donderdag 23 juni 2011
lopen naar de zon
Ze kijkt naar buiten als ik de coupé binnenstap. Een meisje van, pak ‘m beet, 17 jaar. Peper en zout kleurig lang haar, diadeem, spijkerjasje en een bloemetjesjurk. Net boven haar laarzen steken geruite sokken uit. Ze lijkt zo uit de laatste H&M folder gestapt. Eén van de hakken van haar cowboy laarzen zit een beetje los, de neuzen zijn versleten. Ze houdt haar telefoon in haar handen geklemd die in haar schoot rusten. De knieën tegen elkaar aan de voeten iets uit elkaar, de armen gestrekt. Ze leunt een beetje tegen het raam. Je zou er een vrolijk gezichtje bij verwachten, helaas.
Ik ga tegenover haar zitten.
De avond was al bezig terrein te winnen van de dag. De zon probeerde het afscheid te verzachten door haar laatste zonnestralen te gebruiken om de laaghangende bewolking felrood en roze te kleuren. Over de weilanden tussen Amsterdam en Haarlem had het licht vrij spel en de beweging van de trein gaf het geheel een onwerkelijk en dromerig karakter. Mijn medereiziger had nog niet bewogen, ze keek naar buiten. Ik had niet het idee dat ze iets van het kleurenwonder meekreeg. Ze staarde naar één plek in het raam, precies naar de sticker waarop staat dat je niets naar buiten mag gooien en ook niet uit het raam mag hangen. Betutteling. De aders op haar slanke handen waren opgezwollen van het krampachtig vasthouden van de telefoon. Er zat haar iets dwars, ik keek naar buiten naar de prachtige luchten en kleuren en in de reflectie van het raam zag ik vaag haar treurig starende onschuldige gezicht.
Mijn vader, bedacht ik ineens, zou gevraagd hebben “of er wat scheelde meisje?” Waarschijnlijk zou ze dan verteld hebben wat haar dwars zat. Zo’n man was ie . Ze zou vertellen dat ze op weg was naar het strand, om daar een wandeling te maken, een wandeling tot aan de zon. Ze vertelt:
“De populaire meiden in mijn klas lopen heel vaak met elkaar te smoezen, natuurlijk praten ze dan over mij. Dat voel je toch? En dan heb je ook nog die nieuwe leraar van Nederlands, die geeft mij altijd complimentjes en hij gebruikt bijna altijd mijn opstel als voorbeeld. Om de rest te laten zien hoe het moet. Te genant!”
“Iedereen denkt natuurlijk dat ik zijn lievelingetje ben of dat ik het met hem doe ofzo. Pfff, eikels. Dat is vast ook de reden dat die leuke jongen uit de andere klas niet naar me kijkt, dat hij zijn hoofd wegdraait als ik langsloop. De reden dat hij alleen maar staat te lachen met zijn vrienden als ik zijn aandacht probeer te trekken. “ Verzucht ze.
Papa zou begrijpend knikken en vragen of het thuis wel gezellig was.
“Thuis vraagt u? ach, daar zijn ze me ook liever kwijt dan rijk. Ze zijn al jaren geleden opgehouden met de schijn hoog te houden dat ze het gezellig hebben. Ik loop ze in de weg. Nee meneer dat valt niet mee………………. Mama vraagt me regelmatig wanneer ik van plan ben uit huis te gaan. Wanneer ik ze hun vrijheid eens gun………….. Daar wil ik ook niet meer heen.” Zegt ze zacht, door een in haar mondhoek gerolde traan heen.
“Dus Zandvoort it is!” zegt ze vast beraden. “ Eenmaal daar zijn ze allemaal van me af. Dan hebben ze op school tenminste echt iets om over te kletsen en kunnen de jongens om me lachen zonder dat ik het in de gaten heb. Dan kunnen de leraren eens iemand anders z’n opstel als voorbeeld nemen.”
“Dat opstel zal dan waarschijnlijk wel over mij gaan. Dat doen ze altijd, opstellen laten schrijven over recente gebeurtenissen.”
In Haarlem sta ik op, stap uit. Ik ben mijn vader niet. Als de trein wegrijdt zie ik haar zitten, starend naar buiten, schuin naar boven, ze glimlacht. De trein brengt haar naar de zee, de zon tegemoet.
vrijdag 20 mei 2011
De sleutelbos van één euro
Hij schuifelt de supermarkt in, niet goed wetend wat te doen. Links staan de mandjes en aan de rechterkant staan de winkelwagentjes. Hij kijkt nog eens op zijn lijstje en piekert er nog eens over terwijl de mensen achter hem niet door kunnen lopen. Een uitgewinkelde man biedt uitkomst, zijn niet terug geplaatste winkelwagentje rolt voor de voeten van de man. Hij grijpt zich vast en herkent er een rollator in.
Hij schuifelt achter zijn karretje door de winkel. Pad na pad loopt hij door, op zoek naar de spullen op zijn lijstje. Er zit nog niets in zijn wagentje. Op zijn corduroy broek zitten slijtplekken boven zijn knieën, waarschijnlijk van het wrijven over zijn pijnlijke gewrichten. Het opaatje staat al een tijdje stil bij de vleeswaren, hij kijkt nog eens naar zijn briefje en dan weer naar de vitrine. Hoofdschuddend loopt hij naar het volgende vak, thee en koffie. Hij heeft geen jas aan, het weer is best lekker maar het is niet iets voor mensen van zijn leeftijd om zonder jas het huis uit te gaan. Waar laat je dan per slot van rekening je portemonnee? Hij loopt daar in zijn overhemdje, hij heeft nog net geen pantoffels aan.
