Daar lig je.
Op je buik.
Pyjama nog aan.
Het huis is een bende.
Dit is helemaal niets voor jou, zo lig je normaal gesproken helemaal niet. Zo in de troep, zo in een hoekje. En waarom is je broek half afgezakt? Ik krijg het vermoeden dat hier iets niet helemaal in orde is. Het was ook al zo vreemd dat je al dagen de telefoon niet opnam.
Als ik dichterbij kom wordt alles mij op een verschrikkelijke manier duidelijk. Je ligt in een grote dieprode vlek. Je voeten doen denken aan die van een mummie, vel over been. Je billen zijn opgezet en blauw.
Je bent gevallen, opgekrabbeld, gevallen, en met je laatste krachten richting de bank gekropen om daar waarschijnlijk in een hoekje te gaan liggen, ineengekropen van de pijn.
Althans.
Dat is wat de lijkschouwer mij meedeelde na hun uitgebreide onderzoek. Maagbloeding, als gevolg van een verkeerde mix aan medicijnen. In eerste instantie dacht ik eerder aan moord, of aan zelfdoding.
Zelfmoord, het zou niet de eerste keer zijn dat hij dat probeerde. Ik herinner me het telefoontje van mijn zus nog goed. “Rogier, papa heeft een poging tot zelfmoord gedaan, we moeten er nu heen!
”Woede, verdriet en onbegrip vechten om voorrang in mijn hoofd, ze komen allemaal geen steek verder en laten mij vol woede, verdriet en onbegrip achter. Hoe kon je dat nou doen. En vooral, hoezo is het niet gelukt? Papa’s zijn sterk, papa’s zijn een voorbeeld, en dus als papa’s iets doen dan lukt het.
Niet dus
Nu is het anders, je ligt daar echt, en je bent ook echt dood, morsdood. Het leven is er echt helemaal uit en de eerste tekenen van nieuw leven beginnen zich enthousiast in je ontzielde lichaam te nestelen. Met dit besef trekt er gelijk een waas mijn brein in. Een waas van helderheid. Er gaat een knop om, ik moet handelen, ik moet iets doen!
112 lijkt me een goede eerste stap. Ik zeg tegen mijn lieve zus dat ze die moet bellen en dat ze zo snel mogelijk moeten komen. Waarom ik zeg dat ze zo snel mogelijk moeten komen weet ik niet zo goed, wellicht om Manon het gevoel te geven dat er nog iets te redden valt. En ja zo komen ze wel meteen, en doen ze er niet een uur over omdat er toevallig ergens anders ook iemand op sterven ligt. Ze bellen redelijk snel aan, aan de voordeur. Ik moet door het huis, we zijn door de tuin binnen gekomen en staan daar te wachten, te praten, te huilen, te bellen, radeloos te zijn. Ik doe mijn handen in mijn mouw als ik de deurklink vast pak, stel dat hij vermoord is dan mogen mijn vingerafdrukken niet overal bovenop zitten. (Ik ben zelf nog steeds verbaasd over deze heldere maar vreemde gedachtegang.)
Aan de gezichten van de broeders is meteen af te lezen dat het niet goed is. Hun telefoongesprek maakt de zaak definitief. “Het is hier goed mis. Verdachte situatie. Stuur alle diensten maar.” Zijn de flarden die ik oppik.
Daar lig je.
Op je buik.
Pyjama nog aan.
Het huis is een bende.
Dit is ook helemaal niets voor jou, zo had je van te voren niet bedacht. Mannen in witte pakken stappen over je heen, pulken met pincetten, wroeten door je spullen, overleggen met elkaar over je lichaam heen. Ze schudden hun hoofd, knikken bevestigend. Komen langzaam maar zeker tot een eindoordeel. De bel gaat nog een keer. Nog meer agenten die ons vriendelijk doch dringend verzoeken ergens anders heen te gaan.
“We moeten meneer gaan omdraaien en het is beter als jullie daar geen getuige van zijn. Er zijn echter ook nog een hoop vraagtekens dus hebben we jullie wel wat vragen te stellen. Bijvoorbeeld: waarom zijn jullie pas zo laat hier gekomen?”
Wederom vechten onbegrip, woede en verdriet om voorrang in mijn hoofd. Even wil ik heel bot en boos gaan doen, maar er knapt iets en laat het gebeuren. Ik steek nog maar een sigaret op en steek van wal. We worden bedankt voor de medewerking en het begrip. We worden genadeloos de straat opgestuurd, niet ver, blijf bereikbaar. Ik werp nog een laatste blik naar je lichaam. De allerlaatste.
We lopen weg, ik zie door de ramen en de tranen nog net vier mannen in het zwart aankomen. Met een zwarte zak.
Daar lag je dan.
Op je buik.
Pyjama nog aan.
