Hij staat met zijn hoofd in zijn nek het puntje van de kerktoren te bekijken. Het is bijna nacht en de toren is prachtig verlicht. Door het licht zie je duidelijk dat het sneeuwt en het schouwspel kan als mysterieus worden omschreven.
De oude man staakt zijn getuur en mompelt dat ze verder gaan lopen. Hij pakt de rolstoel vast, draait deze de goede richting op en loopt over de Grote markt richting stadhuis. De man ziet er moe en onverzorgd uit, zijn kleding is ongewassen en zijn vlassige grijze baard staat al een paar dagen. Hij sloft achter de rolstoel aan alsof hij er liever zelf in zou zitten.
Hij strompelt langs de grote kerstboom die op het plein staat. "De boom staat er ook weer, Sinterklaas is koud het land uit en ze zijn alweer begonnen met de kerst. Het is wel een mooie dit jaar, veel mooier dan die van vorig jaar, zie je?" En hij richt de rolstoel richting de kerstboom om er even naar te kijken.
Na een paar tellen loopt hij weer verder. Zijn kleding is wat ongewassen maar van goede snit, verder oogt hij wat afwezig maar totaal niet dronken. Met zijn onderarmen leunend op de handvatten van de rolstoel rolt hij een shagje. "ja ja, ik weet het. Je gaat er dood van." Hij jaagt vuur in de sigaret en inhaleert diep. "ahhhh…. maar het is wel erg lekker!" mompelt hij tijdens het uitblazen van de rook.
Met het shagje in zijn linker mondhoek draait hij de rolstoel om en loopt verder over het plein. Een jonge knul op een fiets schiet rakelings langs hem. "Kijk uit je doppen ouwe!" Roept hij boos naar de oude man met de rolstoel. Die blijft verschrikt staan en vraagt zich af wat er zojuist gebeurde. "Het moet toch niet gekker worden hè?" Roept hij een beetje bozig. Zijn oude lijf en de rolstoel weerhouden hem ervan erachteraan te gaan. Vroeger, toen hij nog fit was en die rolstoel er nog niet was, was hij er wel achteraan gegaan. De kans is echter groot dat er toen niets gezegd werd, toen waren mensen eerder onder de indruk van hem dan dat ze hem uitscholden.
Voor het stadhuis kijkt hij naar de trap die naar de deur van de Ridderzaal loopt. "Weet je nog hoe we daar stonden te stralen? Wat een mooie dag was het toen hè? Kom we gaan nog eens op het bordes staan!" Zegt hij enthousiast.
Hij gaat met zijn rug naar de trap staan en met ieder stapje dat hij achteruit omhoog loopt tilt hij de rolstoel ook een trede verder, trede voor trede sleurt hij zichzelf en de rolstoel zo naar boven. "Je bent afgevallen," zegt hij terwijl hij de laatste trede overwint en op het bordes komt. Vorig jaar had ik dit niet gered denk ik. Toen woog je dubbel zoveel.
Daar staat hij dan. Jaren geleden stond hij hier samen, samen met haar, zijn vrouw. Mooie tijden waren dat. Ze straalden, keken naar de kerstboom die wel speciaal voor hun huwelijk leek neergezet. De oude man kijkt over het plein en naar de lege plek naast hem. Overmand door emotie verliest hij zijn balans. Net op tijd vindt zijn achterwerk de zitting van de lege rolstoel.
maandag 26 november 2012
Uitzichtloos
De straat is glimmend nat. De zon breekt bij lange na niet door de dichte mist heen die al dagen over de stad heen ligt. Als het leven niet figuurlijk uitzichtloos is dan is het dat wel letterlijk. Het is koud. Daar zit ze op de straat. Een vrouw van mijn eigen leeftijd, gekleed in drie jassen en voor zover ik kan zien minstens twee broeken over elkaar. Ze draagt twee verschillende schoenen. Naast haar staan drie grote boodschappen tassen van de Albert Heijn, gevuld met dekens en een dekzeil.
Ik loop op tien meter afstand en kijk haar aan, per ongeluk, te lang. Ze kijkt terug. Ik weet al waar dat op uit gaat draaien, een smeekbede om muntjes, de aanschaf van een daklozenkrant, of een tirade over hoe verrot deze wereld wel niet in elkaar zit. Ik kijk vlug weg, voel haar donkere ogen prikken als ik haar nader. Vanuit mijn ooghoeken probeer ik in te schatten wat er gaat gebeuren. Ze kijkt me aan, denkt na, vormt zich een beeld.
De priemende ogen dwingen me mijn pas in te houden en haar weer aan te kijken. Haar ogen staan fel maar triest, triest dat ik niet het lef had haar aan te kijken en fel omdat ik vermoed dat er nog iets van levenslust in haar geest zit. Misschien nog net genoeg om haar uit deze situatie te slepen of wellicht is het net genoeg om haar in leven te houden.
In de hoop dat het eerste het geval is stop ik voor haar neus en zeg haar gedag. “Ik ken jou wel," zegt ze lachend en beschuldigend. Jij zat ook op het SSG, net als ik.” Gaat ze haar verkapte beschuldiging verder. “Je herkent me toch nog wel? Ik zag meteen dat jij het was Rogier”
Ik zie ergens onder die capuchon en de wilde bos ongewassen haar wel iets bekends, en inderdaad zou het wel eens van de SSG kunnen zijn. Maar ja, ik zat daar bijna acht jaar op school en heb daar zoveel gezichten gezien en wellicht ook met zoveel meisjes contact gehad in intieme of minder intieme mate. Zou zij daar er één van kunnen zijn? Het was toch niet op één van die eindexamen feestjes waar we voor het eerst veel te veel gedronken hadden en waar er her en der voorzichtig wat gezoend werd. Ik kan mij niet voorstellen dat zij er één van was bedenk ik me als ik weer terugkeer uit mijn mijmeringen en terecht kom in haar aanblik. Natuurlijk, ze ziet er niet echt lekker fris uit nu maar ik kan er wel doorheen kijken. Nee, dit was geen meisje van wie ik het hart gebroken heb.
“Bianca toch?” probeer ik voorzichtig. Ergens hoop ik dat ik het mis heb want wil niet dat ze denkt dat ik altijd aan haar ben blijven denken, aan de andere kant vind ik het ook wel lullig als ik een totaal ander iemand voor ogen heb.