Ik ben het schuifelende mannetje even uit het oog verloren. Ik moet zelf toch ook het één en ander in mijn wagentje deponeren. Ah, daar gaat ie weer. Zonder karretje nu maar met een pakje hamlappen in zijn ene trillende hand en een sleutelbos in zijn andere. Hij is op weg naar de kassa.
Hij houdt de lappies in krampachtig vast en schrikt dus als mijn spullen, die dus op de band liggen, langs schuiven. “Ik wilde dit graag afrekenen mevrouw.” Zegt hij tegen de caissière. Op haar beurt zegt ze dat de hamlappen 1 euro kosten. Hij mompelt wat tegen het meisje en overhandigt haar zijn sleutelbos. Het meisje kijkt misprijzend in de handen van het inmiddels verwarde baasje en zegt dat ze een euro wil hebben en geen sleutelbos. Hij murmelt dat hij de sleutels wil achterlaten en dat hij thuis geld gaat halen, want hij is zijn portemonnee vergeten. Het kassameisje heeft geen idee waar hij het over heeft en dus herhaalt hij zijn, voor haar, onnavolgbare zinnen over de sleutels en de portemonnee.
Even, heel even denk ik heel nare dingen. Schiet verdomme eens op. Dan voel ik een losse euro in mijn broekzak, en denk: “Wat maakt die ene Euro eigenlijk uit?” Ik tik de man op zijn schouder, hij draait zich om en ik kijk in twee glazige paniekerige ogen. Hij wil zoveel zeggen maar het gaat niet helemaal meer. “Portemonnee vergeten,” zegt ie zacht. “Geeft niets meneer, dat kan iedereen gebeuren,” zeg ik terwijl ik de euro in zijn hand druk. Hij heeft het niet echt door, het kassameisje begrijpt het gelukkig wel en vraagt nog eens naar de sleutelbos. Hij laat de zijn hand zien met daarin de sleutels. “Kijk, er zit toch een euro tussen meneer, dat bedoelde u dus! Wilt u het bonnetje mee?” Het bonnetje hoeft hij niet, maakt hij duidelijk met een handgebaar. Hij pakt de hamlappen van de loopband en loopt weg, hij kijkt nog even om, dankbaar.
Mijn spulletjes gaan ondertussen langs de scanner, het kassameisje lacht begripvol naar me. “ach” stamel ik. Zachtjes tikt iemand op mijn schouder, ik draai me om. Een onvaste hand drukt een muntje van 50 cent in mijn handen. “Ik zou hetzelfde gedaan hebben jongen,”
Hij schuifelt achter zijn karretje door de winkel. Pad na pad loopt hij door, op zoek naar de spullen op zijn lijstje. Er zit nog niets in zijn wagentje. Op zijn corduroy broek zitten slijtplekken boven zijn knieën, waarschijnlijk van het wrijven over zijn pijnlijke gewrichten. Het opaatje staat al een tijdje stil bij de vleeswaren, hij kijkt nog eens naar zijn briefje en dan weer naar de vitrine. Hoofdschuddend loopt hij naar het volgende vak, thee en koffie. Hij heeft geen jas aan, het weer is best lekker maar het is niet iets voor mensen van zijn leeftijd om zonder jas het huis uit te gaan. Waar laat je dan per slot van rekening je portemonnee? Hij loopt daar in zijn overhemdje, hij heeft nog net geen pantoffels aan.
Ik ben het schuifelende mannetje even uit het oog verloren. Ik moet zelf toch ook het één en ander in mijn wagentje deponeren. Ah, daar gaat ie weer. Zonder karretje nu maar met een pakje hamlappen in zijn ene trillende hand en een sleutelbos in zijn andere. Hij is op weg naar de kassa.
Hij houdt de lappies in krampachtig vast en schrikt dus als mijn spullen, die dus op de band liggen, langs schuiven. “Ik wilde dit graag afrekenen mevrouw.” Zegt hij tegen de caissière. Op haar beurt zegt ze dat de hamlappen 1 euro kosten. Hij mompelt wat tegen het meisje en overhandigt haar zijn sleutelbos. Het meisje kijkt misprijzend in de handen van het inmiddels verwarde baasje en zegt dat ze een euro wil hebben en geen sleutelbos. Hij murmelt dat hij de sleutels wil achterlaten en dat hij thuis geld gaat halen, want hij is zijn portemonnee vergeten. Het kassameisje heeft geen idee waar hij het over heeft en dus herhaalt hij zijn, voor haar, onnavolgbare zinnen over de sleutels en de portemonnee.
Even, heel even denk ik heel nare dingen. Schiet verdomme eens op. Dan voel ik een losse euro in mijn broekzak, en denk: “Wat maakt die ene Euro eigenlijk uit?” Ik tik de man op zijn schouder, hij draait zich om en ik kijk in twee glazige paniekerige ogen. Hij wil zoveel zeggen maar het gaat niet helemaal meer. “Portemonnee vergeten,” zegt ie zacht. “Geeft niets meneer, dat kan iedereen gebeuren,” zeg ik terwijl ik de euro in zijn hand druk. Hij heeft het niet echt door, het kassameisje begrijpt het gelukkig wel en vraagt nog eens naar de sleutelbos. Hij laat de zijn hand zien met daarin de sleutels. “Kijk, er zit toch een euro tussen meneer, dat bedoelde u dus! Wilt u het bonnetje mee?” Het bonnetje hoeft hij niet, maakt hij duidelijk met een handgebaar. Hij pakt de hamlappen van de loopband en loopt weg, hij kijkt nog even om, dankbaar.