Het huis is een bende.
vrijdag 11 november 2011
vrijdag 28 oktober 2011
loslaten
Loslaten
“Ik hoop dat je hier iets kunt achterlaten, iets wat je in de weg zit, wat je al een tijd geleden los had moeten laten. Ik hoop je daarmee te helpen door je hier mee naar toe te nemen. ” antwoord ze op mijn vraag waarom ze precies mij mee wil nemen naar dit prachtige eiland. “mijn ervaring met dit eiland,” gaat ze verder, “is dat er een grote spirituele kracht vanuit gaat. Dat het mensen kan helpen dichter bij zichzelf te komen.”
We zitten op een prachtig strandje op Ibiza, de oktoberzon doet haar best onze lichamen genoeg warmte te geven om de kille winter van ons kikkerlandje te kunnen doorstaan. Het helder blauwe zeewater kabbelt tegen de rotsen en zorgt voor een heerlijke ruis op de achtergrond. Als je over het water kijkt, kijk je recht tegen een puntige rots aan, de vinger van God. Volgens mijn reisgenote.
Tegen het eind van de middag komen er ineens uit alle hoeken en gaten hippie achtige mannen en vrouwen het strand op, uiteraard vergezeld van de nodige honden maar ook van trommels en een soort xylofoon. Ze begroeten elkaar als oude vrienden die elkaar jaren niet gezien hebben. De zon begint al te zakken, doet dat steeds vroeger op de dag, moe van de lange dagen die de zomer van haar verlangde. Ze werpt steeds langere schaduwen op het strand.
Warm licht, lange schaduwen. Weemoed.
Langzaamaan begint er iemand op een trommel te spelen, heel rustig en kalm alsof hij het ritme van de kabbelende zee volgt. Hij begint iets steviger te slaan en er haakt een tweede trommel in. Het is een heel rustig ritme. Meer is het eigenlijk niet, een fijn rustig ritme.
De zachte bedwelmende klanken van de xylofoon, ik blijf het zo maar even noemen, komen er vloeiend en rustig tussendoor. De ruisende zee, de betoverende klanken en de warme ondergaande zon brengen mij ver in de krochten van mijn ziel. Ik ben totaal leeg en al mijn vragen en frustraties en gemissen komen boven drijven. De struikelblokken in mijn leven zoals het nu is openbaren zich als grote monsters die vragen om uitgeroeid te worden.
“Maar dat kan ik niet alleen,” schreeuw ik stilletjes uit en een traan bungelt over mijn wang. “ik wil het ook niet alleen doen” denk ik nu hardop.
Een zware warme gerustellende gloed daalt van vanaf mijn kruin mijn lichaam binnen. Ondanks deze vreemde gewaarwording voelt het heel vertrouwd. Het doet me ergens aan denken. De vertrouwde omhelzing van papa, zijn liefde en begrip. Iets anders dan dat kan het niet zijn.
“Niet piekeren jongen, is nergens goed voor.” Hoor ik, denk ik. Voor mijn neus ligt een steen, donker terra, bijna prefect ei-vormig. “Pak die steen en concentreer je eens op iets anders, op die steen bijvoorbeeld. Luister, en draai die steen tussen je vingers. Luister naar de muziek en concentreer je op het ronddraaien van die steen. Denk aan mij, ik heb het goed jongen, maak je geen zorgen. Draai je zorgen in die steen. En jij? Ach hoe vaak ben je al niet op je bek gegaan? En ben je wel op je bek gegaan? Je bent hier, in de zon, je geniet op jouw manier. Het heeft geen zin je zorgen te maken om iets waar je zelf geen invloed op hebt. Leef en wees jezelf. Draai je zorgen in die steen.
Als ik mijn ogen opendoe zit ik rollend met een steen in mijn hand op een strand. De baai is verbluffend mooi, de zee ruist, de zon zakt en stuurt zijn laatste stralen mijn kant op. De muziek ebt langzaam weg, ze houden het voor gezien met dit ritme. De mensen, die ineens met grote getale zijn samen gekomen, klappen. De traan die eerder opwelde laat langzaam mijn wang los, aarzelend. Alsof hij met als zijn kracht aan mij vast wil blijven houden. Het geeft een trekkend gevoel aan mijn huid, zuigt zich vast tegen beter weten in. Als de traan echt losschiet valt de steen uit mijn handen.
Plof
Ik pak ‘m weer op, hij is warm. Warmer dan je zou denken. Ik strek mijn arm naar achter, kijk naar de vinger van God, mijn hand zwiept naar voren als een slinger, ik laat los.
“Ik hoop dat je hier iets kunt achterlaten, iets wat je in de weg zit, wat je al een tijd geleden los had moeten laten. Ik hoop je daarmee te helpen door je hier mee naar toe te nemen. ” antwoord ze op mijn vraag waarom ze precies mij mee wil nemen naar dit prachtige eiland. “mijn ervaring met dit eiland,” gaat ze verder, “is dat er een grote spirituele kracht vanuit gaat. Dat het mensen kan helpen dichter bij zichzelf te komen.”
