Hij zit daar op het bankje tegenover de lagere school, diep weggedoken in de capuchon van zijn trui. Over die trui draagt hij nog een dikke vieze jas. Het is herfst en er hangt regen in de lucht. De eerste bladeren beginnen al te vallen, de lucht is kortom zwanger met de aankomende koude. Hij staart naar de grote dichte deur van het kleine schooltje. De deur die weldra open zal gaan om een meute van vreugde schreeuwende kinderen los te laten. Hij zit daar voor dat ene kleine lieve meisje, met die lieve blonde staartjes en die onschuldige blauwe kijkers. Die kijkers die hem zo aan zichzelf doen denken. Het beeld doet zijn maag samentrekken, een traan zoekt zijn weg door de diepe vieze groeven die zijn gezicht tekenen.
“Waar ging het mis?” Denkt hij voor de zoveelste keer bij zichzelf. "Was het die laatste vijf gulden munt? Die munt die eigenlijk voor de boodschappen was maar die ook echt de uitweg uit de ellende leek te zijn, deze keer echt! De munt die verdween in dat verschrikkelijke apparaat bij de snackbar, net als al die andere laatste vijf gulden munten die daar in die gleuf verdwenen?" Hij zucht vol spijt.
Het is bijna zover, als hij heel goed luistert dan hoort hij de stoelen in het schooltje al schuiven. Hoort hij hoe de boekjes in de kleine tasjes verdwijnen en hoe het de kinderstemmetjes zich langzaam van fluistertoon naar hoger volume vervormen. En hoe de juf tot het laatste moment de orde probeert te bewaren.
De opwinding in de klas slaat op hem over, hij gaat eens verzitten. Zijn blik wordt strakker richting de grote deur, zijn oren gespitst op de bel die weldra gaat rinkelen, ter inleiding van het weekend, van het moment dat hij haar ziet lopen.
"Ging het misschien mis bij dat ‘ene’ biertje in het café van ome Cor? Dat ene biertje dat altijd een tweede, derde, vierde en weet ik niet hoeveelste werd? Zou kunnen denkt jij treurig terwijl hij nog een slok van zijn bier neemt en inschat of hij nog een sjeggie zal draaien of dat hij moet wachten omdat de dag nog lang is en hij niet weet of hij daar wel genoeg voor heeft. Hij rolt er nog één en besluit er extra van te genieten.
"Of ging het daarvoor al mis, op zijn werk, toen hij zijn duim eraf zaagde. Wat was dat een bloedbad. Ze hebben de duim niet eens meer teruggevonden. Maar ja. Hij was wel direct uit de roulatie en zonder werk. God wat miste hij het samen zijn met de jongens aan de werkbank, in de kantine, na het werk, wat mistte hij het contact. Ineens moest hij zichzelf vermaken. Zijn vrouw kon er niets mee. En was binnen de kortste keren vertrokken met zijn dochter. Ze had gelijk ook, achteraf. Wat deed hij nou helemaal?" Gokken en drinken. Het leek allemaal zo onschuldig, ooit.
Andere ouders hebben zich verzamelt rondom het schoolpleintje. Hij hoort ze denken: wat moet die vent? En:”Is dat niet die dronkaard die hier elke dag zit? Daar zouden ze toch eens iets aan moeten doen!” Ach, hij is het gewend ondertussen. De vooroordelen.
De bel klinkt. De kinderen rennen de school uit, gillend, schreeuwend! Wel twee hele dagen vrij! Een klein meisje met twee blonde staartjes en hel blauwe ogen rent rechtstreeks naar het bankje recht tegenover het schoolplein. Ze gaat zitten, en wacht. Alle andere kinderen zijn al weg met hun ouders. Ze zit daar helemaal alleen, haar korte beentjes wiebelen van voor naar achter waardoor haar losse veter gezellig heen en weer zwiept. “Mama komt zo hoor,” fluistert ze tegen haar katoenen pop, “en misschien komt papa ook wel vandaag!” Ze kijkt verheugend om zich heen, de lege straten in.
woensdag 13 juli 2011
zondag 3 juli 2011
De buik van Aida
De trein staat stil voor het centraal station van Amsterdam ter hoogte van de passenger Terminal. Op zijn hollands gezegd: De aanlegplaats voor passagiersschepen. De hele grote blauwe letters die samen AIDA vormen vallen me al snel op. Ze zijn geplakt op de dikke buik van een groot wit cruiseschip. Het grote schip met de exotische naam brengen mijn gedachten op hol. Het is minstens 100 graden in de trein dus mijn lichaam is al helemaal in de verre oorden stemming, Aida heeft mijn geest verder op weg geholpen.