Mijn spulletjes gaan ondertussen langs de scanner, het kassameisje lacht begripvol naar me. “ach” stamel ik. Zachtjes tikt iemand op mijn schouder, ik draai me om. Een onvaste hand drukt een muntje van 50 cent in mijn handen. “Ik zou hetzelfde gedaan hebben jongen,”
Labels:
bejaarden,
Dementie. Hamlappen,
euro,
kassameisjes,
supermarkten
dinsdag 3 mei 2011
Een hemelse knipoog!
We hebben weer een nieuwe jongedame in de familie. Mijn zuster kan er kennelijk geen genoeg van krijgen en heeft anderhalf jaar na het eerste wonder de wereld een nieuwe schoonheid geschonken. Als ik bij haar aankom met twee nieuwe knuffels, die eerste moet natuurlijk ook een cadeautje anders voelt die zich misschien wel buitengesloten, is Lente nog niet eens in bad geweest. Ze is gezellig thuis geboren, dus iedereen kan het lekker rustig aan doen. Mama ligt uitgeteld op bed, Elin klimt op het bed en er weer af en er weer op en er weer af en de oma’s zetten thee en verzorgen de koekjes en papa doet dat eigenlijk ook.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik altijd een beetje onwennig ben met pasgeboren baby’tjes, alles is nog slap, je hebt eigenlijk een arm te weinig om alle onderdelen afdoende te ondersteunen en verder doet het nog niet zoveel. Niets eigenlijk. Ietwat onhandig pak haar over van oma, een kreuntje. Ik manoeuvreer d’r wat heen en weer om haar goed in mijn armen te leggen en om de omslagdoek goed op zijn plek te houden. Een iets harder kreuntje nu en een krijsje. Armpje dubbel. Met de zweetdruppels al op mijn hoofd frummel ik het armpje weer in de juiste positie. Uiteindelijk ligt de kleine frummel naar ieders tevredenheid in mijn armen en kan ik het eens goed bekijken. Natuurlijk is ze prachtig, en lief en schattig en al die andere dingen die je zegt op kraamvisite, maar met Lente heb ik iets speciaals.
Net als ik denk; ze doet me aan iemand denken…… nog geen 12 uur oud en ze doet me al aan iemand denken. Zegt Manon: “Vind je ook niet dat ze ontzettend aan papa doet denken?”
Verdomd, dat is het. Hoe jong Lente ook is, ze heeft onmiskenbaar al wat echte Van den Eijnde trekjes. Die bolle wangetjes, die lieve maar donkere onderzoekende ogen en die lippen zijn inieminie versies van die van papa (en die van mij en die van Manon).
Ze kijkt me aan (hou ik me voor) en ik word meegezogen in de fotoalbums en de familiekiekjes. Papa als baby, opgevoed door zijn grote zussen en dus ook wel eens gekleed in wat meisjesachtige pakjes. Jurkjes tot knickerbocker vermaakt en jasjes en shirtjes ontdaan van roesjes en frutsels zodat het wat jongensachtiger leek. Hij kijkt met bolle wangen, donkere onderzoekende ogen lief in de camera. Zijn bovenlipje hangt iets over de onderste. Ik ontwaak uit mijn gedachte en kijk naar bijna hetzelfde lieve gezichtje.
Ik kijk nog eens goed, aai de kleine hummel nog eens over d’r bolletje, pak d’r piepkleine handjes nog eens vast. Ze heeft verbazingwekkend lange vingers en dito nageltjes. Familietrekje. Het kan papa natuurlijk nooit zijn, het is immers een meisje.
“Nou ja,” zegt het valse stemmetje in mijn hoofd. “Hij viel uiteindelijk op mannen dus zo heel erg zal hij het niet vinden om in een vrouwenlichaam te zitten.”
Ik lach voorzichtig en beschaamd.
“Wat is er aan de hand?” vraagt Manon. “Doet ze gek?”
“Oh nee hoor, niks aan de hand, binnenpretje.”
Ik kijk weer naar dat kleine droppie in mijn armen. Haar oogjes zijn open. Ze kijkt me aan. En geeft me een dikke vette knipoog. Deze Lente is hoogstwaarschijnlijk een mooi nieuw begin.
Labels:
baby's,
begin,
geboorte,
lente,
nieuwe start,
reïncarnatie
donderdag 7 april 2011
Take me out to the ballgame!
Op een onbewaakt moment kwam het voorbij op de radio. Een zinnetje tussen twee liedjes door. ‘de New York Yankees komen naar Nederland.’ Ik stopte met waar ik mee bezig was, mijn hart maakte een sprongetje. Goh, de Yankees in Nederland, waarschijnlijk gaan ze dan spelen in Haarlem want wij hebben het enige echte honkbalstadion van Nederland. Verder wist er nog niets van, het bericht ging niet verder, of ik had de rest van het bericht niet gehoord. Het maakte me niet uit ook. De Yankees komen naar Nederland!!