“ja! Wat leuk dat je dat nog weet. Hoe gaat het met je?” Vraagt ze naar de bekende weg. Ik was er al bang voor. Wat moet ik gaan zeggen tegen een zwerfster, een oud klasgenootje dat in mijn herinnering echt niet de slimste mooiste en meest ambitieuze meisje van de klas was. Maar waarvan ik ook niet had gedacht dat ze heel erg zou afglijden. Wat moest ik zeggen? Dat het zwaar was? Dat het iedere maand weer lastig is om alle rekeningen te betalen? Dat ik heel graag een ander huis wil omdat ik de plek waar ik nu woon een beetje zat ben? Dat ik even niet zo op mijn plek ben op mijn werk? Pfffff ik heb eten, liefde en een dak boven mijn hoofd. Alles wat zij niet heeft. Denk ik.
“Goed,” zeg ik dus naar waarheid. Automatisch komt de vraag: “En met jou?” bij me op. Ik slik hem nog net in. “Koffie?” vraag ik wijzend naar de Mc Donalds. “Want voor een biertje vind ik het nog wat te vroeg.” Probeer ik toch een tipje van de sluier opgelicht te krijgen over haar leefsituatie. Vurig hoop ik koffie, voor mijn eigen bestwil maar ook voor dat van haar.
“Als ik het dan toch voor het zeggen heb,” licht haar gezicht op, “dan lust ik wel een biertje.”
Ik loop op tien meter afstand en kijk haar aan, per ongeluk, te lang. Ze kijkt terug. Ik weet al waar dat op uit gaat draaien, een smeekbede om muntjes, de aanschaf van een daklozenkrant, of een tirade over hoe verrot deze wereld wel niet in elkaar zit. Ik kijk vlug weg, voel haar donkere ogen prikken als ik haar nader. Vanuit mijn ooghoeken probeer ik in te schatten wat er gaat gebeuren. Ze kijkt me aan, denkt na, vormt zich een beeld.
De priemende ogen dwingen me mijn pas in te houden en haar weer aan te kijken. Haar ogen staan fel maar triest, triest dat ik niet het lef had haar aan te kijken en fel omdat ik vermoed dat er nog iets van levenslust in haar geest zit. Misschien nog net genoeg om haar uit deze situatie te slepen of wellicht is het net genoeg om haar in leven te houden.
In de hoop dat het eerste het geval is stop ik voor haar neus en zeg haar gedag. “Ik ken jou wel," zegt ze lachend en beschuldigend. Jij zat ook op het SSG, net als ik.” Gaat ze haar verkapte beschuldiging verder. “Je herkent me toch nog wel? Ik zag meteen dat jij het was Rogier”
Ik zie ergens onder die capuchon en de wilde bos ongewassen haar wel iets bekends, en inderdaad zou het wel eens van de SSG kunnen zijn. Maar ja, ik zat daar bijna acht jaar op school en heb daar zoveel gezichten gezien en wellicht ook met zoveel meisjes contact gehad in intieme of minder intieme mate. Zou zij daar er één van kunnen zijn? Het was toch niet op één van die eindexamen feestjes waar we voor het eerst veel te veel gedronken hadden en waar er her en der voorzichtig wat gezoend werd. Ik kan mij niet voorstellen dat zij er één van was bedenk ik me als ik weer terugkeer uit mijn mijmeringen en terecht kom in haar aanblik. Natuurlijk, ze ziet er niet echt lekker fris uit nu maar ik kan er wel doorheen kijken. Nee, dit was geen meisje van wie ik het hart gebroken heb.
“Bianca toch?” probeer ik voorzichtig. Ergens hoop ik dat ik het mis heb want wil niet dat ze denkt dat ik altijd aan haar ben blijven denken, aan de andere kant vind ik het ook wel lullig als ik een totaal ander iemand voor ogen heb.
“ja! Wat leuk dat je dat nog weet. Hoe gaat het met je?” Vraagt ze naar de bekende weg. Ik was er al bang voor. Wat moet ik gaan zeggen tegen een zwerfster, een oud klasgenootje dat in mijn herinnering echt niet de slimste mooiste en meest ambitieuze meisje van de klas was. Maar waarvan ik ook niet had gedacht dat ze heel erg zou afglijden. Wat moest ik zeggen? Dat het zwaar was? Dat het iedere maand weer lastig is om alle rekeningen te betalen? Dat ik heel graag een ander huis wil omdat ik de plek waar ik nu woon een beetje zat ben? Dat ik even niet zo op mijn plek ben op mijn werk? Pfffff ik heb eten, liefde en een dak boven mijn hoofd. Alles wat zij niet heeft. Denk ik.
“Goed,” zeg ik dus naar waarheid. Automatisch komt de vraag: “En met jou?” bij me op. Ik slik hem nog net in. “Koffie?” vraag ik wijzend naar de Mc Donalds. “Want voor een biertje vind ik het nog wat te vroeg.” Probeer ik toch een tipje van de sluier opgelicht te krijgen over haar leefsituatie. Vurig hoop ik koffie, voor mijn eigen bestwil maar ook voor dat van haar.
“Als ik het dan toch voor het zeggen heb,” licht haar gezicht op, “dan lust ik wel een biertje.”
dinsdag 18 september 2012
Topsport en diabetes. Bestaat dat?!
De WK wielrennen in Valkenburg hadden een mooie primeur: De ploegentijdrit voor commerciële teams. De wereldpers liep vol enthousiasme uit om deze prachtige discipline te verslaan en mooie verhalen te maken over de renners en de ploegen die zich te pletter hebben gereden over de Limburgse heuvels.
32 teams gingen op zondag zestien september van start om geschiedenis te schrijven. De beste renners van de beste ploegen stonden aan de start. Nogmaals, een primeur en logischerwijs was de pers er al een tijdje druk mee.
Maar er was nog een primeur die niet veel mensen is opgevallen. Het niet zo grote Amerikaanse Team Type 1- Sanofi stond ook aan de start. Dit team is opgericht door Phil Southerland, een wielrenner met suikerziekte die tegen allerlei problemen opliep tijdens het uitoefenen van zijn sport. “Topsport? Dat kan helemaal niet als je diabetes type 1 hebt!” kreeg hij te horen. Sporten prima, maar in eigen tempo. Team Type 1 werd tot leven geroepen om te bewijzen dat diabeten met type 1 wel degelijk aan topsport kunnen doen.