Terwijl de zon de coupe nog verder opwarmt waan ik mij op het voordek van het schip, op een strandstoel naast het zwembad. De golven die tegen het schip beuken doen dit in een aangenaam ritme en een lekker geluidsniveau. Het ritme wordt af en toe verstoord door een plonzende medemens. Lachend kijk ik goedkeurend over mijn zonnebril naar de bikini dragende dader en ga verder met mijn eigen gedachten. Onze bartender, uiteraard van Antilliaanse afkomst, lacht luid en aanstekelijk terwijl hij de heerlijkste cocktails klaarmaakt. Al moet gezegd dat hij wat scheutig is met de alcohol, vooral bij de blonde vrouwen. Maar goed, wat geeft het, we hoeven nergens heen.
Tussen het zonnebadend cocktails drinken door worden we losgelaten in de meest sprookjesachtige dorpjes die de Oriënt rijk is. Daar waar de mensen nog geloven in geesten uit flessen en waar nog sultans met een tulband en met gekromd zwaard aan de heup rondlopen. Waar buikdansen nog opwindend is in plaats van wanstaltig. Waar kleine aapjes een pakje aanhebben en aandoenlijke dingen doen. In de kleine broeierige steegjes roken we waterpijp met de lokale bevolking nadat we ons te goed hebben gedaan aan sappige lamsbouten, verse vijgen en dadels en heerlijk soepele rode wijn uit van die gezellige leren zakken. De gouden belletjes om de heupen van de buikdanseresjes klingelen er lustig op los en één van mijn blonde reisgenotes begint spontaan mee te doen, en, of ze heeft het eerder gedaan of de magische sfeer in combinatie met de zwoele temperatuur en gul geschonken wijn missen hun uitwerking niet.Tot diep in de nacht drinken we, dansen we en genieten we van de gastvrijheid.
Waar een tijd van komen is komt ook een tijd van gaan. Ik neem afscheid van mijn nieuwe vrienden, ik beloof ze nog vaker op te zoeken en ga op zoek naar Aida. In de hoop dat ik de weg nog kan terugvinden in dit labyrint, dwaal ik door kleine en spannende steegjes. Hopend dat ik niet verstrikt raak in het web van bedwelmende pijp tabak en waarzeggers achter dikke zware gordijnen. Het duizelt, en ik ben mijn oriëntatie kwijt. Ik ga van steegje naar steegje. Door achteraf kamertjes, door kelders en steeds weer wenkt een mysterieus fluisterend personage dat hij weet waar ik naar toe moet.Elke ruimte komt uit in weer een andere straat. Nadat ik voor mijn gevoel wel door duizend en één gordijnen ben gelopen sta ik ineens in de haven. Aida is rood, groen en geel verlicht. Ze verwelkomt me door haar ladder te laten zakken en me binnen te laten. Op het voordek bij het zwembad staat de bartender, uiteraard van Antilliaanse afkomst, lachend zijn cocktails te bereiden. Hij wenkt me, in het zwembad is nog volop actie. “Kom” zegt ie, “drink er nog er met me en geniet van deze mooie avond. Geniet ervan voordat de dag haar weer opslokt.”
“Kijk dat grote witte schip moeten we hebben moeder!” zegt de man die tegenover mij zit tegen zijn vrouw naast me. De warmte heeft natte plekken gemaakt onder hun oksels en borsten. Ze zijn op respectabele leeftijd en klaar voor hun reis naar de Oriënt, met Aida. In kaki driekwart broek, sokken in hun sandalen en in hun survival overhemd. De ooit blonde vrouw kijkt verlangend naar buiten: “ik ben blij als ik met een cocktail aan dat zwembad op het voordek lig.”