Voor wie niet weet, wie of wat de Yankees zijn. Dat is het meest legendarische en spraakmakende honkbal team ter wereld, afkomstig uit, uiteraard, de Verenigde Staten. Ze spelen in de beste honkbalcompetitie van de wereld; de Major League. Daarbij hebben ze de meeste honkbalgeschiedenis en de waarschijnlijk ook de beste honkballers ooit, voortgebracht.
Daar moet ik bij zijn! Het is alweer een hele tijd geleden dat ik in een volgepakt honkbalstadion heb kunnen genieten van een potje honkbal.
Die dagen begonnen altijd hetzelfde: De slaapkamerdeur wordt luidruchtig geopend, waarmee niet alleen de enthousiast blaffende golden retriever Sacha binnenkomt maar ook de geur van vers gebakken pistoletjes. Ontbijten dus! Warme kleine stokbroodjes met roomboter en een glas melk en als we geluk hadden ook nog de metworst uit Duitsland. Dan douchen, aankleden en naar het stadion. Lekker op tijd, de beste plek scoren, nog een beetje een balletje gooien en handtekeningen jagen. Dan kijken naar de warming up van de teams, wie is er in vorm en wie niet. Mijn vader vult alvast de scorekaarten in en legt me nog maar eens uit hoe ik dat eventueel ook zelf zou kunnen doen. Mijn zusje doet nog alsof het haar iets interesseert maar gaat al snel op zoek naar het zusje van één van mijn honkbalteamgenootjes. Ik kijk alleen maar of er iemand tijdens het inslaan een bal over het hek ramt en naar het softbalteam dat ook een plekje aan het zoeken is. Als ik mijn vader lief aankijk dan krijg ik een paar gulden om droppies of chippies of een ijsje of een blikkie of iets anders lekkers te kopen. Ondertussen is ongetwijfeld de hele honkbal clan aangesloten, bestaande uit; tenminste zes familieleden, en ongeveer drie andere gezinnetjes. De avonden worden afgesloten met de ouders in een feesttent en wij eindeloos ballen overgooiend op het grote veld. Maar we dwalen af.
Ik realiseer me dat het zo niet meer zal gaan. God, ik had mijn telefoon al in mijn hand. “Pap, de Yankees komen naar Nederland, dit keer betaal ik!” Onverrichter zake haal ik mijn wijsvinger weer van het scherm. Zelfs de slimste Smartphone kan zijn nummer niet meer vinden. Mijn enthousiasme is lichtelijk afgenomen, hoe zou het zijn? Geen warme stokbroodjes, geen scorekaart, geen toegestoken guldens, geen hoempapa in een feesttent, geen ‘weetjenog’ pap? Ik zal niet meer aan mijn kraag omhoog getrokken worden als halverwege de zevende inning het ‘take me out to the Ballgame’ door de speakers schalt, omdat je dan gewoon even moet gaan staan. Aldus mijn vader.
Ik kijk naar mijn kleine nichtje. Ik kan de rol van gezellige verzorgende meesleur ouder ook gewoon op me nemen. Verzorg ik de broodjes, de snoepjes, blikje en koop ik de honkbalprullaria, bekijk ik de hele happening eens van de andere kant. Helaas,Ik denk dat meisjes van anderhalf nog niet zoveel lol beleven aan een dagje honkbalstadion.
Tot die tijd ben ik dus op zoek naar iemand die meegaat. Die geduldig luistert naar mijn enthousiaste tactische theorieën. Die me uitlegt hoe ik die stomme scorekaarten moet invullen. Die halverwege de zevende inning apathisch opstaat en die me ’s avonds, in mijn nieuwe in het stalletje achter het stadion voor veel te veel geld aangeschafte honkbalshirt,instopt.
Labels:
Haarlemse Honkbalweek,
Honkbal,
New York Yankees
donderdag 24 maart 2011
Mijn gevecht tegen een pijltje
Op de kilometerteller van mijn racefiets zitten verschillende functies. Naast het bijhouden van de huidige snelheid en de afgelegde afstand rekent het apparaat ook mijn gemiddelde snelheid uit. Niets bijzonders allemaal, als je je gemiddelde snelheid niet wilt zien dan druk je op een knop en komt er een ander getal tevoorschijn. Eentje die je vertelt hoeveel kilometers je hebt afgelegd, of hoe laat het is, zeg het maar. Er is echter altijd een pijltje naast de huidige snelheid. Deze wijst omhoog als je boven je gemiddelde snelheid rijdt of naar beneden als je langzamer gaat.
Vandaag was een heerlijke dag om een stukje te fietsen. Zonnetje, aardige temperatuur (ook af te lezen) en niet teveel wind. Vol goede moed en eigenlijk met weinig ambitie om records te breken trok ik eropuit. Door de bollenvelden richting Scheveningen. Het ging lekker, de snelheid was steeds rond de 32 kilometer per uur. Aangezien de weer apps op de telefoon aangaven dat ik onmogelijk wind mee kon hebben in deze richting maakte ik me geen zorgen. De terugweg zou immers dezelfde wind omstandigheden bieden. Lekker, goede benen dus! Ik schakelde een tandje bij want een keer een gemiddelde snelheid van 28 a 29 kilometer per uur is ook wel eens leuk.
