Posts tonen met het label fietsen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fietsen. Alle posts tonen

woensdag 25 juni 2014

Privé peepshow

Langzaam rij ik de berg op, met nog vele haarspeldbochten en hoogtemeters voor de boeg doe ik het rustig aan. Pijn gaat het vanzelf wel doen. Het is al warm op dit vroege tijdstip en er zijn helaas geen bomen meer die de zon een beetje tegenhouden. Door het pittige stijgingspercentage is mijn snelheid laag, de warme zon zorgt voor zweet op mijn armen. Ik negeer het en kijk nog maar eens om me heen naar het prachtige Alpenlandschap. De sterk geurende dennenbomen hebben plaatsgemaakt voor alpenweiden en rotsen. Ik adem de frisse lucht genietend diep in en verplaats mijn handen van bovenop het stuur naar bovenop de remgrepen en ik dans op de pedalen. Dat voelt heel lekker, totdat ik op mijn kilometerteller kijk. Ik ga weer lekker zitten.

Twee vliegen landen op mijn onderarm, waarschijnlijk aangetrokken tot de overdaad aan zout en de lage snelheid. Snel kijk ik of ze de bedoeling hebben te steken, dit blijkt niet het geval en ik laat ze. De twee hebben elkaar vliegensvlug gevonden en bespringen elkaar. In eerste instantie lijkt het op een fikse knokpartij, ze staan op hun achterste benen en vallen elkaar in de overgebleven armen. Dit gaat even zo door, totdat de één uiteindelijk bij de ander op de rug klimt. Normaal gesproken zit ik niet zo te wachten op vliegen op mijn arm maar nu vind ik het wel een aardige afleiding, een privé peepshow. Het landschap tijdens de klim is prachtig maar het lijkt er  niet op dat het heel erg veel gaat veranderen het komende half uur. Ik kijk nog eens goed en zie dat ze van mijn natte haren op mijn armen een liefdesnestje hebben gebouwd.

Hier moet ik even over nadenken.....

Eerlijkheid gebied te zeggen dat ik geen idee had hoe en hoe lang vliegen het doen. Het hoe is me nu duidelijk. Zouden ze het doen om me af te leiden van deze verschrikkelijke helling en gaan ze door tot het hoogtepunt? Dan hoop ik voor dat ventje dat zijn conditie beter is dan die van mij. Het is nog zevenenhalve kilometer tot de top en met een snelheid van 10 kilometer per uur is dat dus nog drie kwartier. Dat kan ik ze niet aandoen.
Zelf schrik ik ook wel een beetje van deze cijfers en besluit dat het iets sneller kan, moet. Na een slok energiedrank en een hap sportreep schakel ik een tandje zwaarder. Luidt een bekende wielerwijsheid niet: "Als je nog kan denken dan ga je niet hard genoeg."? Vast wel.

Met 15 kilometer per uur probeer ik het stel een beetje tegemoet te komen. Ik heb lopen lummelen, dit gaat namelijk ook best lekker. Er ontstaat een sterke behoefte om even van positie te wisselen. Ik doe het heel voorzichtig. De vlieg heel abrupt. Hij springt op en landt naast zijn liefdespartner. Misschien even uithijgen? Ik denk er niet aan, ik ga door, in de verte kan ik de top al zien, doortrappen. Ze nestelen zich iets dieper in mijn armhaar en gaan ook weer verder. Gelukkig, ik heb me al helemaal ingesteld op een gezamenlijk hoogtepunt.


Ik kijk weer eens rond en ga voorzichtig nog eens staand klimmen. Mijn vrienden trekken zich er gelukkig niets van aan. De weg vlakt iets af en ik schakel bij, ik heb genoeg haar op mijn armen om ze te beschermen tegen de rijwind. Het zou toch lullig zijn als ze er voor het zingen van af waaien. De top is nu echt dichtbij, nog één kilometer! Het is bijna zover! De weg loopt weer venijnig omhoog en ik geef nog één keer alles om zo snel mogelijk de top te halen. Gehaald! Ik stap van mijn fiets en ga naast de weg uitgeput in het gras liggen en kruis mijn armen achter mijn hoofd. Een zachte krak.
Oeps.


maandag 29 maart 2010

lekker stukkie janken

Op één van mijn favoriete fietsrondjes kom ik in de eerste kilometer langs het geboortehuis van mijn vader. Dat is altijd even speciaal, het grote huis staat er nog net zo bij als op de vergeelde foto’s uit de fotoboeken. Mijn vader als kleine jongen met de hond voor het huis, lachend, jong, gezond, gelukkig. Of met zijn oudere zussen om de eettafel in de keuken, de enige plek in het huis waar er echt geleefd werd. Ik ben nog nooit binnen geweest maar weet hoe het eruit ziet.

Het voelt altijd alsof ik hem op kom halen. Op het moment dat ik langs fiets veranderd er iets, dan rijdt hij op mijn schouders mee.
Het hele rondje krijgt een bijzondere lading. Het eerste deel voert lans het spoor van Haarlem naar Amsterdam, ik zie voor me hoe de kantoren en de Ikea er nog niet zijn en mijn vader indiaantje speelt in de weilanden. Af en toe opkijkend als er een trein voorbij raast naar het verre Amsterdam.

Voordat ik langskom zie ik hem naar het hek rennen, blij dat ik weer langskom. Lunchpakketje in de hand, want het wordt een lange dag. Hij staat te wachten bij het grote ijzeren hek, dat open gaat met een hoop geknars en gepiep en alleen als je weet hoe je de vergrendeling los krijgt. (het hek heel even optillen)

Zo vergezelt hij mij op deze tochtjes. Als een kind zo blij zit hij op mijn rug, juicht mij toe als ik op kop rij en me lekker voel. Ik geniet met volle teugen, herleef mijn jeugd. Hij tikt mij op mijn schouder als ik op het saaie stuk rij door het industriegebied tussen Sloterdijk en IJmuiden en de snelheid daalt door de verveling. Gedachten drijven terug naar herinneringen uit gelukkiger tijden, toen we nog leuke dingen deden met de hele familie, of wellicht ook naar later, toen we samen aan de bar zaten in een voor mij vreemd café, als hij zijn wereld wilde laten zien.

Op het moment dat ik eigenlijk wil stoppen om in de berm een lekker potje te gaan janken tikt hij me op de schouder. “Nu niet opgeven jongen, je ging net zo lekker,”
Ik schakel een tandje bij en ga op de pedalen staan. Inderdaad niet opgeven nu, prent ik mezelf in. Straks wordt het leuker, beter, makkelijker misschien? Eenmaal weer op snelheid klinkt er een zucht van verlichting in mijn nek, we zijn er weer!

Volle bak ga ik de bergjes in Spaarnwoude op en af, ik voel de pedalen niet, heb even vleugels. Vervolgens rijd ik door naar Driehuis, langs het crematorium. Even slikken, vechten tegen de brandende ogen. Dit is zijn halte, hier stapt hij af.
Hij geeft me een knuffel en een kus op mijn wang en loopt al zwaaiend het grote ijzeren hek door. Dat hek staat altijd open, piept niet, kraakt niet en houdt niemand tegen, ook hem niet helaas.

Van de week ging ik weer op weg voor dit rondje, de wind stond gunstig. Vol verwachting reed ik de straat op. Ik keek al uit naar dat kereltje achter dat grote ijzeren hek.
Het hek was weg, de fundering van het grote huis werd net gesloopt. Ik heb in de berm een heerlijk potje zitten janken.