Labels:
AIDA,
aida reizen,
cocktails,
Cruise,
cruiseschip
donderdag 23 juni 2011
lopen naar de zon
Ze kijkt naar buiten als ik de coupé binnenstap. Een meisje van, pak ‘m beet, 17 jaar. Peper en zout kleurig lang haar, diadeem, spijkerjasje en een bloemetjesjurk. Net boven haar laarzen steken geruite sokken uit. Ze lijkt zo uit de laatste H&M folder gestapt. Eén van de hakken van haar cowboy laarzen zit een beetje los, de neuzen zijn versleten. Ze houdt haar telefoon in haar handen geklemd die in haar schoot rusten. De knieën tegen elkaar aan de voeten iets uit elkaar, de armen gestrekt. Ze leunt een beetje tegen het raam. Je zou er een vrolijk gezichtje bij verwachten, helaas.
Ik ga tegenover haar zitten.
De avond was al bezig terrein te winnen van de dag. De zon probeerde het afscheid te verzachten door haar laatste zonnestralen te gebruiken om de laaghangende bewolking felrood en roze te kleuren. Over de weilanden tussen Amsterdam en Haarlem had het licht vrij spel en de beweging van de trein gaf het geheel een onwerkelijk en dromerig karakter. Mijn medereiziger had nog niet bewogen, ze keek naar buiten. Ik had niet het idee dat ze iets van het kleurenwonder meekreeg. Ze staarde naar één plek in het raam, precies naar de sticker waarop staat dat je niets naar buiten mag gooien en ook niet uit het raam mag hangen. Betutteling. De aders op haar slanke handen waren opgezwollen van het krampachtig vasthouden van de telefoon. Er zat haar iets dwars, ik keek naar buiten naar de prachtige luchten en kleuren en in de reflectie van het raam zag ik vaag haar treurig starende onschuldige gezicht.
Mijn vader, bedacht ik ineens, zou gevraagd hebben “of er wat scheelde meisje?” Waarschijnlijk zou ze dan verteld hebben wat haar dwars zat. Zo’n man was ie . Ze zou vertellen dat ze op weg was naar het strand, om daar een wandeling te maken, een wandeling tot aan de zon. Ze vertelt:
“De populaire meiden in mijn klas lopen heel vaak met elkaar te smoezen, natuurlijk praten ze dan over mij. Dat voel je toch? En dan heb je ook nog die nieuwe leraar van Nederlands, die geeft mij altijd complimentjes en hij gebruikt bijna altijd mijn opstel als voorbeeld. Om de rest te laten zien hoe het moet. Te genant!”
“Iedereen denkt natuurlijk dat ik zijn lievelingetje ben of dat ik het met hem doe ofzo. Pfff, eikels. Dat is vast ook de reden dat die leuke jongen uit de andere klas niet naar me kijkt, dat hij zijn hoofd wegdraait als ik langsloop. De reden dat hij alleen maar staat te lachen met zijn vrienden als ik zijn aandacht probeer te trekken. “ Verzucht ze.
Papa zou begrijpend knikken en vragen of het thuis wel gezellig was.
“Thuis vraagt u? ach, daar zijn ze me ook liever kwijt dan rijk. Ze zijn al jaren geleden opgehouden met de schijn hoog te houden dat ze het gezellig hebben. Ik loop ze in de weg. Nee meneer dat valt niet mee………………. Mama vraagt me regelmatig wanneer ik van plan ben uit huis te gaan. Wanneer ik ze hun vrijheid eens gun………….. Daar wil ik ook niet meer heen.” Zegt ze zacht, door een in haar mondhoek gerolde traan heen.
“Dus Zandvoort it is!” zegt ze vast beraden. “ Eenmaal daar zijn ze allemaal van me af. Dan hebben ze op school tenminste echt iets om over te kletsen en kunnen de jongens om me lachen zonder dat ik het in de gaten heb. Dan kunnen de leraren eens iemand anders z’n opstel als voorbeeld nemen.”
“Dat opstel zal dan waarschijnlijk wel over mij gaan. Dat doen ze altijd, opstellen laten schrijven over recente gebeurtenissen.”
In Haarlem sta ik op, stap uit. Ik ben mijn vader niet. Als de trein wegrijdt zie ik haar zitten, starend naar buiten, schuin naar boven, ze glimlacht. De trein brengt haar naar de zee, de zon tegemoet.
vrijdag 20 mei 2011
De sleutelbos van één euro
Hij schuifelt de supermarkt in, niet goed wetend wat te doen. Links staan de mandjes en aan de rechterkant staan de winkelwagentjes. Hij kijkt nog eens op zijn lijstje en piekert er nog eens over terwijl de mensen achter hem niet door kunnen lopen. Een uitgewinkelde man biedt uitkomst, zijn niet terug geplaatste winkelwagentje rolt voor de voeten van de man. Hij grijpt zich vast en herkent er een rollator in.
