donderdag 21 oktober 2010

Geen type voor diabetes

'Dat vind ik nou helemaal niets voor jou! suikerziekte.' Zei ze met een afkeurende blik toen ik vertelde dat ik suikerziekte had. 'Dat is meer iets voor van die saaie grijze muizen met sandalen en overgewicht,' raaskalde ze verder, 'Daar heb ik niet een heel gezellig beeld bij hoor, bij suikerziekte, dan mag en kan je toch niets enzo?'

Bovenstaande is echt gebeurd, ik ben kennelijk geen type voor suikerziekte. Oké ik geef toe dat ik mij niet altijd even netjes gedraag als het om eten gaat. Ik probeer zoveel mogelijk de suikerziekte aan mijn leven aan te passen en niet mijn leven aan de diabetes. Ik ben verre van dik en verder heb ik geen sandalen en onderneem ik genoeg leuke dingen om niet het predicaat grijze muis opgeplakt te krijgen. Dit geldt waarschijnlijk voor de meeste diabeten.

Desalniettemin leeft dit beeld nog sterk in de samenleving. Tot nu dan hoop ik! Afgelopen maandag bij Holland Sport was Lydia Mossel te gast. Deze twintigjarige karateka van topniveau heeft sinds haar tiende diabetes werd me door Wilfried de Jong verteld. Dat had ik niet zien aankomen; leuke meid om te zien, topsporter, vrolijk en zeker niet alledaags en saai. In de aankondiging werd al gezegd dat er iemand met suikerziekte kwam en ik had stiekem een heel ander beeld gevormd.

En misschien klopt het ook wel. Lydia heeft zich nooit door de diabetes uit het veld laten slaan; We krijgen de bloedsuikers niet helemaal onder controle met al dat gesport? We nemen een insulinepomp. Toch nog een beetje schommelende waardes na een intensieve training? We zoeken precies uit hoeveel koolhydraten we moeten nemen en zoeken daar de juiste etenswaren bij (een precies afgemeten hoeveelheid sportdrank) Zelfs toen de naalden van haar insulinepomp steeds afbraken in haar buik, -haar buikspieren zijn te sterk!- ging ze niet bij de pakken neerzitten en zocht ze naar dat ene plekje op haar lichaam dat nog zacht genoeg was om dat naaldje in te kunnen plaatsen. Het werd haar linkerborst.

Lydia Mossel is een perfect voorbeeld van iemand die de suikerziekte aanpast aan haar leven. Ze laat het geen belemmering zijn voor de dromen en wensen die ze in het leven heeft. Zonder diabetes was Lydia waarschijnlijk karateka. De verbaasde dame van het begin zal haar ook wel geen type voor suikerziekte vinden, en dat is ze ook niet! Niemand is dat. En als we als diabeten gewoon onze dromen najagen en doen wat we leuk en lekker vinden dan lijken we net normale mensen.

maandag 7 juni 2010

lekker rebelleren

Ik heb jarenlang gerebelleerd tegen mijn suikerziekte, ik wilde er gewoon niet aan. In het begin ging het nog wel, ik was elf jaar en iedereen in mijn klas vond het vet cool. Zeker als ik met een spuit in de weer ging, of als ik mijn bloedsuiker ging controleren. Nou dan ging het dak van het kleine klaslokaal eraf!
Wat wil je ook? We zaten met z’n allen al zes jaar bij elkaar in de klas en niemand had ook nog maar iets ernstigs meegemaakt. Volgens mij ging iedereen ook elk jaar maar gewoon weer over en waren alle ouders gewoon bij elkaar. Zo’n klasje dus en dus was ik een exoot, bijzonder.
En ja, als elf jarig jongetje is al die aandacht best wel gezellig. Dus in het begin was het goed bijhouden van de bloedsuikers niet zo heel erg lastig. Was een uitdaging.

Op de middelbare school was het nieuwe er snel af, er was zoveel te doen en te zien voor iedereen, dat mijn prikken en testen niet zo heel interessant waren. Iedereen had het trucje gezien, wist er vanaf en nu door met achter de meisjes aan.
Daar sta je dan, ondertussen twaalf jaar, een jaar lang het middelpunt van de klas, en nu ineens een doodnormale brugpieper met een te grote rugtas. Balen.

En volgens mij is daar de pubertijd begonnen, heel voorzichtig.
Langzaamaan begon ik mij af te zetten, ik kon ineens een glacé kopen en eten zonder dat iemand daar iets van zei! Dat bood perspectieven, ik kwam erachter dat ik heel erg van snoepen hield en niemand kon mij stoppen!
Daar kwam nog bij dat ik mij heel erg ging verzetten tegen mijn ouders, zij die het beste met mij voor hadden en dus het meest zeurden. Zij hadden natuurlijk al heel snel door dat snoepen niet zo goed voor mij was. Ik had daar geen boodschap aan en we kochten allemaal een rol koek en aten die op. Zoals pubers dat doen.