In Scheveningen keert het tij. Als ik de duinen in rij voel ik ineens wind uit noordelijke richting, en nog een koude ook. Stug doortrappen, genieten van de omgeving, beetje om me heen kijken. Naar trekje van de duinen is dat de weg niet vlak is. De combinatie wind en oplopende weg doet de snelheid zakken. Het pijltje wijst dus welgevoegelijk naar beneden. Godver. Op de vlakke stukken en naar beneden krijg ik het net voor elkaar om het pijltje omhoog te laten wijzen, nipt. Normaal gesproken is de terugweg bedoeld om op een gemakkelijke manier je gemiddelde omhoog te krikken, niet om te vechten. Iedere wielrenner kijkt namelijk eerst goed waar de wind vandaan komt zodat je die in de rug hebt op de terugweg. Een klassieke fout.
In mijn hoofd vecht ratio met waanzin. De ratio zegt dat 26 ook een mooi gemiddelde is, maar de waanzin zegt dat 27.5 toch echt moet lukken. Ik probeer dus met man en macht met alles wat ik heb harder te fietsen dan 27.5. Ik laat me toch niet verslaan door zo’n stom pijltje?! De omgeving kan me gestolen worden, tegenliggers rij ik van de weg, en oudjes die wel genieten van de omgeving en dat persé over de hele breedte van het fietspad willen doen, krijgen een vloek en een dodelijke blik in het voorbijgaan. Bij Noordwijk kan ik niet meer, het pijltje wijst onverbiddelijk naar beneden, en blijft dat doen.
Het gemiddelde staat inmiddels op 26.8. De wind staat nu schuin in de rug. Ik ga het nog één keer proberen. Met een veel moeite haal ik 30/31 per uur, dus het moet lukken om nog naar 27 gemiddeld te komen (27 is een soort magische grens). Helaas, de scholen zijn net uit, de weg is overal opengebroken, automobilisten rijden in de weg als die kutscholieren het even niet doen. Thuis gekomen durf ik eindelijk naar het gemiddelde te kijken; 26.9 echt waar. Verloren van een pijltje
Vandaag was een heerlijke dag om een stukje te fietsen. Zonnetje, aardige temperatuur (ook af te lezen) en niet teveel wind. Vol goede moed en eigenlijk met weinig ambitie om records te breken trok ik eropuit. Door de bollenvelden richting Scheveningen. Het ging lekker, de snelheid was steeds rond de 32 kilometer per uur. Aangezien de weer apps op de telefoon aangaven dat ik onmogelijk wind mee kon hebben in deze richting maakte ik me geen zorgen. De terugweg zou immers dezelfde wind omstandigheden bieden. Lekker, goede benen dus! Ik schakelde een tandje bij want een keer een gemiddelde snelheid van 28 a 29 kilometer per uur is ook wel eens leuk.
In Scheveningen keert het tij. Als ik de duinen in rij voel ik ineens wind uit noordelijke richting, en nog een koude ook. Stug doortrappen, genieten van de omgeving, beetje om me heen kijken. Naar trekje van de duinen is dat de weg niet vlak is. De combinatie wind en oplopende weg doet de snelheid zakken. Het pijltje wijst dus welgevoegelijk naar beneden. Godver. Op de vlakke stukken en naar beneden krijg ik het net voor elkaar om het pijltje omhoog te laten wijzen, nipt. Normaal gesproken is de terugweg bedoeld om op een gemakkelijke manier je gemiddelde omhoog te krikken, niet om te vechten. Iedere wielrenner kijkt namelijk eerst goed waar de wind vandaan komt zodat je die in de rug hebt op de terugweg. Een klassieke fout.
In mijn hoofd vecht ratio met waanzin. De ratio zegt dat 26 ook een mooi gemiddelde is, maar de waanzin zegt dat 27.5 toch echt moet lukken. Ik probeer dus met man en macht met alles wat ik heb harder te fietsen dan 27.5. Ik laat me toch niet verslaan door zo’n stom pijltje?! De omgeving kan me gestolen worden, tegenliggers rij ik van de weg, en oudjes die wel genieten van de omgeving en dat persé over de hele breedte van het fietspad willen doen, krijgen een vloek en een dodelijke blik in het voorbijgaan. Bij Noordwijk kan ik niet meer, het pijltje wijst onverbiddelijk naar beneden, en blijft dat doen.
Het gemiddelde staat inmiddels op 26.8. De wind staat nu schuin in de rug. Ik ga het nog één keer proberen. Met een veel moeite haal ik 30/31 per uur, dus het moet lukken om nog naar 27 gemiddeld te komen (27 is een soort magische grens). Helaas, de scholen zijn net uit, de weg is overal opengebroken, automobilisten rijden in de weg als die kutscholieren het even niet doen. Thuis gekomen durf ik eindelijk naar het gemiddelde te kijken; 26.9 echt waar. Verloren van een pijltje
donderdag 17 februari 2011
De Finale
Welkom bij deze zonovergoten uitvoering van de Boogie extreme. De najaarsklassieker op Nederlandse en Belgische bodem. We pikken de koers op als de renners de finale van de finale in gaan. Het is een mooie en zware dag geweest voor de coureurs. Ondanks dat het een echte gentlemens is geweest tot nu toe zat alles er eigenlijk wel in. De renners gingen zelfs zo ver dat ze gezamenlijk een ketting hebben gerepareerd in het begin van de wedstrijd en hebben gewacht op een stomkop die zijn bidons was vergeten. Het leek er zelfs op dat ze hun stinkende best hebben gedaan om het peloton bij elkaar te houden, we hebben ze uitgebreid zien eten, drinken en plassen op de toppen van de vele colletjes zodat de mannen met slechtere benen terug konden komen. Drie renners springen er tot nu toe in positieve zin tussenuit: Eloy ten bos, Milan de Bie en Rogier van den Eijnde. Al babbelend en geinend reden zij tot nu in de buik van de groep. Commentatoren van dienst zijn M S en M D.