Hij schuifelt achter zijn karretje door de winkel. Pad na pad loopt hij door, op zoek naar de spullen op zijn lijstje. Er zit nog niets in zijn wagentje. Op zijn corduroy broek zitten slijtplekken boven zijn knieën, waarschijnlijk van het wrijven over zijn pijnlijke gewrichten. Het opaatje staat al een tijdje stil bij de vleeswaren, hij kijkt nog eens naar zijn briefje en dan weer naar de vitrine. Hoofdschuddend loopt hij naar het volgende vak, thee en koffie. Hij heeft geen jas aan, het weer is best lekker maar het is niet iets voor mensen van zijn leeftijd om zonder jas het huis uit te gaan. Waar laat je dan per slot van rekening je portemonnee? Hij loopt daar in zijn overhemdje, hij heeft nog net geen pantoffels aan.
Ik ben het schuifelende mannetje even uit het oog verloren. Ik moet zelf toch ook het één en ander in mijn wagentje deponeren. Ah, daar gaat ie weer. Zonder karretje nu maar met een pakje hamlappen in zijn ene trillende hand en een sleutelbos in zijn andere. Hij is op weg naar de kassa.
Hij houdt de lappies in krampachtig vast en schrikt dus als mijn spullen, die dus op de band liggen, langs schuiven. “Ik wilde dit graag afrekenen mevrouw.” Zegt hij tegen de caissière. Op haar beurt zegt ze dat de hamlappen 1 euro kosten. Hij mompelt wat tegen het meisje en overhandigt haar zijn sleutelbos. Het meisje kijkt misprijzend in de handen van het inmiddels verwarde baasje en zegt dat ze een euro wil hebben en geen sleutelbos. Hij murmelt dat hij de sleutels wil achterlaten en dat hij thuis geld gaat halen, want hij is zijn portemonnee vergeten. Het kassameisje heeft geen idee waar hij het over heeft en dus herhaalt hij zijn, voor haar, onnavolgbare zinnen over de sleutels en de portemonnee.
Even, heel even denk ik heel nare dingen. Schiet verdomme eens op. Dan voel ik een losse euro in mijn broekzak, en denk: “Wat maakt die ene Euro eigenlijk uit?” Ik tik de man op zijn schouder, hij draait zich om en ik kijk in twee glazige paniekerige ogen. Hij wil zoveel zeggen maar het gaat niet helemaal meer. “Portemonnee vergeten,” zegt ie zacht. “Geeft niets meneer, dat kan iedereen gebeuren,” zeg ik terwijl ik de euro in zijn hand druk. Hij heeft het niet echt door, het kassameisje begrijpt het gelukkig wel en vraagt nog eens naar de sleutelbos. Hij laat de zijn hand zien met daarin de sleutels. “Kijk, er zit toch een euro tussen meneer, dat bedoelde u dus! Wilt u het bonnetje mee?” Het bonnetje hoeft hij niet, maakt hij duidelijk met een handgebaar. Hij pakt de hamlappen van de loopband en loopt weg, hij kijkt nog even om, dankbaar.
Mijn spulletjes gaan ondertussen langs de scanner, het kassameisje lacht begripvol naar me. “ach” stamel ik. Zachtjes tikt iemand op mijn schouder, ik draai me om. Een onvaste hand drukt een muntje van 50 cent in mijn handen. “Ik zou hetzelfde gedaan hebben jongen,”
Hij schuifelt achter zijn karretje door de winkel. Pad na pad loopt hij door, op zoek naar de spullen op zijn lijstje. Er zit nog niets in zijn wagentje. Op zijn corduroy broek zitten slijtplekken boven zijn knieën, waarschijnlijk van het wrijven over zijn pijnlijke gewrichten. Het opaatje staat al een tijdje stil bij de vleeswaren, hij kijkt nog eens naar zijn briefje en dan weer naar de vitrine. Hoofdschuddend loopt hij naar het volgende vak, thee en koffie. Hij heeft geen jas aan, het weer is best lekker maar het is niet iets voor mensen van zijn leeftijd om zonder jas het huis uit te gaan. Waar laat je dan per slot van rekening je portemonnee? Hij loopt daar in zijn overhemdje, hij heeft nog net geen pantoffels aan.