We zitten op een prachtig strandje op Ibiza, de oktoberzon doet haar best onze lichamen genoeg warmte te geven om de kille winter van ons kikkerlandje te kunnen doorstaan. Het helder blauwe zeewater kabbelt tegen de rotsen en zorgt voor een heerlijke ruis op de achtergrond. Als je over het water kijkt, kijk je recht tegen een puntige rots aan, de vinger van God. Volgens mijn reisgenote.
Tegen het eind van de middag komen er ineens uit alle hoeken en gaten hippie achtige mannen en vrouwen het strand op, uiteraard vergezeld van de nodige honden maar ook van trommels en een soort xylofoon. Ze begroeten elkaar als oude vrienden die elkaar jaren niet gezien hebben. De zon begint al te zakken, doet dat steeds vroeger op de dag, moe van de lange dagen die de zomer van haar verlangde. Ze werpt steeds langere schaduwen op het strand.
Warm licht, lange schaduwen. Weemoed.
Langzaamaan begint er iemand op een trommel te spelen, heel rustig en kalm alsof hij het ritme van de kabbelende zee volgt. Hij begint iets steviger te slaan en er haakt een tweede trommel in. Het is een heel rustig ritme. Meer is het eigenlijk niet, een fijn rustig ritme.
De zachte bedwelmende klanken van de xylofoon, ik blijf het zo maar even noemen, komen er vloeiend en rustig tussendoor. De ruisende zee, de betoverende klanken en de warme ondergaande zon brengen mij ver in de krochten van mijn ziel. Ik ben totaal leeg en al mijn vragen en frustraties en gemissen komen boven drijven. De struikelblokken in mijn leven zoals het nu is openbaren zich als grote monsters die vragen om uitgeroeid te worden.
“Maar dat kan ik niet alleen,” schreeuw ik stilletjes uit en een traan bungelt over mijn wang. “ik wil het ook niet alleen doen” denk ik nu hardop.
Een zware warme gerustellende gloed daalt van vanaf mijn kruin mijn lichaam binnen. Ondanks deze vreemde gewaarwording voelt het heel vertrouwd. Het doet me ergens aan denken. De vertrouwde omhelzing van papa, zijn liefde en begrip. Iets anders dan dat kan het niet zijn.
“Niet piekeren jongen, is nergens goed voor.” Hoor ik, denk ik. Voor mijn neus ligt een steen, donker terra, bijna prefect ei-vormig. “Pak die steen en concentreer je eens op iets anders, op die steen bijvoorbeeld. Luister, en draai die steen tussen je vingers. Luister naar de muziek en concentreer je op het ronddraaien van die steen. Denk aan mij, ik heb het goed jongen, maak je geen zorgen. Draai je zorgen in die steen. En jij? Ach hoe vaak ben je al niet op je bek gegaan? En ben je wel op je bek gegaan? Je bent hier, in de zon, je geniet op jouw manier. Het heeft geen zin je zorgen te maken om iets waar je zelf geen invloed op hebt. Leef en wees jezelf. Draai je zorgen in die steen.
Als ik mijn ogen opendoe zit ik rollend met een steen in mijn hand op een strand. De baai is verbluffend mooi, de zee ruist, de zon zakt en stuurt zijn laatste stralen mijn kant op. De muziek ebt langzaam weg, ze houden het voor gezien met dit ritme. De mensen, die ineens met grote getale zijn samen gekomen, klappen. De traan die eerder opwelde laat langzaam mijn wang los, aarzelend. Alsof hij met als zijn kracht aan mij vast wil blijven houden. Het geeft een trekkend gevoel aan mijn huid, zuigt zich vast tegen beter weten in. Als de traan echt losschiet valt de steen uit mijn handen.
Plof
Ik pak ‘m weer op, hij is warm. Warmer dan je zou denken. Ik strek mijn arm naar achter, kijk naar de vinger van God, mijn hand zwiept naar voren als een slinger, ik laat los.
maandag 12 september 2011
Engeltjes
Uit het niets komt hij uit de schemer aanzeilen, door de laagstaande zon vanachter hem lijkt hij groter en indrukwekkender dan hij waarschijnlijk is. Hij daalt neer op de rand van mijn nog volle bierglas dat de serveerster net met veel liefde getapt heeft om het vervolgens nog liefdevoller bij mij neer te zetten. Het lijkt erop dat mensen die alleen op het terras zitten een vriendelijkere behandeling krijgen dan gezelschappen. Maar dat kan ook aan mij liggen, het kan zijn dat het uit altruïsme is.
Affijn.
Het lieveheersbeestje steekt fraai af tegen het witte schuim, zijn kopje is naar de binnenkant van het glas gericht. Hij zal wel dorst hebben gehad van een lange vlucht op deze warme dag ofzoiets. Of misschien had hij wel net zo'n voorliefde voor bier als mijn vader had voor lieveheersbeestjes. De serveerster loopt net weer langs en ik bestel maar een nieuw glas, immers, een slok nemen zou betekenen dat mijn metgezel niet meer bij het bier zou kunnen komen, of dat ik onverhoopt het beestje mee zou sleuren in mijn gulzigheid.