En ik dus ook. Ergens had ik wel het besef dat het allemaal niet zo goed was, want ik dronk er dan wel weer cola light bij, ik had immers suikerziekte. Ik kreeg daar dan natuurlijk weer vragen over want toen was cola light iets voor dikke vrouwen, en dat was ik niet. Nee ik had suikerziekte, vond ik.

Als suikerpatiënt een hele rol koek opeten, dat was me wat. Vond iedereen ook heel bijzonder, vooral mijn internist, die aan mijn bed stond toen ik bijna in coma lag. Mijn lichaam ging na een tijdje een beetje protesteren. Die was aan het rebelleren tegen mijn gedrag. Dat ging dus goed mis, had ik mezelf bijna dood gesnoept.
Intensive care dus, overal slangen, infusen en plakkers, voor de hartbewaking. Dat zag er spannend uit, dat vonden mijn klasgenootjes ook die elke dag speciaal voor mij langskwamen.

maandag 29 maart 2010

lekker stukkie janken

Op één van mijn favoriete fietsrondjes kom ik in de eerste kilometer langs het geboortehuis van mijn vader. Dat is altijd even speciaal, het grote huis staat er nog net zo bij als op de vergeelde foto’s uit de fotoboeken. Mijn vader als kleine jongen met de hond voor het huis, lachend, jong, gezond, gelukkig. Of met zijn oudere zussen om de eettafel in de keuken, de enige plek in het huis waar er echt geleefd werd. Ik ben nog nooit binnen geweest maar weet hoe het eruit ziet.

Het voelt altijd alsof ik hem op kom halen. Op het moment dat ik langs fiets veranderd er iets, dan rijdt hij op mijn schouders mee.
Het hele rondje krijgt een bijzondere lading. Het eerste deel voert lans het spoor van Haarlem naar Amsterdam, ik zie voor me hoe de kantoren en de Ikea er nog niet zijn en mijn vader indiaantje speelt in de weilanden. Af en toe opkijkend als er een trein voorbij raast naar het verre Amsterdam.

Voordat ik langskom zie ik hem naar het hek rennen, blij dat ik weer langskom. Lunchpakketje in de hand, want het wordt een lange dag. Hij staat te wachten bij het grote ijzeren hek, dat open gaat met een hoop geknars en gepiep en alleen als je weet hoe je de vergrendeling los krijgt. (het hek heel even optillen)

Zo vergezelt hij mij op deze tochtjes. Als een kind zo blij zit hij op mijn rug, juicht mij toe als ik op kop rij en me lekker voel. Ik geniet met volle teugen, herleef mijn jeugd. Hij tikt mij op mijn schouder als ik op het saaie stuk rij door het industriegebied tussen Sloterdijk en IJmuiden en de snelheid daalt door de verveling. Gedachten drijven terug naar herinneringen uit gelukkiger tijden, toen we nog leuke dingen deden met de hele familie, of wellicht ook naar later, toen we samen aan de bar zaten in een voor mij vreemd café, als hij zijn wereld wilde laten zien.

Op het moment dat ik eigenlijk wil stoppen om in de berm een lekker potje te gaan janken tikt hij me op de schouder. “Nu niet opgeven jongen, je ging net zo lekker,”
Ik schakel een tandje bij en ga op de pedalen staan. Inderdaad niet opgeven nu, prent ik mezelf in. Straks wordt het leuker, beter, makkelijker misschien? Eenmaal weer op snelheid klinkt er een zucht van verlichting in mijn nek, we zijn er weer!

Volle bak ga ik de bergjes in Spaarnwoude op en af, ik voel de pedalen niet, heb even vleugels. Vervolgens rijd ik door naar Driehuis, langs het crematorium. Even slikken, vechten tegen de brandende ogen. Dit is zijn halte, hier stapt hij af.
Hij geeft me een knuffel en een kus op mijn wang en loopt al zwaaiend het grote ijzeren hek door. Dat hek staat altijd open, piept niet, kraakt niet en houdt niemand tegen, ook hem niet helaas.

Van de week ging ik weer op weg voor dit rondje, de wind stond gunstig. Vol verwachting reed ik de straat op. Ik keek al uit naar dat kereltje achter dat grote ijzeren hek.
Het hek was weg, de fundering van het grote huis werd net gesloopt. Ik heb in de berm een heerlijk potje zitten janken.