De Nederlandse Suikerpatiënt Martijn Verschoor rijdt voor dit team en mocht starten in de ploegentijdrit. Ik kan mij sterk vergissen maar ik weet bijna zeker dat dit de eerste suikerpatiënt is die aan de wereldkampioenschappen wielrennen heeft deelgenomen. Dat lijkt mij eigenlijk niet geheel onbelangrijk, zeker niet als dit evenement ook nog eens in Nederland plaatsvindt.
Het had de NOS of Sporza of Eurosport gesierd als ze er tenminste een klein beetje aandacht aan hadden besteed. Hoe gaat zijn voorbereiding, waar moet hij onderweg nog aan denken? Hoe vaak test hij? spuit hij insuline bij? Of eet hij juist nog wat? Eerlijk gezegd vind ik dat er sowieso bar weinig aandacht is voor volksziekte nummer 1! (bijna dan) Het is nogal wat om de top van het wielrennen te bereiken, laat staan als je suikerziekte hebt. Dat vergt nog meer doorzettingsvermogen, nog meer ontberingen en nog meer frustratie dan het normaal gesproken al doet.
Maar daar reden ze dus, het team dat een mooie boodschap uitdraagt maar juist moet presteren om die boodschap goed uit te kunnen dragen. Ze rijden voor een statement en mochten dat doen voor het oog van de wereld.
Helaas startten ze vroeg, het publiek stond nog te keuvelen, het podium werd nog afgestoft, de camera mannen laadden hun materiaal nog uit en de journalisten deden nog een bakkie in de VIP tent. Team Type 1 werd genegeerd, hun verhaal werd niet opgeschreven toen ze totaal gesloopt en uitgewrongen als 31ste over de finish reden.
32 teams gingen op zondag zestien september van start om geschiedenis te schrijven. De beste renners van de beste ploegen stonden aan de start. Nogmaals, een primeur en logischerwijs was de pers er al een tijdje druk mee.
Maar er was nog een primeur die niet veel mensen is opgevallen. Het niet zo grote Amerikaanse Team Type 1- Sanofi stond ook aan de start. Dit team is opgericht door Phil Southerland, een wielrenner met suikerziekte die tegen allerlei problemen opliep tijdens het uitoefenen van zijn sport. “Topsport? Dat kan helemaal niet als je diabetes type 1 hebt!” kreeg hij te horen. Sporten prima, maar in eigen tempo. Team Type 1 werd tot leven geroepen om te bewijzen dat diabeten met type 1 wel degelijk aan topsport kunnen doen.
De Nederlandse Suikerpatiënt Martijn Verschoor rijdt voor dit team en mocht starten in de ploegentijdrit. Ik kan mij sterk vergissen maar ik weet bijna zeker dat dit de eerste suikerpatiënt is die aan de wereldkampioenschappen wielrennen heeft deelgenomen. Dat lijkt mij eigenlijk niet geheel onbelangrijk, zeker niet als dit evenement ook nog eens in Nederland plaatsvindt.
Het had de NOS of Sporza of Eurosport gesierd als ze er tenminste een klein beetje aandacht aan hadden besteed. Hoe gaat zijn voorbereiding, waar moet hij onderweg nog aan denken? Hoe vaak test hij? spuit hij insuline bij? Of eet hij juist nog wat? Eerlijk gezegd vind ik dat er sowieso bar weinig aandacht is voor volksziekte nummer 1! (bijna dan) Het is nogal wat om de top van het wielrennen te bereiken, laat staan als je suikerziekte hebt. Dat vergt nog meer doorzettingsvermogen, nog meer ontberingen en nog meer frustratie dan het normaal gesproken al doet.
Maar daar reden ze dus, het team dat een mooie boodschap uitdraagt maar juist moet presteren om die boodschap goed uit te kunnen dragen. Ze rijden voor een statement en mochten dat doen voor het oog van de wereld.
Helaas startten ze vroeg, het publiek stond nog te keuvelen, het podium werd nog afgestoft, de camera mannen laadden hun materiaal nog uit en de journalisten deden nog een bakkie in de VIP tent. Team Type 1 werd genegeerd, hun verhaal werd niet opgeschreven toen ze totaal gesloopt en uitgewrongen als 31ste over de finish reden.
Labels:
diabetes,
Limburg,
Martijn Verschoor,
Team Type 1,
Valkenburg,
WK wielrennen 2012
dinsdag 11 september 2012
Waarom varkens niet op het moslim menu staan
Onwennig openen ze het zware houten hek dat hen in een soort tussenruimte brengt. Het volgende zware houten hek leidt dan echt naar de plek waar ze moeten zijn. Daar waar de geiten, de kippen, de kalkoenen, de schaapjes, de konijntjes en de varkens lopen.
De kinderboerderij.
Hij heeft een lange jurk aan en een wit kanten petje op zijn hoofd, zijn baard is een centimeter of twintig lang. Zwart. Zijn vrouw ziet er heel normaal uit qua broek, alleen haar hoofd- en hals bedekkende satijnen hoofddoek steken een beetje af tegen de andere bezoekers. Ze pakken elkaars hand vast en lopen richting de schapen. Ze lezen aandachtig de informatiebordjes die bij de hokken staan. De hoofddoek van de vrouw bedekt nu ook haar neus. Het is een jong stel, hij een jaar of 26 en zij tikt net de twintig aan. Het is een mooi meisje denk ik, met hele grote amandelvormige diep bruine ogen. Ze lachen naar elkaar als ze weer de stallen uitlopen en bijna struikelen over een klein geitje dat op de grond in de zon ligt.
Een klein meisje vraagt ondertussen aan haar Crocs dragende moeder waarom die meneer een jurk draagt. De moeder moet het antwoord schuldig blijven waarop het meisje zelf maar vindt dat het een rare sinterklaas is. Ze gaat volledig voorbij aan de hoofddoek van de vrouw.
Eenmaal uitgelachen lopen ze verder naar de konijnen om daarna nog een kijkje te nemen bij de volière. De informatie bordjes worden weer aandachtig bekekenen en af en toe wijzen ze elkaar iets aan. Een vogel springt ineens onder de bladeren vandaan naar het hek van de volière, ze grijpt verschrikt haar man vast die haar teder omarmd.