In de verwachting dat ik dus gezelschap zou krijgen reageert de serveerster een stuk minder goedlachs dan daarnet. Het biertje komt desalniettemin redelijk vlug en goed getapt op tafel terecht. Na een ferme slok, en nog één bekijk ik het diertje nog eens goed. Hij steekt zijn kopje nog steeds in het schuim en kijkt dan op. We hebben oogcontact.
“Hoi jongen” zegt hij vriendelijk, “dat is lang geleden, hoe is het nu met je?
“Eh, tja, nou, eh, goh,” zeg ik verbaasd over mijn welzijn.
Op zich ben ik niet verbaasd over het feit dat mijn lieve vader zich openbaart in de vorm van een lieveheersbeestje als wel het feit dat het er op lijkt dat het ook echt gebeurd.
'Dat is wel schrikken zeker?' houdt hij het gesprek op gang. Ik herhaal wat ik net dacht en voeg er aan toe dat ik blij ben hem te zien. En dat ik zijn vroegere postuur goed terug zie in zijn huidige lichaam. De steeds lager zakkende zon plaatst een zwaar uitvergrote schaduw van het glas met het beestje op de stoel. Het is bijna alsof er iemand zit.
“Rotjong” lacht hij. “Jezus wat heb ik dat gemist….” Denk ik weemoedig. Vroeger konden we elkaar aardig pesten, waarschijnlijk zoals alle vaders en zoons dat doen. Na weer één van mijn flauwe danwel scherpe opmerkingen moest hij altijd lachen en noemde me 'rotjong' ten teken dat de grap aankwam.
“Ja dat mis ook heel erg.” Reageert hij op mijn gedachten. Zijn drink tempo is niet meer wat het geweest is maar ondertussen is de schuimkraag toch al een paar millimeter gezakt.
“Wat doe je zoal de hele dag als lieveheersbeestje?” Vraag ik
“Ik ben geen lieveheersbeestje jongen, ik gebruik ze alleen af en toe om een boodschap over te brengen. Mijn komst is een aankondiging van iets moois. De rest van de tijd zweef ik een beetje rond, hou jullie in de gaten. Pest mijn grote zussen een beetje door het licht aan en uit te doen. Verder kletsen we boven een beetje over, tja van alles en nog wat. Je leert veel mensen kennen daarboven, maar vaak hangt er een beetje een grafstemming.” Het is duidelijk mijn vader.
De zon, de situatie en het gesprek maken me dorstig, ik bestel nog een biertje. Met een scheef oog kijkt de serveerster naar het ogenschijnlijk onaangeraakte biertje. Ik vraag haar het te laten staan. Als het nieuwe biertje staat proost ik met mijn tafelgenoot en vertel hem dat ik even naar het toilet ben en of hij even op mijn tas kan letten. Hij zal zijn best doen zegt hij op de typische manier waarop mijn vader iets sarcastisch kan zeggen. Ik vertrouw er maar op dat het goed komt.
Als ik terugkom is de rand van het glas leeg. Wel is de schuimkraag een paar millimeter gezakt zo op het eerste oog. Voor onderweg? Ik kijk om me heen of ik hem wellicht ergens anders zie zitten. Ik kan hem nergens ontdekken een lichte paniek dreigt zich aan te kondigen. Ik was nog lang niet uitgesproken, had nog zoveel te vragen, wilde nog zoveel vertellen. Wilde weten of hij het echt was in de volgauto naar het crematorium, of hij het is die af en toe op mijn schouder zit als ik een stukje aan het fietsen ben. Ik wilde weten of het allemaal echt is, of ik het niet allemaal maar uit mijn duim zoog.
“Mag ik er misschien bij komen zitten,” klinkt het van boven alsof er een engeltje in mijn oor fluistert. Het klinkt zo mooi en bekend dat ik niet op durf te kijken. “Had je dat biertje voor mij besteld, of zit hier toevallig al iemand?” zie ik een slanke en mooie vrouwenhand wijzen naar het bijna onaangeraakte biertje wijzen. Ik kijk toch op en kijk in het liefste en mooist lachende gezicht dat ik ooit heb gezien.
'eh, tja, nou, eh, goh,' zeg ik verbaasd over de beschikbaarheid van de stoel…..
Labels:
avondschemer,
bier,
lieveheersbeestje,
terras
vrijdag 12 augustus 2011
Met de trein fietsen op vakantie
Met het ingaan van de zomervakantie maakt de forens plaats voor een heel anders soort reiziger; de reiziger. Van de meesten heb je geen last. Op een verdwaalde rugtas of koffer na en een eventuele walm van die typische lucht die backpackers nog wel eens met zich willen meebrengen. Het fijne van de reizende reiziger is dat ze zich meestal niet in de spits bewegen.