“Nog een meter of 50 en draaien ze de Keutenberg op, het begint meteen met een verschroeiend steil stuk, hier moet je vaart houden om de rest van de relatief makkelijkere klim te kunnen overleven.” Begint D.
“En dan zal het wel afgelopen zijn met gezapige gedoe lijkt me zo, of willen ze gedrieën hand in hand over de finisch?” gaat S verder. “Naar rechts, schakelen, naar links en dan gaat het los. Oei een schakel fout van de Bie, die had ik eigenlijk getipt voor de overwinning!”
“Hij had al vroeg ketting pech, dat kruipt in het hoofd en in de benen. Van den Eijnde is al de hoek om en ziet het niet, die wil de koers hard maken, eindelijk! Ten Bos reed ernaast en gaat hard door, zie je wat ie doet die rat, hij roept naar voren dat ze door moeten rijden! Hahaha. Prachtig. Weg zijn alle afspraken en vriendschappelijkheden.” Gaat D enthousiast te keer.
“Van den Eijnde lijkt een klein gaatje te slaan, dit is wel echt zijn terrein dat zie je duidelijk. Wist je trouwens dat hij bij mij in de straat woont? Echt een Haarlemse mug. Die kan dit, kom op jong!” Informeert S de kijker. “Ze zijn halverwege nu, het ergste is achter de rug maar de benen zijn al drie keer onploft lijkt me zo. Met wat voor hartslag rijden ze nu?
D:“Ik denk dat het wel tegen de 200 zal lopen, en ze zijn er nog niet, de wind staat op kop bovenop en ze moeten daar nog anderhalve kilometer vals plat voordat ze rechtsaf slaan. Dat is niet makkelijk herstellen. Daar kunnen ze die Lange terugpakken. Als de Bie terugkomt. Maar daar ziet het wel naar uit, die is met man en macht aan het terugvechten en komt redelijk snel de keutenberg op.”
S:“Hij is er, nu is het zaak om tempo te gaan maken voor de haarlemmer. Ten Bos zit er toch niet ver achter, die heeft dat grote lijf knap omhoog gewerkt hoor! Van den Eijnde lijkt te wachten, krijgt de grote versnelling niet echt rond. Hij wil waarschijnlijk in het wiel gaan hangen op dit stuk. En gaat dat ook doen.”
D:“Oei, hij houdt het wiel niet. Hij moet een gaatje laten. Ten bos is ook al zo naar de klote dat ie het niet ziet. Het zou verstandiger zijn als ie even zou wachten om die laatste tien km te overleven!” vindt D.
“Zou jij met die Lange naar de Cauberg rijden?” vraagt S. verbaasd.
“In dit geval zou ik het gokken, moet je zien, hij staat bijna stil nu! Hij lijkt wel een toerist!”lacht D.
S: Hij gokt dat Bossie een terugval krijgt en dat die andere haarlemmer terugkomt om er dan samen achteraan te kunnen. Van den Eijnde heeft per slot van rekening de ketting van de Bie gerepareerd. En dan wordt het weer een heel andere finale. Kijk daar is de Bie al, die komt als een duvel uit een doosje langs die Lange. Die schrok er van, zag je dat? Hij springt er achteraan, wat nou kapot! Hij gaat er naast rijden en lijkt te vragen waar dat nou op sloeg. Hij zegt: zit ik daar te wachten rij je me zo voorbij, De Bie gebaart dat ie ‘m niet gezien had, verwonderlijk. “
D: “Dit is echt het oude wielrennen, toneelspel en blufpoker! Haha, prachtig. Maar ze lijken elkaar gevonden te hebben en zetten de achtervolging in. Bietje lijkt de motor te zijn in deze achtervolging, van den Eijnde wil wel overnemen maar dat lukt niet. De koploper komt nu snel in zicht. Jezus wat rijdt die de Bie verschrikkelijk hard! Hij duikt als een tijger op zijn prooi.”
S: “Ze zijn er, en nu? Gaan ze naar elkaar kijken? Ze hebben niets te vrezen van de rest, die zijn in geen velden of wegen te bekennen. Of gaan ze elkaar het snot voor de ogen rijden. Bossie schrikt zich de kolere van de sneltrein die ineens naast ‘m opduikt, en hij ziet ook dat mijn buurman erbij zit. De moed zakt ‘m in de schoenen zo te zien. “
“Ze rijden door, ze gunden ‘m een smerige glimlach en ze rijden door! Niks wachten! Wat een finale, wat gebeurt hier allemaal!” Jubelt D.
S: “Ze zijn nog niet van ‘m af, hij pikt zijn wagonnetje aan. Ze rijden samen naar Valkenburg zo te zien. Dat lijkt me niet slim, van den Eijnde legt ze er met twee vingers in de neus op als het op een sprintje bergop aankomt! Ze rijden kop over kop, volle bak voorruit jongens!”
D:“Daar gaat Bossie, ze rijden elkaar helemaal naar de klote. Ze reageren allebei, van den Eijnde gaat er meteen weer overheen, hopend dat de twee anderen niet meer kunnen. De dood of de gladiolen!”