Gearmd lopen ze door naar de grote modderpoel in het midden van de kinderboerderij. Drommen kinderen staan schreeuwend, gillend en giechelend aan het hek te kijken naar wat er zich afspeelt. Ze houden even halt, laten elkaar een moment los en kijken elkaar aan. Varkens. Wat te doen? Ze glimlachen begrijpend naar elkaar en houden elkaars hand stevig vast. Het moet er een keer van komen, nu dus.
In de hoek van de modderpoel staat een hele dikke zeug in haar eentje een beetje te rond te hangen. Niemand heeft verder oog voor haar want ze doet niets speciaals of bijzonders, ze staat daar maar. Ze lopen er naar toe, klamme hand in klamme hand, zij knijpt en hij knijpt harder terug. Met een korte gil corrigeert ze haar man, hij geeft haar een kus. De dikke zeug nadert en hun pas vertraagt. Het varken, niet echt een moslimfähig dier. Maar ja ze leven in een land van ham, varkenshaas en rollade, er moet dus wel iets goed zijn aan dat beest. Ze gaan het ontdekken.
Ten eerste vinden ze de stank van het varken in de modderpoel alleszins meevallen, veel minder dan voorgesteld in de Koran. Wat is er eigenlijk vies aan modder? Vragen ze zich allebei af. Ze staan aan het hek, het varken blijft stoïcijns op haar plek. Gelukkig maar. Ongemakkelijk draait de man op de ballen van de uit zijn jurk gestoken voeten. Hij kijkt nog eens goed naar het immense beest voor zijn ogen. Die kijkt terug en knort, het klinkt uitnodigend en vertrouwd. Hij kan het varken niet verafschuwen, hij kan niet vinden dat dit dier afschuwelijk is.
De vrouw ziet hem twijfelen en doet een stap verder naar voren richting het hek en het varken. Het varken schuurt op dat moment net even wat dichter tegen het hek. Het is onomkeerbaar: zijn vrije hand gaat richting hek en daarna er overheen. De islamitische hand komt terecht in de nek van het tegen het hek schurkende varken. Ze begint te knorren. Zijn hand schiet even omhoog, onwennig aan zoveel reactie op een aanraking. Voorzichtig legt hij zijn hand weer neer. De zeug beantwoordt dit met een luide knor en een harder schurken tegen het hek. De man pakt de vrije hand van de vrouw en in één gevouwen glijden hun handen over de rug van de zichtbaar genietende zeug. Vertwijfeld staan ze daar een varken te aaien. Ze vragen zich af wat het probleem is, zijn ze nu in overtreding? Mag dit? Is dit haram? Ze weten het niet.
Het deert ze eigenlijk niet meer. Het varken is er uitgebreid bij gaan liggen, die boeit het niet of ze in naam van God of Allah wordt geaaid. Ze zien het en geloven het wel. Varkens zijn leuk, daarom staan ze wellicht niet bij moslims op het menu.
De kinderboerderij.
Hij heeft een lange jurk aan en een wit kanten petje op zijn hoofd, zijn baard is een centimeter of twintig lang. Zwart. Zijn vrouw ziet er heel normaal uit qua broek, alleen haar hoofd- en hals bedekkende satijnen hoofddoek steken een beetje af tegen de andere bezoekers. Ze pakken elkaars hand vast en lopen richting de schapen. Ze lezen aandachtig de informatiebordjes die bij de hokken staan. De hoofddoek van de vrouw bedekt nu ook haar neus. Het is een jong stel, hij een jaar of 26 en zij tikt net de twintig aan. Het is een mooi meisje denk ik, met hele grote amandelvormige diep bruine ogen. Ze lachen naar elkaar als ze weer de stallen uitlopen en bijna struikelen over een klein geitje dat op de grond in de zon ligt.
Een klein meisje vraagt ondertussen aan haar Crocs dragende moeder waarom die meneer een jurk draagt. De moeder moet het antwoord schuldig blijven waarop het meisje zelf maar vindt dat het een rare sinterklaas is. Ze gaat volledig voorbij aan de hoofddoek van de vrouw.
Eenmaal uitgelachen lopen ze verder naar de konijnen om daarna nog een kijkje te nemen bij de volière. De informatie bordjes worden weer aandachtig bekekenen en af en toe wijzen ze elkaar iets aan. Een vogel springt ineens onder de bladeren vandaan naar het hek van de volière, ze grijpt verschrikt haar man vast die haar teder omarmd.
Gearmd lopen ze door naar de grote modderpoel in het midden van de kinderboerderij. Drommen kinderen staan schreeuwend, gillend en giechelend aan het hek te kijken naar wat er zich afspeelt. Ze houden even halt, laten elkaar een moment los en kijken elkaar aan. Varkens. Wat te doen? Ze glimlachen begrijpend naar elkaar en houden elkaars hand stevig vast. Het moet er een keer van komen, nu dus.
In de hoek van de modderpoel staat een hele dikke zeug in haar eentje een beetje te rond te hangen. Niemand heeft verder oog voor haar want ze doet niets speciaals of bijzonders, ze staat daar maar. Ze lopen er naar toe, klamme hand in klamme hand, zij knijpt en hij knijpt harder terug. Met een korte gil corrigeert ze haar man, hij geeft haar een kus. De dikke zeug nadert en hun pas vertraagt. Het varken, niet echt een moslimfähig dier. Maar ja ze leven in een land van ham, varkenshaas en rollade, er moet dus wel iets goed zijn aan dat beest. Ze gaan het ontdekken.
Ten eerste vinden ze de stank van het varken in de modderpoel alleszins meevallen, veel minder dan voorgesteld in de Koran. Wat is er eigenlijk vies aan modder? Vragen ze zich allebei af. Ze staan aan het hek, het varken blijft stoïcijns op haar plek. Gelukkig maar. Ongemakkelijk draait de man op de ballen van de uit zijn jurk gestoken voeten. Hij kijkt nog eens goed naar het immense beest voor zijn ogen. Die kijkt terug en knort, het klinkt uitnodigend en vertrouwd. Hij kan het varken niet verafschuwen, hij kan niet vinden dat dit dier afschuwelijk is.