Ik ben het schuifelende mannetje even uit het oog verloren. Ik moet zelf toch ook het één en ander in mijn wagentje deponeren. Ah, daar gaat ie weer. Zonder karretje nu maar met een pakje hamlappen in zijn ene trillende hand en een sleutelbos in zijn andere. Hij is op weg naar de kassa.
Hij houdt de lappies in krampachtig vast en schrikt dus als mijn spullen, die dus op de band liggen, langs schuiven. “Ik wilde dit graag afrekenen mevrouw.” Zegt hij tegen de caissière. Op haar beurt zegt ze dat de hamlappen 1 euro kosten. Hij mompelt wat tegen het meisje en overhandigt haar zijn sleutelbos. Het meisje kijkt misprijzend in de handen van het inmiddels verwarde baasje en zegt dat ze een euro wil hebben en geen sleutelbos. Hij murmelt dat hij de sleutels wil achterlaten en dat hij thuis geld gaat halen, want hij is zijn portemonnee vergeten. Het kassameisje heeft geen idee waar hij het over heeft en dus herhaalt hij zijn, voor haar, onnavolgbare zinnen over de sleutels en de portemonnee.
Even, heel even denk ik heel nare dingen. Schiet verdomme eens op. Dan voel ik een losse euro in mijn broekzak, en denk: “Wat maakt die ene Euro eigenlijk uit?” Ik tik de man op zijn schouder, hij draait zich om en ik kijk in twee glazige paniekerige ogen. Hij wil zoveel zeggen maar het gaat niet helemaal meer. “Portemonnee vergeten,” zegt ie zacht. “Geeft niets meneer, dat kan iedereen gebeuren,” zeg ik terwijl ik de euro in zijn hand druk. Hij heeft het niet echt door, het kassameisje begrijpt het gelukkig wel en vraagt nog eens naar de sleutelbos. Hij laat de zijn hand zien met daarin de sleutels. “Kijk, er zit toch een euro tussen meneer, dat bedoelde u dus! Wilt u het bonnetje mee?” Het bonnetje hoeft hij niet, maakt hij duidelijk met een handgebaar. Hij pakt de hamlappen van de loopband en loopt weg, hij kijkt nog even om, dankbaar.
Mijn spulletjes gaan ondertussen langs de scanner, het kassameisje lacht begripvol naar me. “ach” stamel ik. Zachtjes tikt iemand op mijn schouder, ik draai me om. Een onvaste hand drukt een muntje van 50 cent in mijn handen. “Ik zou hetzelfde gedaan hebben jongen,”
Labels:
bejaarden,
Dementie. Hamlappen,
euro,
kassameisjes,
supermarkten
dinsdag 3 mei 2011
Een hemelse knipoog!
We hebben weer een nieuwe jongedame in de familie. Mijn zuster kan er kennelijk geen genoeg van krijgen en heeft anderhalf jaar na het eerste wonder de wereld een nieuwe schoonheid geschonken. Als ik bij haar aankom met twee nieuwe knuffels, die eerste moet natuurlijk ook een cadeautje anders voelt die zich misschien wel buitengesloten, is Lente nog niet eens in bad geweest. Ze is gezellig thuis geboren, dus iedereen kan het lekker rustig aan doen. Mama ligt uitgeteld op bed, Elin klimt op het bed en er weer af en er weer op en er weer af en de oma’s zetten thee en verzorgen de koekjes en papa doet dat eigenlijk ook.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik altijd een beetje onwennig ben met pasgeboren baby’tjes, alles is nog slap, je hebt eigenlijk een arm te weinig om alle onderdelen afdoende te ondersteunen en verder doet het nog niet zoveel. Niets eigenlijk. Ietwat onhandig pak haar over van oma, een kreuntje. Ik manoeuvreer d’r wat heen en weer om haar goed in mijn armen te leggen en om de omslagdoek goed op zijn plek te houden. Een iets harder kreuntje nu en een krijsje. Armpje dubbel. Met de zweetdruppels al op mijn hoofd frummel ik het armpje weer in de juiste positie. Uiteindelijk ligt de kleine frummel naar ieders tevredenheid in mijn armen en kan ik het eens goed bekijken. Natuurlijk is ze prachtig, en lief en schattig en al die andere dingen die je zegt op kraamvisite, maar met Lente heb ik iets speciaals.