Zoniet deze familie, nee, zij waren van het type ‘hoe vroeger op, hoe meer je aan je dag hebt.’ Ze zijn met z’n zessen, man, vrouw, twee jongetjes en twee meisjes. Met de fiets. Het is droog en halfbewolkt. Een graad of 19. Heerlijk fietsweer lijkt mij. Ik vraag mij dan ook serieus af waarom ze op Amsterdam Centraal op de Sprinter richting Rotterdam staan te wachten. De fietsen zien er burgerlijk onbeschadigd uit en aan het fanatisme waarmee het gezin over het perron springt heeft niemand last van enige vorm van blessureleed.
Ga lekker fietsen zou je zeggen.
Met zo’n druk en groot gezelschap de kleine sprinter betreden is vragen om moeilijkheden. De trein komt er aan en gaat ook stilstaan. Volgens de vrouw is hij te ver doorgereden zoals hij, naar haar zeggen altijd doet, wat mij doet afvragen waarom ze dan niet wat verderop is gaan staan. De deuren gaan open, en de mensen die uit willen stappen doen dit vastberaden. Tot afgrijzen van onze Akela. “Zodra ze er uit zijn, meteen je fiets in de trein zetten jongens.” Krijst ze. “Dit is de fietscoupé dus wij hebben gewoon voorrang,” drilled ze verder.
Haar grote sullige rustige man, hierna te noemen: GVR, hobbelt er rustig achteraan. De trein vertrekt om 9.17 uur. Het is pas 9.10 uur. Iedereen die de trein in wil doet dit op zijn of haar dooie akkertje, want kan rekenen. Wat een verschil met onze familie.
Het nadeel van de nieuwe sprinters is dat de deuren automatisch dichtgaan als er even niemand doorheen loopt, een waar wonder der techniek. Onze Akela raakt er echter vreselijk van in de stress. Ze drukt snel op de knop om de deur te openen ten teken dat ze er toch in wil. De deur reageert niet direct op haar verhoede pogingen de deur open te duwen. De deuren schuiven open. Ze gooit zichzelf erin en begint meteen vanuit de coupe Hitleriaans te commanderen. “Hop hop, geen gaten tussen de fietsen laten. De trein vertrekt niet voordat wij er allemaal inzitten! Pap! Jij ook! Snel! Of wilde je weer proberen ertussen uit te piepen? Kom op Marietje, in het wiel van Jacob, we mogen elkaar niet kwijtraken. Straks gaat die deur weer dicht, schiet op! Aansluiten, aansluiten!” het zweet op haar rug werkt zich een weg door haar wieleroutfit.
Nog 6 minuten.
Ik krijg echt zin om op fietsvakantie te gaan als ik dit zo zie. Die heerlijke rust, de wind door je haren, weg van de drukte.
“Niet tegen elkaar die fietsen!” Gaat onze Akela binnen verder. De GVR pakt rustig de fiets van zijn zoon aan en plaatst hem met een bemoedigend knikje naast de eerste. Hij herhaalt dit met de andere rijwielen. “Hoe vaak moet ik dat nog zeggen jongens, zo gaan ze stuk en dan kunnen we niet meer fietsen.” Gevolg hiervan is dat alle 12 opklap zitplekjes bezet zijn door fietsen tegen de tijd dat ze allemaal binnen zijn. Nu schatte ik de Akela niet echt heel sociaal in hoor, maar ze heeft echt schijt aan alles. Een volgende zweetdruppel probeert naarstig haar haar te verlaten, gelijk heeft ie.
Nog 3 minuten.
“We moeten allemaal even blijven staan jongens, het is niet anders. Allemaal binnen blijven hoor. ” Daar staan ze dan tussen de fietsen, zwijgend. De bruine boterhammen met kaas komen uit de fietstassen vergezeld door de onmisbare thermosfles. De GVR kijkt tevreden in zijn thermoskopje koffie. Rust…..
De trein gaat rijden. Muiderpoort, Amstel Station, Duivendrecht. De volgende moet ik er uit. Ik ga vast staan want er viel me iets op. Ik sta naast de GVR en begin hardop te tellen terwijl ik één voor één naar de fietsen wijs. Voorzichtig. 1,2,3, 4,…. 5, de man kijkt me aan en glimlacht samenzweerderig. Ik kom niet verder dan vijf fietsen. Hij maant me tevreden tot zwijgen. “Die van haar staat nog op Amsterdam Centraal,… hebben we straks eindelijk even rust.”
Zoniet deze familie, nee, zij waren van het type ‘hoe vroeger op, hoe meer je aan je dag hebt.’ Ze zijn met z’n zessen, man, vrouw, twee jongetjes en twee meisjes. Met de fiets. Het is droog en halfbewolkt. Een graad of 19. Heerlijk fietsweer lijkt mij. Ik vraag mij dan ook serieus af waarom ze op Amsterdam Centraal op de Sprinter richting Rotterdam staan te wachten. De fietsen zien er burgerlijk onbeschadigd uit en aan het fanatisme waarmee het gezin over het perron springt heeft niemand last van enige vorm van blessureleed.
Ga lekker fietsen zou je zeggen.