De vrouw ziet hem twijfelen en doet een stap verder naar voren richting het hek en het varken. Het varken schuurt op dat moment net even wat dichter tegen het hek. Het is onomkeerbaar: zijn vrije hand gaat richting hek en daarna er overheen. De islamitische hand komt terecht in de nek van het tegen het hek schurkende varken. Ze begint te knorren. Zijn hand schiet even omhoog, onwennig aan zoveel reactie op een aanraking. Voorzichtig legt hij zijn hand weer neer. De zeug beantwoordt dit met een luide knor en een harder schurken tegen het hek. De man pakt de vrije hand van de vrouw en in één gevouwen glijden hun handen over de rug van de zichtbaar genietende zeug. Vertwijfeld staan ze daar een varken te aaien. Ze vragen zich af wat het probleem is, zijn ze nu in overtreding? Mag dit? Is dit haram? Ze weten het niet.
Het deert ze eigenlijk niet meer. Het varken is er uitgebreid bij gaan liggen, die boeit het niet of ze in naam van God of Allah wordt geaaid. Ze zien het en geloven het wel. Varkens zijn leuk, daarom staan ze wellicht niet bij moslims op het menu.
Labels:
djellaba,
hoofddoek,
kinderboerderij,
moslim,
varkens
dinsdag 14 augustus 2012
Mijn eerste keer met een Spaanse furie
Mijn eerste keer kan ik mij nog heel erg goed voor de geest halen helaas. Het was op een mooie warme dag in juni, de vijfde van die maand als ik mij goed kan herinneren. Ik was nog maar een broekie en had derhalve totaal geen ervaring, op wat droog oefenen in de aanloop naar het grote moment na dan. De afspraak was dat ze op een plekje aan het water zou staan, net buiten het dorp en vlak bij de haven. Dit was handig want er zijn daar in de buurt genoeg rustige plekjes om ongestoord te oefenen.
Opluchting als ik haar zie staan en verder niemand in de buurt die ons kan storen tijdens onze eerste stappen richting volwassenheid. Ze staat met haar kont naar me toe, haar mooie gezicht tuurt over het water. Godverdomme wat is ze mooi en godverdomme wat ben ik trots dat ik mijn eerste keer met haar mag beleven. Haar ronde vormen steken prachtig af tegen het scherpe zonlicht, mijn onderbuik roert zich en ik controleer een laatste keer of ik alle benodigdheden wel bij me heb. De schrik slaat toe als ik mij realiseer dat ik niet weet hoe dat ding ook alweer open gaat. Te laat, ik sta al vlak achter haar.
Ik loop om haar heen en bekijk haar aandachtig en monster gelijk de omgeving om mijn volgende stappen te plannen. De stappen die zo snel mogelijk naar het ultieme doel moeten leiden. De stappen die mij eindelijk verlossen van de last die op mijn schouders rust, de eerste keer is toch iets waar je jaren naar toe leeft, voor traint en oefent. Net als een Olympische sporter jaren toeleeft naar een plaats in een Olympische finale.
Als we linksaf slaan dan komen we heel snel op dat rustige weggetje met al die dijkjes en weilanden. Daar komt bijna niemand en kan ik dus rustig wennen aan de verschillende handelingen en wennen aan het gevoel van mijn Spaanse furie. Maar hoe kom ik hier weg? Ze staat op een soort hellinkje met haar neus naar het water. Het is ontegenzeggelijk een prachtig plekje maar handig is anders. Daar komt bij dat ik de hellingproef volgens mijn rij instructeur echt meester ben maar dat we hem nooit in zijn achteruit hebben gedaan. Laat staan op nat gras met de neus al bijna in het water. Ik hou echt van mijn moeder maar begrijp niet dat ze haar niet even achteruit heeft ingeparkeerd. Gewoon om mij een plezier te doen.
Affijn
Ik heb de deur open en ben druk bezig de stoel en de spiegels in te stellen op mijn lengte als er achter mij een hele grote vrachtauto gaat staan zodat ik ook nog eens een hele vreemde draai moet gaan maken. Het zweet breekt me uit. Eerst maar eens de motor starten. De auto schiet meteen vooruit en slaat af, hij stond in de versnelling. Precies zoals ik het niet geleerd heb van mijn rij instructeur. Van hem moest ik altijd de auto in zijn vrij en op de handrem parkeren in tegenstelling tot wat mijn moeder altijd van haar rij instructeur heeft geleerd. Kennelijk. Even opnieuw beginnen dan maar. Ik heb alles voor handen om een prachtig hoogtepunt te beleven, maar mijn lichaam en geest weigeren even dienst. Ik steek een sigaret op, moet even op adem komen.
De tweede poging verloopt iets beter al heb ik nog niet echt veel feeling met de combinatie koppeling/gaspedaal. Luid brullend rolt de auto langzaam achteruit, ik gooi het stuur om en ga veel te ver de bocht in, ik corrigeer en kom weer op het rechte pad.
We gaan vooruit.
Eindelijk schakel ik in de eerste versnelling laat de koppeling opkomen en geef te laat gas. Hots, bots, stil. Sneller gas geven dus om ook daadwerkelijk in beweging te komen. Na drie keer lukt het me om naar de tweede versnelling te schakelen en een beetje snelheid te maken, ik draai de weg op richting de weilanden. Een brede glimlach begroet me als ik in de achteruitkijkspiegel kijk, vrijheid. Ik gooi het raampje open, zet de stereo op tien en schakel naar zijn drie. Deel één van mijn volwassenheid is een feit, nu nog een keer een meisje scoren.
Opluchting als ik haar zie staan en verder niemand in de buurt die ons kan storen tijdens onze eerste stappen richting volwassenheid. Ze staat met haar kont naar me toe, haar mooie gezicht tuurt over het water. Godverdomme wat is ze mooi en godverdomme wat ben ik trots dat ik mijn eerste keer met haar mag beleven. Haar ronde vormen steken prachtig af tegen het scherpe zonlicht, mijn onderbuik roert zich en ik controleer een laatste keer of ik alle benodigdheden wel bij me heb. De schrik slaat toe als ik mij realiseer dat ik niet weet hoe dat ding ook alweer open gaat. Te laat, ik sta al vlak achter haar.