S:“Alle wieler logica wordt overboord gegooid, we vliegen van het oude wielrennen naar het nieuwe. Tactiek is ver te zoeken. Als ze zo door gaan moeten ze lopend de Cauberg op.”
D: “En ze zijn weer met zijn drietjes. Nu gaat de Bie, ze kijken naar elkaar, Van den Eijnde trekt er een kruis over. Die kan leven met een overwinning van de Bie. Die kennen elkaar ook al zo lang! Met de moed der wanhoop trekt Bossie zich op gang, van den Eijnde kruipt in zijn wiel. Vlak voor de afdaling naar Valkenburg komen ze weer bij elkaar. Ze lachen naar elkaar.“
S: “Nog 1km. afdalen en dan de laatste helling. Van den Eijnde laat een gaatje in de afdaling. Die wil zeker even herstellen, de beentjes los schudden en dan vanachter hun rug, als ze naar elkaar zitten te loeren, er overheen knallen!”
D: “Nou volgens mij is hij gewoon de lichtste en gaat hij dus iets minder hard naar beneden ondanks zijn aerodynamische wielen.”
S: “Ze zijn begonnen, de Bie voorop, ten Bos een paar meter daarachter, en weer daarachter van den Eijnde die best een gat heeft. De Bie geeft alles wat ie nog heeft, Bossie houdt het net zo te zien. Van den Eijnde danst op de pedalen en komt op het steile stuk dichterbij. Gaat ie het halen?”
D: “Als ze niet stilvallen niet vrees ik voor je. Je buurman delft het onderspit vandaag. De Bie trekt grimassen en valt stil, nog 100 meter. Van den Eijnde komt toch weer wat dichter, hij rijdt er 10 meter rijdt achter! Het publiek wordt gek! Ik ga naar buiten, dit moet ik live zien! Ik hou het niet meer!”
S: “Kom op jong, maak jezelf onsterfelijk! O nee, Bossie zet aan en gaat over de Bie heen. Aaaah, het kraakt maar het lukt! Bossie wint, de Bie twee en van den Eijnde drie. Mooie finale, om door een ringetje te halen! Verrassende winaar. Kijk ‘m lachen. En terecht, zijn eerste profkoers en meteen de bloemen! Hier zal in valkenburg nog lang over nagepraat worden!”
Labels:
Boogies extreme,
Cauberg,
Keutenberg,
Maarten Ducrot,
Mart Smeets,
Valkenburg,
wielrennen
zaterdag 22 januari 2011
Bij je verleden op bezoek.
“Hé hallo, hoe gaat het met je?
Ik sta in de deuropening en steek mijn hand uit.
“Goh, dat is lang geleden zeg! Hoelang is dat nu alweer? Zolang alweer? Nou ja, kom lekker binnen.”
Diep van binnen wil ik het liefst mijn armen om haar heen slaan en zeggen dat het allemaal verschrikkelijk is. En verschrikkelijk is het, alleen is mijn verschrikkelijk een andere dan haar verschrikkelijk. We geven elkaar een hand en onze gezichten neigen even naar elkaar. We bedenken ons, te vroeg, ongepast en niet het moment. Ik kijk rond, familieleden die ik al tijden niet heb gezien, staren me vanuit fotolijstjes aan. Ik zie een neef met twee puberende lachende meiden op een grasveld in de buurt. Hij heeft een leeftijd die ik niet heb meegemaakt. De oudste van de twee kinderen heb ik ooit nog op schoot gehad, als baby op één van de laatste zondagen dat ze op de koffie zijn geweest bij mijn vader . Ik zie een nicht die ik alleen maar kende als mijn neef, een neef waar ik erg tegenop keek, die ik wilde zijn (toen). Ik zie een oom, Henk, die er niet meer is. Ik zie hem in een rol die ik niet van hem ken. Hij staat vrolijk iets uit te leggen aan één van zijn kleinkinderen. Hij lacht. Dat is nieuw voor mij denk ik nog. “Ja, hij was dol op zijn kleine meiden,” zegt ze triest. “Altijd was hij met ze in de weer, alsof hij een vader voor ze was. Hij had natuurlijk ook al drie zonen.” Stilte…….. nou ja, twee, uiteindelijk.” Lacht ze schamper.
Aan een andere wand staat een bekend beeld, een aquarium. Ik weet nog goed dat ik daar als kind uren in kon kijken. Vooral de algeneters fascineerden mateloos. Voor het jonge broekie dat ik toen was leken die rare bruine stekelige vissen met hun vreemde zuignappen op buitenaardse wezens. Wezens die helemaal niet thuishoorden in die wonderlijke wereld van zacht wiegende fel groene planten, hysterisch gekleurde visjes en rustgevende kiezels.
“Wat drink je eigenlijk in je koffie jongen?” vraagt ze terecht. Ik schrik op uit mijn herinneringen en realiseer me dat ze nog nooit koffie voor me heeft gezet. Vooral het ‘jongen’ raakt me. Langzaam beginnen de oude verhoudingen weer op hun plek te vallen. “Alleen suiker tante Ria” roep ik naar de keuken. Ze zet de koffie neer, en doet de koektrommel open. Krakelingen, net als vroeger. Koffie, krakelingen, de gezichten van vroeger, ik heb het even zwaar. Ze ziet het en legt een hand op mijn knie. Ik kijk op en zie haar bekende gezicht, haar ogen zijn dezelfde als die ik mij herinner. Droef. Teveel gebeurd, teveel dat niet meer rechtgezet kan worden. Ze gaat naar de keuken om in een pan draadjesvlees te roeren.