Met zo’n druk en groot gezelschap de kleine sprinter betreden is vragen om moeilijkheden. De trein komt er aan en gaat ook stilstaan. Volgens de vrouw is hij te ver doorgereden zoals hij, naar haar zeggen altijd doet, wat mij doet afvragen waarom ze dan niet wat verderop is gaan staan. De deuren gaan open, en de mensen die uit willen stappen doen dit vastberaden. Tot afgrijzen van onze Akela. “Zodra ze er uit zijn, meteen je fiets in de trein zetten jongens.” Krijst ze. “Dit is de fietscoupé dus wij hebben gewoon voorrang,” drilled ze verder.
Haar grote sullige rustige man, hierna te noemen: GVR, hobbelt er rustig achteraan. De trein vertrekt om 9.17 uur. Het is pas 9.10 uur. Iedereen die de trein in wil doet dit op zijn of haar dooie akkertje, want kan rekenen. Wat een verschil met onze familie.
Het nadeel van de nieuwe sprinters is dat de deuren automatisch dichtgaan als er even niemand doorheen loopt, een waar wonder der techniek. Onze Akela raakt er echter vreselijk van in de stress. Ze drukt snel op de knop om de deur te openen ten teken dat ze er toch in wil. De deur reageert niet direct op haar verhoede pogingen de deur open te duwen. De deuren schuiven open. Ze gooit zichzelf erin en begint meteen vanuit de coupe Hitleriaans te commanderen. “Hop hop, geen gaten tussen de fietsen laten. De trein vertrekt niet voordat wij er allemaal inzitten! Pap! Jij ook! Snel! Of wilde je weer proberen ertussen uit te piepen? Kom op Marietje, in het wiel van Jacob, we mogen elkaar niet kwijtraken. Straks gaat die deur weer dicht, schiet op! Aansluiten, aansluiten!” het zweet op haar rug werkt zich een weg door haar wieleroutfit.
Nog 6 minuten.
Ik krijg echt zin om op fietsvakantie te gaan als ik dit zo zie. Die heerlijke rust, de wind door je haren, weg van de drukte.
“Niet tegen elkaar die fietsen!” Gaat onze Akela binnen verder. De GVR pakt rustig de fiets van zijn zoon aan en plaatst hem met een bemoedigend knikje naast de eerste. Hij herhaalt dit met de andere rijwielen. “Hoe vaak moet ik dat nog zeggen jongens, zo gaan ze stuk en dan kunnen we niet meer fietsen.” Gevolg hiervan is dat alle 12 opklap zitplekjes bezet zijn door fietsen tegen de tijd dat ze allemaal binnen zijn. Nu schatte ik de Akela niet echt heel sociaal in hoor, maar ze heeft echt schijt aan alles. Een volgende zweetdruppel probeert naarstig haar haar te verlaten, gelijk heeft ie.
Nog 3 minuten.
“We moeten allemaal even blijven staan jongens, het is niet anders. Allemaal binnen blijven hoor. ” Daar staan ze dan tussen de fietsen, zwijgend. De bruine boterhammen met kaas komen uit de fietstassen vergezeld door de onmisbare thermosfles. De GVR kijkt tevreden in zijn thermoskopje koffie. Rust…..
De trein gaat rijden. Muiderpoort, Amstel Station, Duivendrecht. De volgende moet ik er uit. Ik ga vast staan want er viel me iets op. Ik sta naast de GVR en begin hardop te tellen terwijl ik één voor één naar de fietsen wijs. Voorzichtig. 1,2,3, 4,…. 5, de man kijkt me aan en glimlacht samenzweerderig. Ik kom niet verder dan vijf fietsen. Hij maant me tevreden tot zwijgen. “Die van haar staat nog op Amsterdam Centraal,… hebben we straks eindelijk even rust.”
maandag 25 juli 2011
Mijn droomvakantie
Ik sta ineens als 36 jarige alleen op een camping in de ardennen. Het publiek op de campings in de ardennen kenmerkt zich door het feit dat het gezinnen op vakantie zijn of groepjes jongeren die een weekje of weekendje aan outdoor activiteiten gaan doen. Iedereen is dus jong of samen of allebei. Door verschillende omstandigheden ben ik hier beland, één omstandigheid is het feit dat ik niet in Frankrijk ben bij de ouders van mijn vriendin.
Dan merk je toch ineens dat je geen 20 meer bent. Het begint al bij het inchecken bij de receptie van de camping. Eigenlijk al bij het uitzoeken van de camping, want wat zocht ik eigenlijk? Geen jongerencamping, zoveel zelfbesef heb ik ook wel weer. Maar een familiecamping waar er na elf uur geen geluid mag worden gemaakt ging me ook wel iets te ver. Ik heb er namelijk niets op tegen om tot diep in de nacht bier te drinken met een groep gezellige mensen.
Camping Benelux in La Roche ging het worden. Een gezellige mix van trekkers en families. Een gezellige bar voorziet in het vertier in de avonduren en is open tot 01.00 uur. Dat bood perspectief. Er was zelfs een plek waar men gezellig kon samenzijn rondom een kampvuur. En ze hadden gratis wifi.