Ik loop om haar heen en bekijk haar aandachtig en monster gelijk de omgeving om mijn volgende stappen te plannen. De stappen die zo snel mogelijk naar het ultieme doel moeten leiden. De stappen die mij eindelijk verlossen van de last die op mijn schouders rust, de eerste keer is toch iets waar je jaren naar toe leeft, voor traint en oefent. Net als een Olympische sporter jaren toeleeft naar een plaats in een Olympische finale.
Als we linksaf slaan dan komen we heel snel op dat rustige weggetje met al die dijkjes en weilanden. Daar komt bijna niemand en kan ik dus rustig wennen aan de verschillende handelingen en wennen aan het gevoel van mijn Spaanse furie. Maar hoe kom ik hier weg? Ze staat op een soort hellinkje met haar neus naar het water. Het is ontegenzeggelijk een prachtig plekje maar handig is anders. Daar komt bij dat ik de hellingproef volgens mijn rij instructeur echt meester ben maar dat we hem nooit in zijn achteruit hebben gedaan. Laat staan op nat gras met de neus al bijna in het water. Ik hou echt van mijn moeder maar begrijp niet dat ze haar niet even achteruit heeft ingeparkeerd. Gewoon om mij een plezier te doen.
Affijn
Ik heb de deur open en ben druk bezig de stoel en de spiegels in te stellen op mijn lengte als er achter mij een hele grote vrachtauto gaat staan zodat ik ook nog eens een hele vreemde draai moet gaan maken. Het zweet breekt me uit. Eerst maar eens de motor starten. De auto schiet meteen vooruit en slaat af, hij stond in de versnelling. Precies zoals ik het niet geleerd heb van mijn rij instructeur. Van hem moest ik altijd de auto in zijn vrij en op de handrem parkeren in tegenstelling tot wat mijn moeder altijd van haar rij instructeur heeft geleerd. Kennelijk. Even opnieuw beginnen dan maar. Ik heb alles voor handen om een prachtig hoogtepunt te beleven, maar mijn lichaam en geest weigeren even dienst. Ik steek een sigaret op, moet even op adem komen.
De tweede poging verloopt iets beter al heb ik nog niet echt veel feeling met de combinatie koppeling/gaspedaal. Luid brullend rolt de auto langzaam achteruit, ik gooi het stuur om en ga veel te ver de bocht in, ik corrigeer en kom weer op het rechte pad.
We gaan vooruit.
Eindelijk schakel ik in de eerste versnelling laat de koppeling opkomen en geef te laat gas. Hots, bots, stil. Sneller gas geven dus om ook daadwerkelijk in beweging te komen. Na drie keer lukt het me om naar de tweede versnelling te schakelen en een beetje snelheid te maken, ik draai de weg op richting de weilanden. Een brede glimlach begroet me als ik in de achteruitkijkspiegel kijk, vrijheid. Ik gooi het raampje open, zet de stereo op tien en schakel naar zijn drie. Deel één van mijn volwassenheid is een feit, nu nog een keer een meisje scoren.
Labels:
autorijden,
De eerste keer,
Seat Ibiza
donderdag 7 juni 2012
Aanrijding met een persoon
Bam, kletter, Piep. Stenen vliegen tegen en langs de ruiten van de trein. Een andere trein komt hard toeterend tegemoet en dendert door. Onze trein is vol in de ankers, hotst en botst.
We staan stil, en heel even is het ook doodstil in de volle coupé. Verbazingwekkend toch, Nederlanders houden over het algemeen nooit hun muil. Maar goed, de stilte duurt uiteraard niet lang. Nadat vragende blikken gewisseld zijn van eigenaar komt het krakende antwoord uit de intercom.
Aanrijding met een persoon. Alweer.
Een zucht raast door de trein, van opluchting lijkt het haast. Er is in ieder geval echt iets aan de hand. De reacties die hier op volgen zijn verschillend te noemen, emoties nemen toch even de overhand als het lichaam vol zit met adrenaline van de schrik. Een dame voor mij: “O nee, wat erg, wat erreg.” Terwijl ze haar hoofd hoofdschuddend in haar handen legt. De man daarachter: “Godver! Het is toch niet te geloven!” Waarbij hij zijn hoofd hard naar achteren brengt en tegen de hoofdsteun bonkt en met zijn krant hard op zijn schoot slaat. Verder reageert niemand echt op elkaar. De meeste interactie is er met mensen die er verder helemaal geen ene moer mee te maken hebben.Via de telefoon dus.
Buiten regent het pijpestelen en een blik op de hemel levert niet de gewenste bevestiging op dat dit een tijdelijk buitje betreft. Het is windstil en de lucht zit potdicht. Twee dames achter mij zien de lol van deze situatie wel in en menen lachend dat ze toch wel een gratis bakkie koffie hebben verdiend. "Een bakkie troost", zoals ze er grinnekend en trots op zoveel spitsvondigheid aan toevoegen.
Buiten komt alles op gang nu. Brandweer, politie en ambulance personeel lopen af en aan. Snuffelen onder de trein, overleggen met elkaar en gooien gevonden voorwerpen in een bak met een doek er overheen. Twee jonge meiden overleggen ook met elkaar; welke van de uniformen is het knapst. Je moet wat om de tijd te doden.
De bloemen in het weiland langs het spoor hebben hun mooie kopjes laten hangen, zelfs de klaprozen langs het spoor willen het niet zien, en wenden hun blik af. Voorbij rijdend verkeer blijft juist even stil staan om de, hoogstwaarschijnlijk, fel rode punt van de trein te aanschouwen. Het moet een luguber gezicht zijn. Een bevriende ambulance broeder heeft wel eens gezegd dat het net is alsof er iemand door een vergiet is gedrukt.
Ondertussen heb ik begrepen dat het om een 18 jarige jongen gaat. Hij stuurde zijn ouders nog een laatste sms-je. waarschijnlijk met locatie.
ACHTTIEN jaar!
Eerder op de dag toen ik nog in de trein zat vroeg ik mij nog af wat iemand er toe zou kunnen zetten om zulks te ondernemen. Schulden, werkeloos, je kinderen niet meer kunnen voeden, etc. Allemaal geld gerelateerde zaken, geïndoctrineerd als we allemaal zijn door de financiële crisis. Nu komt er ineens een heel ander palet aan redenen voor de geest. Had hij last van alles verslindend liefdesverdriet? Of werd hij zo erg getreiterd op school dat zijn enige verlichting de dood was? Werd hij misbruikt? Vroeger, of nog steeds. Was hij nog maagd en dacht hij dat dit echt niet meer kon op zijn leeftijd? Hoe het ook zij. Iets was erg genoeg om alle realiteitszin te verliezen. Om geen rekening meer te kunnen houden met machinist, reizigers, lotvallige toeschouwers, zijn ouders.