Net als ik denk; ze doet me aan iemand denken…… nog geen 12 uur oud en ze doet me al aan iemand denken. Zegt Manon: “Vind je ook niet dat ze ontzettend aan papa doet denken?”
Verdomd, dat is het. Hoe jong Lente ook is, ze heeft onmiskenbaar al wat echte Van den Eijnde trekjes. Die bolle wangetjes, die lieve maar donkere onderzoekende ogen en die lippen zijn inieminie versies van die van papa (en die van mij en die van Manon).
Ze kijkt me aan (hou ik me voor) en ik word meegezogen in de fotoalbums en de familiekiekjes. Papa als baby, opgevoed door zijn grote zussen en dus ook wel eens gekleed in wat meisjesachtige pakjes. Jurkjes tot knickerbocker vermaakt en jasjes en shirtjes ontdaan van roesjes en frutsels zodat het wat jongensachtiger leek. Hij kijkt met bolle wangen, donkere onderzoekende ogen lief in de camera. Zijn bovenlipje hangt iets over de onderste. Ik ontwaak uit mijn gedachte en kijk naar bijna hetzelfde lieve gezichtje.
Ik kijk nog eens goed, aai de kleine hummel nog eens over d’r bolletje, pak d’r piepkleine handjes nog eens vast. Ze heeft verbazingwekkend lange vingers en dito nageltjes. Familietrekje. Het kan papa natuurlijk nooit zijn, het is immers een meisje.
“Nou ja,” zegt het valse stemmetje in mijn hoofd. “Hij viel uiteindelijk op mannen dus zo heel erg zal hij het niet vinden om in een vrouwenlichaam te zitten.”
Ik lach voorzichtig en beschaamd.
“Wat is er aan de hand?” vraagt Manon. “Doet ze gek?”
“Oh nee hoor, niks aan de hand, binnenpretje.”
Ik kijk weer naar dat kleine droppie in mijn armen. Haar oogjes zijn open. Ze kijkt me aan. En geeft me een dikke vette knipoog. Deze Lente is hoogstwaarschijnlijk een mooi nieuw begin.
Labels:
baby's,
begin,
geboorte,
lente,
nieuwe start,
reïncarnatie
donderdag 7 april 2011
Take me out to the ballgame!
Op een onbewaakt moment kwam het voorbij op de radio. Een zinnetje tussen twee liedjes door. ‘de New York Yankees komen naar Nederland.’ Ik stopte met waar ik mee bezig was, mijn hart maakte een sprongetje. Goh, de Yankees in Nederland, waarschijnlijk gaan ze dan spelen in Haarlem want wij hebben het enige echte honkbalstadion van Nederland. Verder wist er nog niets van, het bericht ging niet verder, of ik had de rest van het bericht niet gehoord. Het maakte me niet uit ook. De Yankees komen naar Nederland!!
Voor wie niet weet, wie of wat de Yankees zijn. Dat is het meest legendarische en spraakmakende honkbal team ter wereld, afkomstig uit, uiteraard, de Verenigde Staten. Ze spelen in de beste honkbalcompetitie van de wereld; de Major League. Daarbij hebben ze de meeste honkbalgeschiedenis en de waarschijnlijk ook de beste honkballers ooit, voortgebracht.
Daar moet ik bij zijn! Het is alweer een hele tijd geleden dat ik in een volgepakt honkbalstadion heb kunnen genieten van een potje honkbal.
Die dagen begonnen altijd hetzelfde: De slaapkamerdeur wordt luidruchtig geopend, waarmee niet alleen de enthousiast blaffende golden retriever Sacha binnenkomt maar ook de geur van vers gebakken pistoletjes. Ontbijten dus! Warme kleine stokbroodjes met roomboter en een glas melk en als we geluk hadden ook nog de metworst uit Duitsland. Dan douchen, aankleden en naar het stadion. Lekker op tijd, de beste plek scoren, nog een beetje een balletje gooien en handtekeningen jagen. Dan kijken naar de warming up van de teams, wie is er in vorm en wie niet. Mijn vader vult alvast de scorekaarten in en legt me nog maar eens uit hoe ik dat eventueel ook zelf zou kunnen doen. Mijn zusje doet nog alsof het haar iets interesseert maar gaat al snel op zoek naar het zusje van één van mijn honkbalteamgenootjes. Ik kijk alleen maar of er iemand tijdens het inslaan een bal over het hek ramt en naar het softbalteam dat ook een plekje aan het zoeken is. Als ik mijn vader lief aankijk dan krijg ik een paar gulden om droppies of chippies of een ijsje of een blikkie of iets anders lekkers te kopen. Ondertussen is ongetwijfeld de hele honkbal clan aangesloten, bestaande uit; tenminste zes familieleden, en ongeveer drie andere gezinnetjes. De avonden worden afgesloten met de ouders in een feesttent en wij eindeloos ballen overgooiend op het grote veld. Maar we dwalen af.