Zoals gezegd voelde ik mij al niet perse op mijn gemak bij de receptie. Ik kwam vragen om een plek om een tent neer te zetten. Hoeveel tenten en hoeveel personen vraagt de wat zwaar opgemaakte plusminus 45-jarige brunette me. In eerste instantie antwoord ik niet daar ik ben afgeleidt door de vrij en lustig bungelende borsten in haar tanktop. “Eh,.. une tente pour une persone madame,” antwoord ik stamelend. Ze kijkt me onderzoekend aan, het is niet te zien of het uit interesse is of dat ze het niet helemaal vertrouwt. Halverwege het onderzoekend naar mij kijken stoppen haar borsten eindelijk eens met bewegen. Ik zet de auto zo dicht mogelijk bij het tentenveldje neer en ga op zoek naar een plek om de tent neer te zetten. Ondanks het slechte weer is het veldje redelijk vol. “Heb ik gelukkig nog een beetje kans op wat aanspraak vanavond” denk ik. De meeste kampeerders zijn op pad, ik kan dus niet zien of ik een beetje leuke buren ga krijgen, ik moet mijn plekje dus maar uitzoeken gebaseerd op locatie. Heel professioneel kijk ik omhoog naar de, achter de wolken verscholen, zon om te kijken of die niet om 6 uur ’s ochtends al vol op de tent staat en controleer de grond op haar mate van waterpasheid. Ik besluit schuin achter een boom te gaan staan en gok dat ik ten westen van die boom sta. Ik ga mijn spullen pakken.
Bij mijn auto staat de mevrouw van de receptie. Als ik aankom glimlacht ze betekenisvol en bungelt ze weer richting receptie. Binnen een kwartier ben ik ingericht en zet ik mijn auto weg. Ik loop naar het dorp om wat laatste inkopen te doen. Ondanks mijn redelijk minutieuze planning ben ik toch één en ander vergeten. Zoals daar zijn de fluitketel en de zaklamp. Deze zijn snel gevonden en ik besluit de finale van de touretappe te kijken in een café. Het zit vol met mannen van middelbare leeftijd, ik bestel een biertje en zoek een plekje met goed zicht op de tv. Al snel raak ik in gesprek. “U ook even weg van vrouw en kinderen om onder het genot van een pintje de Tour te kijken?” Vraagt de Belgische man in zijn beste Nederlands. “Nou eigenlijk ben ik hier alleen,” antwoord ik oprecht. De man kijkt me bedenkelijk aan en lacht dan. “Alleen ,.. hier? Hier zijn toch alleen maar gezinnen en groepjes jongeren?” Terwijl hij de betekenis van zijn woorden tot zichzelf door laat dringen krijgt hij een samenzweerderig glimlachje rond zijn mond. “amai, goe gezien ami, ge weet maar nooit.” “Wie zit er in de kopgroep?” probeer ik het onderwerp te veranderen naar iets met een minder vunzige ondertoon.
We babbelen wat over de koers en drinken in iets te rap tempo nog vier trappisten. Buiten miezert het onderhand, niks bijzonders now a days in Europa, ik wandel naar de camping en ga op zoek naar mijn tent. Helaas zit er niemand voor zijn tent in dit kloteweer, dus weet ik nog niet wie, wat en hoe mijn buren zijn. Gezellig op een wankel gastelletje een zakkie pasta opwarmen is ook niet echt een optie dus ik ga in het restaurant maar wat eten, maar niet voordat ik eerst met de onvermijdelijke rol toiletpapier, handdoek en toilettas naar de douche- en toiletruimte ben geschuifeld.
Weer fris en fruitig neem ik plaats aan een tafeltje onder het afdakje, het is per slot van rekening vakantie dus eten we buiten. Her en der zitten gezinnen en stelletjes wat te drinken, en er worden bordspelletjes gespeeld. Allemaal in lekker makkelijk zittende outdoor kleding, zoals kennelijk gebruikelijk in de campingscene. Ik heb voor de gelegenheid bedacht een overhemd aan te trekken en een spijkerbroek, met teenslippers. Het is tenslotte vakantie. Ik val duidelijk uit de toon. De receptioniste is getransformeerd tot serveerster, ze heet mij met haar verleidelijkste glimlach welkom en vraagt wat ik wil drinken.
“Een rode wijn alstublieft mevrouw.” Probeer ik zo afstandelijk mogelijk te zeggen. Al vrees ik dat de trappisten mijn ogen in standje guitig hebben gezet. Diezelfde trappisten hebben haar bungelende vrienden ook een stuk interessanter gemaakt. “En de plat du jour graag,” sluit ik mijn bestelling af.