Hij sprong vanachter een electriciteitshuisje of iets dergelijks het spoor op toen de trein in volle vaart aan kwam razen. Hoeveel treinen zou hij voorbij hebben laten gaan voordat hij deze uitkoos?
Terug in de trein. Het zuchten en steunen begint de overhand te nemen. Er wordt heftig getelefoneerd met leidinggevenden, er worden verhaaltjes in boekjes geschreven, er wordt veel op horloges gekeken. Gedempte gesprekken worden om de haverklap overstemd door laag overrazende vliegtuigen.
Buiten, in de zeikende regen, loopt een puberig meisje over de verlaten landweg. Ze slentert alsof het zonnetje schijnt en weet waar ze heen loopt. Ze is geheel in het zwart gekleed, haar gitzwarte haar steekt hard af tegen haar bleke gezicht. Ze stopt om naar de trein en het tumult te kijken. Ze pakt haar telefoon en maakt een foto, onbewogen. Naast haar een man en een vrouw, jaar of veertig, gearmd, schokkend, ontroostbaar.
We staan stil, en heel even is het ook doodstil in de volle coupé. Verbazingwekkend toch, Nederlanders houden over het algemeen nooit hun muil. Maar goed, de stilte duurt uiteraard niet lang. Nadat vragende blikken gewisseld zijn van eigenaar komt het krakende antwoord uit de intercom.
Aanrijding met een persoon. Alweer.
Een zucht raast door de trein, van opluchting lijkt het haast. Er is in ieder geval echt iets aan de hand. De reacties die hier op volgen zijn verschillend te noemen, emoties nemen toch even de overhand als het lichaam vol zit met adrenaline van de schrik. Een dame voor mij: “O nee, wat erg, wat erreg.” Terwijl ze haar hoofd hoofdschuddend in haar handen legt. De man daarachter: “Godver! Het is toch niet te geloven!” Waarbij hij zijn hoofd hard naar achteren brengt en tegen de hoofdsteun bonkt en met zijn krant hard op zijn schoot slaat. Verder reageert niemand echt op elkaar. De meeste interactie is er met mensen die er verder helemaal geen ene moer mee te maken hebben.Via de telefoon dus.
Buiten regent het pijpestelen en een blik op de hemel levert niet de gewenste bevestiging op dat dit een tijdelijk buitje betreft. Het is windstil en de lucht zit potdicht. Twee dames achter mij zien de lol van deze situatie wel in en menen lachend dat ze toch wel een gratis bakkie koffie hebben verdiend. "Een bakkie troost", zoals ze er grinnekend en trots op zoveel spitsvondigheid aan toevoegen.
Buiten komt alles op gang nu. Brandweer, politie en ambulance personeel lopen af en aan. Snuffelen onder de trein, overleggen met elkaar en gooien gevonden voorwerpen in een bak met een doek er overheen. Twee jonge meiden overleggen ook met elkaar; welke van de uniformen is het knapst. Je moet wat om de tijd te doden.
De bloemen in het weiland langs het spoor hebben hun mooie kopjes laten hangen, zelfs de klaprozen langs het spoor willen het niet zien, en wenden hun blik af. Voorbij rijdend verkeer blijft juist even stil staan om de, hoogstwaarschijnlijk, fel rode punt van de trein te aanschouwen. Het moet een luguber gezicht zijn. Een bevriende ambulance broeder heeft wel eens gezegd dat het net is alsof er iemand door een vergiet is gedrukt.
Ondertussen heb ik begrepen dat het om een 18 jarige jongen gaat. Hij stuurde zijn ouders nog een laatste sms-je. waarschijnlijk met locatie.
ACHTTIEN jaar!
Eerder op de dag toen ik nog in de trein zat vroeg ik mij nog af wat iemand er toe zou kunnen zetten om zulks te ondernemen. Schulden, werkeloos, je kinderen niet meer kunnen voeden, etc. Allemaal geld gerelateerde zaken, geïndoctrineerd als we allemaal zijn door de financiële crisis. Nu komt er ineens een heel ander palet aan redenen voor de geest. Had hij last van alles verslindend liefdesverdriet? Of werd hij zo erg getreiterd op school dat zijn enige verlichting de dood was? Werd hij misbruikt? Vroeger, of nog steeds. Was hij nog maagd en dacht hij dat dit echt niet meer kon op zijn leeftijd? Hoe het ook zij. Iets was erg genoeg om alle realiteitszin te verliezen. Om geen rekening meer te kunnen houden met machinist, reizigers, lotvallige toeschouwers, zijn ouders.
Hij sprong vanachter een electriciteitshuisje of iets dergelijks het spoor op toen de trein in volle vaart aan kwam razen. Hoeveel treinen zou hij voorbij hebben laten gaan voordat hij deze uitkoos?
Terug in de trein. Het zuchten en steunen begint de overhand te nemen. Er wordt heftig getelefoneerd met leidinggevenden, er worden verhaaltjes in boekjes geschreven, er wordt veel op horloges gekeken. Gedempte gesprekken worden om de haverklap overstemd door laag overrazende vliegtuigen.
Buiten, in de zeikende regen, loopt een puberig meisje over de verlaten landweg. Ze slentert alsof het zonnetje schijnt en weet waar ze heen loopt. Ze is geheel in het zwart gekleed, haar gitzwarte haar steekt hard af tegen haar bleke gezicht. Ze stopt om naar de trein en het tumult te kijken. Ze pakt haar telefoon en maakt een foto, onbewogen. Naast haar een man en een vrouw, jaar of veertig, gearmd, schokkend, ontroostbaar.
Labels:
aanrijding met persoon.,
achttien jaar,
coupé,
haarlem,
halfweg,
jongen,
sloterdijk,
springer,
Trein,
zelfmoord
donderdag 10 mei 2012
Verhuis verrassingen
Ik trek een lade open, of beter ik trek een lade uit de kast. We gaan mijn vader verhuizen en dus is het handig als de kasten allemaal zoveel mogelijk leeg zijn. Dat tilt prettiger.