Ik realiseer me dat het zo niet meer zal gaan. God, ik had mijn telefoon al in mijn hand. “Pap, de Yankees komen naar Nederland, dit keer betaal ik!” Onverrichter zake haal ik mijn wijsvinger weer van het scherm. Zelfs de slimste Smartphone kan zijn nummer niet meer vinden. Mijn enthousiasme is lichtelijk afgenomen, hoe zou het zijn? Geen warme stokbroodjes, geen scorekaart, geen toegestoken guldens, geen hoempapa in een feesttent, geen ‘weetjenog’ pap? Ik zal niet meer aan mijn kraag omhoog getrokken worden als halverwege de zevende inning het ‘take me out to the Ballgame’ door de speakers schalt, omdat je dan gewoon even moet gaan staan. Aldus mijn vader.
Ik kijk naar mijn kleine nichtje. Ik kan de rol van gezellige verzorgende meesleur ouder ook gewoon op me nemen. Verzorg ik de broodjes, de snoepjes, blikje en koop ik de honkbalprullaria, bekijk ik de hele happening eens van de andere kant. Helaas,Ik denk dat meisjes van anderhalf nog niet zoveel lol beleven aan een dagje honkbalstadion.
Tot die tijd ben ik dus op zoek naar iemand die meegaat. Die geduldig luistert naar mijn enthousiaste tactische theorieën. Die me uitlegt hoe ik die stomme scorekaarten moet invullen. Die halverwege de zevende inning apathisch opstaat en die me ’s avonds, in mijn nieuwe in het stalletje achter het stadion voor veel te veel geld aangeschafte honkbalshirt,instopt.
Labels:
Haarlemse Honkbalweek,
Honkbal,
New York Yankees
donderdag 24 maart 2011
Mijn gevecht tegen een pijltje
Op de kilometerteller van mijn racefiets zitten verschillende functies. Naast het bijhouden van de huidige snelheid en de afgelegde afstand rekent het apparaat ook mijn gemiddelde snelheid uit. Niets bijzonders allemaal, als je je gemiddelde snelheid niet wilt zien dan druk je op een knop en komt er een ander getal tevoorschijn. Eentje die je vertelt hoeveel kilometers je hebt afgelegd, of hoe laat het is, zeg het maar. Er is echter altijd een pijltje naast de huidige snelheid. Deze wijst omhoog als je boven je gemiddelde snelheid rijdt of naar beneden als je langzamer gaat.
Vandaag was een heerlijke dag om een stukje te fietsen. Zonnetje, aardige temperatuur (ook af te lezen) en niet teveel wind. Vol goede moed en eigenlijk met weinig ambitie om records te breken trok ik eropuit. Door de bollenvelden richting Scheveningen. Het ging lekker, de snelheid was steeds rond de 32 kilometer per uur. Aangezien de weer apps op de telefoon aangaven dat ik onmogelijk wind mee kon hebben in deze richting maakte ik me geen zorgen. De terugweg zou immers dezelfde wind omstandigheden bieden. Lekker, goede benen dus! Ik schakelde een tandje bij want een keer een gemiddelde snelheid van 28 a 29 kilometer per uur is ook wel eens leuk.
In Scheveningen keert het tij. Als ik de duinen in rij voel ik ineens wind uit noordelijke richting, en nog een koude ook. Stug doortrappen, genieten van de omgeving, beetje om me heen kijken. Naar trekje van de duinen is dat de weg niet vlak is. De combinatie wind en oplopende weg doet de snelheid zakken. Het pijltje wijst dus welgevoegelijk naar beneden. Godver. Op de vlakke stukken en naar beneden krijg ik het net voor elkaar om het pijltje omhoog te laten wijzen, nipt. Normaal gesproken is de terugweg bedoeld om op een gemakkelijke manier je gemiddelde omhoog te krikken, niet om te vechten. Iedere wielrenner kijkt namelijk eerst goed waar de wind vandaan komt zodat je die in de rug hebt op de terugweg. Een klassieke fout.