Op de vraag waar het ooit is misgegaan komt maar half een antwoord. Geld, luidt de conclusie. Kinderachtigheid is de mijne. Ergens in het leven heeft ze besloten het contact met haar kleine broertje te verbreken. De maat was vol, het moest maar eens van zijn kant komen. “Ach,” zeg ik. “Gelukkig zijn we niet zo koppig met z’n allen.” “Maar hij draaide ook zijn hoofd weg als ik hem tegenkwam.” Zegt ze verontschuldigend. Vreemd, dat verhaal had ik al eens eerder gehoord. Op een ander moment, uit een andere mond. Ik besluit me er niet druk om te maken. Niet meer. Het heeft geen zin. Een pijnlijk misverstand.
We kijken naar een foto van de laatste familiepicknick, genomen niet lang voordat Henk, haar man, overleed. Een gelukkige familie. Al mijn neven en nichten staan erop. Er ontbreken wat gezichten. Mijn vader, mijn zus, ik. We kijken , en worden verdrietig. Alleen is mijn verdriet het hare niet.
Ik sta in de deuropening en steek mijn hand uit.
“Goh, dat is lang geleden zeg! Hoelang is dat nu alweer? Zolang alweer? Nou ja, kom lekker binnen.”
Diep van binnen wil ik het liefst mijn armen om haar heen slaan en zeggen dat het allemaal verschrikkelijk is. En verschrikkelijk is het, alleen is mijn verschrikkelijk een andere dan haar verschrikkelijk. We geven elkaar een hand en onze gezichten neigen even naar elkaar. We bedenken ons, te vroeg, ongepast en niet het moment. Ik kijk rond, familieleden die ik al tijden niet heb gezien, staren me vanuit fotolijstjes aan. Ik zie een neef met twee puberende lachende meiden op een grasveld in de buurt. Hij heeft een leeftijd die ik niet heb meegemaakt. De oudste van de twee kinderen heb ik ooit nog op schoot gehad, als baby op één van de laatste zondagen dat ze op de koffie zijn geweest bij mijn vader . Ik zie een nicht die ik alleen maar kende als mijn neef, een neef waar ik erg tegenop keek, die ik wilde zijn (toen). Ik zie een oom, Henk, die er niet meer is. Ik zie hem in een rol die ik niet van hem ken. Hij staat vrolijk iets uit te leggen aan één van zijn kleinkinderen. Hij lacht. Dat is nieuw voor mij denk ik nog. “Ja, hij was dol op zijn kleine meiden,” zegt ze triest. “Altijd was hij met ze in de weer, alsof hij een vader voor ze was. Hij had natuurlijk ook al drie zonen.” Stilte…….. nou ja, twee, uiteindelijk.” Lacht ze schamper.
Aan een andere wand staat een bekend beeld, een aquarium. Ik weet nog goed dat ik daar als kind uren in kon kijken. Vooral de algeneters fascineerden mateloos. Voor het jonge broekie dat ik toen was leken die rare bruine stekelige vissen met hun vreemde zuignappen op buitenaardse wezens. Wezens die helemaal niet thuishoorden in die wonderlijke wereld van zacht wiegende fel groene planten, hysterisch gekleurde visjes en rustgevende kiezels.
“Wat drink je eigenlijk in je koffie jongen?” vraagt ze terecht. Ik schrik op uit mijn herinneringen en realiseer me dat ze nog nooit koffie voor me heeft gezet. Vooral het ‘jongen’ raakt me. Langzaam beginnen de oude verhoudingen weer op hun plek te vallen. “Alleen suiker tante Ria” roep ik naar de keuken. Ze zet de koffie neer, en doet de koektrommel open. Krakelingen, net als vroeger. Koffie, krakelingen, de gezichten van vroeger, ik heb het even zwaar. Ze ziet het en legt een hand op mijn knie. Ik kijk op en zie haar bekende gezicht, haar ogen zijn dezelfde als die ik mij herinner. Droef. Teveel gebeurd, teveel dat niet meer rechtgezet kan worden. Ze gaat naar de keuken om in een pan draadjesvlees te roeren.
Op de vraag waar het ooit is misgegaan komt maar half een antwoord. Geld, luidt de conclusie. Kinderachtigheid is de mijne. Ergens in het leven heeft ze besloten het contact met haar kleine broertje te verbreken. De maat was vol, het moest maar eens van zijn kant komen. “Ach,” zeg ik. “Gelukkig zijn we niet zo koppig met z’n allen.” “Maar hij draaide ook zijn hoofd weg als ik hem tegenkwam.” Zegt ze verontschuldigend. Vreemd, dat verhaal had ik al eens eerder gehoord. Op een ander moment, uit een andere mond. Ik besluit me er niet druk om te maken. Niet meer. Het heeft geen zin. Een pijnlijk misverstand.
We kijken naar een foto van de laatste familiepicknick, genomen niet lang voordat Henk, haar man, overleed. Een gelukkige familie. Al mijn neven en nichten staan erop. Er ontbreken wat gezichten. Mijn vader, mijn zus, ik. We kijken , en worden verdrietig. Alleen is mijn verdriet het hare niet.
Labels:
draadjesvlees,
familiebezoek,
fotolijstjes,
herinneringen,
tante,
verleden tijd
Abonneren op:
Posts (Atom)