“Nee, laat die nog maar even zitten…….” Sterft zijn stem weg als hij ziet dat de lade er al uit is. “Die moesten nog uitgezocht worden, dat kan ik beter even zelf doen,”
Als ik in het laatje kijk wordt duidelijk waarom. Ik schiet woest in de lach. Ik herinner mij nog heel erg goed hoe ik als puber altijd heel erg mijn best deed om te voorkomen dat hij er achter kwam dat ik het deed. “Ik breek allebei je benen als ik erachter kom, dat doe je maar lekker als je het huis uit bent. En denk erom, ik ruik het direct!”
Zijn woorden maakten nogal indruk en ik geloofde heilig dat hij het meende. Alles deed ik eraan om er voor te zorgen dat hij het niet rook. Zo likte ik de hele weg naar huis als een idioot aan mijn vingers om de geur maar weg te likken. Niet dat ik er van uit ging dat meneer nog wakker zou zijn om half vier ’s nachts, maar goed, ik wilde er 's morgens niet nog naar ruiken. Op zich was het likken niet eens zo erg, het was altijd wel een prettig apart smaakje.
Verder fietste ik altijd met mijn neus in de wind. In de veronderstelling dat de geur er dan wel uit zou waaien. Uit mijn toen nog rijkelijk aanwezige haar bedoel ik dan. Eenmaal thuis kwam ik er over het algemeen achter dat iedereen al rustig in diepe slaap was. Languit op de bank rookte ik dan nog een sigaretje uit het pakje van mijn vader (dat mocht ik dan weer wel van hem) en schonk nog een biertje in. Om eens rustig na te genieten van de mooie avond. Hij is er nooit achter gekomen.
Dacht ik
“Wat sta je nou te lachen?” Vraagt mijn inmiddels stuk oudere vader aan zijn inmiddels volwassen zoon. “Nou pap,” twijfel ik even over de toon die ik aan zou moeten slaan. “Ik heb jarenlang mijn best gedaan om er voor te zorgen dat je zou denken dat ik dit nog nooit gedaan had.” Zeg ik inmiddels best wel over mijn zeik. “En wat vind ik hier in dit laatje? Je hebt me gewoon jarenlang in de zeik genomen!” Even waan ik mij mijn vader die tegen zijn zoon tekeer gaat en realiseer me dat het nergens op slaat.
Hij kijkt me geamuseerd vanaf de bank aan, een dikke wolk rook verlaat zijn neusgaten als hij probeert zijn lach in te houden. “Waar heb je het in godsnaam over jongen? Dacht je echt dat ik het niet wist? Zulke dingen weet een vader gewoon. Ik verbaasde me er nog over dat je echt geloofde dat ik je benen zou breken. Het was wel aandoenlijk hoe je je best deed de sporen te wissen, maar ik zag het aan je ogen. Je deed het gelukkig niet teveel, dus mijn dreigementen misten niet hun doel!” Neemt hij de rol van papa weer soepeltjes over. “En dat daar is niet van mij maar van een vriendje van me.”
En daar sta ik dan met mijn grote mond. In mijn handen bungelen de zojuist gevonden grote vloei, en het zakje wiet.
“Nee, laat die nog maar even zitten…….” Sterft zijn stem weg als hij ziet dat de lade er al uit is. “Die moesten nog uitgezocht worden, dat kan ik beter even zelf doen,”
Als ik in het laatje kijk wordt duidelijk waarom. Ik schiet woest in de lach. Ik herinner mij nog heel erg goed hoe ik als puber altijd heel erg mijn best deed om te voorkomen dat hij er achter kwam dat ik het deed. “Ik breek allebei je benen als ik erachter kom, dat doe je maar lekker als je het huis uit bent. En denk erom, ik ruik het direct!”
Zijn woorden maakten nogal indruk en ik geloofde heilig dat hij het meende. Alles deed ik eraan om er voor te zorgen dat hij het niet rook. Zo likte ik de hele weg naar huis als een idioot aan mijn vingers om de geur maar weg te likken. Niet dat ik er van uit ging dat meneer nog wakker zou zijn om half vier ’s nachts, maar goed, ik wilde er 's morgens niet nog naar ruiken. Op zich was het likken niet eens zo erg, het was altijd wel een prettig apart smaakje.
Verder fietste ik altijd met mijn neus in de wind. In de veronderstelling dat de geur er dan wel uit zou waaien. Uit mijn toen nog rijkelijk aanwezige haar bedoel ik dan. Eenmaal thuis kwam ik er over het algemeen achter dat iedereen al rustig in diepe slaap was. Languit op de bank rookte ik dan nog een sigaretje uit het pakje van mijn vader (dat mocht ik dan weer wel van hem) en schonk nog een biertje in. Om eens rustig na te genieten van de mooie avond. Hij is er nooit achter gekomen.
Dacht ik
“Wat sta je nou te lachen?” Vraagt mijn inmiddels stuk oudere vader aan zijn inmiddels volwassen zoon. “Nou pap,” twijfel ik even over de toon die ik aan zou moeten slaan. “Ik heb jarenlang mijn best gedaan om er voor te zorgen dat je zou denken dat ik dit nog nooit gedaan had.” Zeg ik inmiddels best wel over mijn zeik. “En wat vind ik hier in dit laatje? Je hebt me gewoon jarenlang in de zeik genomen!” Even waan ik mij mijn vader die tegen zijn zoon tekeer gaat en realiseer me dat het nergens op slaat.
Hij kijkt me geamuseerd vanaf de bank aan, een dikke wolk rook verlaat zijn neusgaten als hij probeert zijn lach in te houden. “Waar heb je het in godsnaam over jongen? Dacht je echt dat ik het niet wist? Zulke dingen weet een vader gewoon. Ik verbaasde me er nog over dat je echt geloofde dat ik je benen zou breken. Het was wel aandoenlijk hoe je je best deed de sporen te wissen, maar ik zag het aan je ogen. Je deed het gelukkig niet teveel, dus mijn dreigementen misten niet hun doel!” Neemt hij de rol van papa weer soepeltjes over. “En dat daar is niet van mij maar van een vriendje van me.”
En daar sta ik dan met mijn grote mond. In mijn handen bungelen de zojuist gevonden grote vloei, en het zakje wiet.
Locatie:
Haarlem, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)