In mijn hoofd vecht ratio met waanzin. De ratio zegt dat 26 ook een mooi gemiddelde is, maar de waanzin zegt dat 27.5 toch echt moet lukken. Ik probeer dus met man en macht met alles wat ik heb harder te fietsen dan 27.5. Ik laat me toch niet verslaan door zo’n stom pijltje?! De omgeving kan me gestolen worden, tegenliggers rij ik van de weg, en oudjes die wel genieten van de omgeving en dat persé over de hele breedte van het fietspad willen doen, krijgen een vloek en een dodelijke blik in het voorbijgaan. Bij Noordwijk kan ik niet meer, het pijltje wijst onverbiddelijk naar beneden, en blijft dat doen.
Het gemiddelde staat inmiddels op 26.8. De wind staat nu schuin in de rug. Ik ga het nog één keer proberen. Met een veel moeite haal ik 30/31 per uur, dus het moet lukken om nog naar 27 gemiddeld te komen (27 is een soort magische grens). Helaas, de scholen zijn net uit, de weg is overal opengebroken, automobilisten rijden in de weg als die kutscholieren het even niet doen. Thuis gekomen durf ik eindelijk naar het gemiddelde te kijken; 26.9 echt waar. Verloren van een pijltje
Vandaag was een heerlijke dag om een stukje te fietsen. Zonnetje, aardige temperatuur (ook af te lezen) en niet teveel wind. Vol goede moed en eigenlijk met weinig ambitie om records te breken trok ik eropuit. Door de bollenvelden richting Scheveningen. Het ging lekker, de snelheid was steeds rond de 32 kilometer per uur. Aangezien de weer apps op de telefoon aangaven dat ik onmogelijk wind mee kon hebben in deze richting maakte ik me geen zorgen. De terugweg zou immers dezelfde wind omstandigheden bieden. Lekker, goede benen dus! Ik schakelde een tandje bij want een keer een gemiddelde snelheid van 28 a 29 kilometer per uur is ook wel eens leuk.
In Scheveningen keert het tij. Als ik de duinen in rij voel ik ineens wind uit noordelijke richting, en nog een koude ook. Stug doortrappen, genieten van de omgeving, beetje om me heen kijken. Naar trekje van de duinen is dat de weg niet vlak is. De combinatie wind en oplopende weg doet de snelheid zakken. Het pijltje wijst dus welgevoegelijk naar beneden. Godver. Op de vlakke stukken en naar beneden krijg ik het net voor elkaar om het pijltje omhoog te laten wijzen, nipt. Normaal gesproken is de terugweg bedoeld om op een gemakkelijke manier je gemiddelde omhoog te krikken, niet om te vechten. Iedere wielrenner kijkt namelijk eerst goed waar de wind vandaan komt zodat je die in de rug hebt op de terugweg. Een klassieke fout.
In mijn hoofd vecht ratio met waanzin. De ratio zegt dat 26 ook een mooi gemiddelde is, maar de waanzin zegt dat 27.5 toch echt moet lukken. Ik probeer dus met man en macht met alles wat ik heb harder te fietsen dan 27.5. Ik laat me toch niet verslaan door zo’n stom pijltje?! De omgeving kan me gestolen worden, tegenliggers rij ik van de weg, en oudjes die wel genieten van de omgeving en dat persé over de hele breedte van het fietspad willen doen, krijgen een vloek en een dodelijke blik in het voorbijgaan. Bij Noordwijk kan ik niet meer, het pijltje wijst onverbiddelijk naar beneden, en blijft dat doen.
Het gemiddelde staat inmiddels op 26.8. De wind staat nu schuin in de rug. Ik ga het nog één keer proberen. Met een veel moeite haal ik 30/31 per uur, dus het moet lukken om nog naar 27 gemiddeld te komen (27 is een soort magische grens). Helaas, de scholen zijn net uit, de weg is overal opengebroken, automobilisten rijden in de weg als die kutscholieren het even niet doen. Thuis gekomen durf ik eindelijk naar het gemiddelde te kijken; 26.9 echt waar. Verloren van een pijltje
Abonneren op:
Posts (Atom)


