder intieme mate. Zou zij daar er één van kunnen zijn? Het was toch niet op één van die eindexamen feestjes waar we voor het eerst veel te veel gedronken hadden en waar er her en der voorzichtig wat gezoend werd. Ik kan mij niet voorstellen dat zij er één van was bedenk ik me als ik weer terugkeer uit mijn mijmeringen en terecht kom in haar aanblik. Natuurlijk, ze ziet er niet echt lekker fris uit nu maar ik kan er wel doorheen kijken. Nee, dit was geen meisje van wie ik het hart gebroken heb.

“Bianca toch?” probeer ik voorzichtig. Ergens hoop ik dat ik het mis heb want wil niet dat ze denkt dat ik altijd aan haar ben blijven denken, aan de andere kant vind ik het ook wel lullig als ik een totaal ander iemand voor ogen heb.
“ja! Wat leuk dat je dat nog weet. Hoe gaat het met je?” Vraagt ze naar de bekende weg. Ik was er al bang voor. Wat moet ik gaan zeggen tegen een zwerfster, een oud klasgenootje dat in mijn herinnering echt niet de slimste mooiste en meest ambitieuze meisje van de klas was. Maar waarvan ik ook niet had gedacht dat ze heel erg zou afglijden. Wat moest ik zeggen? Dat het zwaar was? Dat het iedere maand weer lastig is om alle rekeningen te betalen? Dat ik heel graag een ander huis wil omdat ik de plek waar ik nu woon een beetje zat ben? Dat ik even niet zo op mijn plek ben op mijn werk? Pfffff ik heb eten, liefde en een dak boven mijn hoofd. Alles wat zij niet heeft. Denk ik.

“Goed,” zeg ik dus naar waarheid. Automatisch komt de vraag: “En met jou?” bij me op. Ik slik hem nog net in. “Koffie?” vraag ik wijzend naar de Mc Donalds. “Want voor een biertje vind ik het nog wat te vroeg.” Probeer ik toch een tipje van de sluier opgelicht te krijgen over haar leefsituatie. Vurig hoop ik koffie, voor mijn eigen bestwil maar ook voor dat van haar.
“Als ik het dan toch voor het zeggen heb,” licht haar gezicht op, “dan lust ik wel een biertje.”

dinsdag 18 september 2012

Topsport en diabetes. Bestaat dat?!

De WK wielrennen in Valkenburg hadden een mooie primeur: De ploegentijdrit voor commerciële teams. De wereldpers liep vol enthousiasme uit om deze prachtige discipline te verslaan en mooie verhalen te maken over de renners en de ploegen die zich te pletter hebben gereden over de Limburgse heuvels.
32 teams gingen op zondag zestien september van start om geschiedenis te schrijven. De beste renners van de beste ploegen stonden aan de start. Nogmaals, een primeur en logischerwijs was de pers er al een tijdje druk mee.

Maar er was nog een primeur die niet veel mensen is opgevallen. Het niet zo grote Amerikaanse Team Type 1- Sanofi stond ook aan de start. Dit team is opgericht door Phil Southerland, een wielrenner met suikerziekte die tegen allerlei problemen opliep tijdens het uitoefenen van zijn sport. “Topsport? Dat kan helemaal niet als je diabetes type 1 hebt!” kreeg hij te horen. Sporten prima, maar in eigen tempo. Team Type 1 werd tot leven geroepen om te bewijzen dat diabeten met type 1 wel degelijk aan topsport kunnen doen.


De Nederlandse Suikerpatiënt Martijn Verschoor rijdt voor dit team en mocht starten in de ploegentijdrit. Ik kan mij sterk vergissen maar ik weet bijna zeker dat dit de eerste suikerpatiënt is die aan de wereldkampioenschappen wielrennen heeft deelgenomen. Dat lijkt mij eigenlijk niet geheel onbelangrijk, zeker niet als dit evenement ook nog eens in Nederland plaatsvindt.

Het had de NOS of Sporza of Eurosport gesierd als ze er tenminste een klein beetje aandacht aan hadden besteed. Hoe gaat zijn voorbereiding, waar moet hij onderweg nog aan denken? Hoe vaak test hij? spuit hij insuline bij? Of eet hij juist nog wat? Eerlijk gezegd vind ik dat er sowieso bar weinig aandacht is voor volksziekte nummer 1! (bijna dan) Het is nogal wat om de top van het wielrennen te bereiken, laat staan als je suikerziekte hebt. Dat vergt nog meer doorzettingsvermogen, nog meer ontberingen en nog meer frustratie dan het normaal gesproken al doet.

Maar daar reden ze dus, het team dat een mooie boodschap uitdraagt maar juist moet presteren om die boodschap goed uit te kunnen dragen. Ze rijden voor een statement en mochten dat doen voor het oog van de wereld.

Helaas startten ze vroeg, het publiek stond nog te keuvelen, het podium werd nog afgestoft, de camera mannen laadden hun materiaal nog uit en de journalisten deden nog een bakkie in de VIP tent. Team Type 1 werd genegeerd, hun verhaal werd niet opgeschreven toen ze totaal gesloopt en uitgewrongen als 31ste over de finish reden.