Ik drink rustig van mijn wijn in afwachting van het eten. De wijn haalt desalniettemin het eten niet. Audrey, de bedienende receptioniste, brengt mij ongevraagd nog een glas met een knipoog ten teken dat het van het huis was. Denk ik. Hierbij vertelde ze ook meteen haar naam. Audrey, ik heb altijd al een zwak gehad voor namen als Audrey. Geen idee waarom. Het tweede wijntje doet me besluiten niet meteen af te taaien na het eten. Het eten volgt snel, en voel ik tijdens het uitserveren nou iets tegen mijn schouder aan duwen…..?
Ik word wakker, vakantie! De auto is snel ingepakt en ik ben er helemaal klaar voor. Eerste stop is La Roche in de ardennen, camping Benelux. Ik loop een laatste ronde door huis, trek er nog een stekker uit want 'je weet maar nooit' en ga op pad. Alleen de grote wereld in, het avontuur lonkt, de zon doet een moedige poging mijn strijdvaardigheid kracht bij te zetten. Ik zet Pearl Jam op en schreeuw hard mee. Dat moet ook wel want zo’n diesel maakt een pokke herrie! Bij Amstelveen hoor ik mezelf ineens heel hard schreeuwen. De snelheid zakt dramatisch, ik vlucht naar de vluchtstrook. Ik sta stil. De motor loopt maar reageert niet op mijn verwoede pogingen het gaspedaal in te drukken. Ik zet de motor uit,… en weer aan. Even lijkt hij het weer te doen, ik manoeuvreer de weg weer op en schakel door. Weer niks, ik rij definitief de vluchtstrook op en bel de ANWB, wordt weggesleept naar een veiliger plek. De Monteur is er snel uit, computer stuk, moet vervangen, in de veiligheidsmodus (stationair en dus 50km/h) terug naar af.
Dan merk je toch ineens dat je geen 20 meer bent. Het begint al bij het inchecken bij de receptie van de camping. Eigenlijk al bij het uitzoeken van de camping, want wat zocht ik eigenlijk? Geen jongerencamping, zoveel zelfbesef heb ik ook wel weer. Maar een familiecamping waar er na elf uur geen geluid mag worden gemaakt ging me ook wel iets te ver. Ik heb er namelijk niets op tegen om tot diep in de nacht bier te drinken met een groep gezellige mensen.
Camping Benelux in La Roche ging het worden. Een gezellige mix van trekkers en families. Een gezellige bar voorziet in het vertier in de avonduren en is open tot 01.00 uur. Dat bood perspectief. Er was zelfs een plek waar men gezellig kon samenzijn rondom een kampvuur. En ze hadden gratis wifi.
Zoals gezegd voelde ik mij al niet perse op mijn gemak bij de receptie. Ik kwam vragen om een plek om een tent neer te zetten. Hoeveel tenten en hoeveel personen vraagt de wat zwaar opgemaakte plusminus 45-jarige brunette me. In eerste instantie antwoord ik niet daar ik ben afgeleidt door de vrij en lustig bungelende borsten in haar tanktop. “Eh,.. une tente pour une persone madame,” antwoord ik stamelend. Ze kijkt me onderzoekend aan, het is niet te zien of het uit interesse is of dat ze het niet helemaal vertrouwt. Halverwege het onderzoekend naar mij kijken stoppen haar borsten eindelijk eens met bewegen. Ik zet de auto zo dicht mogelijk bij het tentenveldje neer en ga op zoek naar een plek om de tent neer te zetten. Ondanks het slechte weer is het veldje redelijk vol. “Heb ik gelukkig nog een beetje kans op wat aanspraak vanavond” denk ik. De meeste kampeerders zijn op pad, ik kan dus niet zien of ik een beetje leuke buren ga krijgen, ik moet mijn plekje dus maar uitzoeken gebaseerd op locatie. Heel professioneel kijk ik omhoog naar de, achter de wolken verscholen, zon om te kijken of die niet om 6 uur ’s ochtends al vol op de tent staat en controleer de grond op haar mate van waterpasheid. Ik besluit schuin achter een boom te gaan staan en gok dat ik ten westen van die boom sta. Ik ga mijn spullen pakken.
Bij mijn auto staat de mevrouw van de receptie. Als ik aankom glimlacht ze betekenisvol en bungelt ze weer richting receptie. Binnen een kwartier ben ik ingericht en zet ik mijn auto weg. Ik loop naar het dorp om wat laatste inkopen te doen. Ondanks mijn redelijk minutieuze planning ben ik toch één en ander vergeten. Zoals daar zijn de fluitketel en de zaklamp. Deze zijn snel gevonden en ik besluit de finale van de touretappe te kijken in een café. Het zit vol met mannen van middelbare leeftijd, ik bestel een biertje en zoek een plekje met goed zicht op de tv. Al snel raak ik in gesprek. “U ook even weg van vrouw en kinderen om onder het genot van een pintje de Tour te kijken?” Vraagt de Belgische man in zijn beste Nederlands. “Nou eigenlijk ben ik hier alleen,” antwoord ik oprecht. De man kijkt me bedenkelijk aan en lacht dan. “Alleen ,.. hier? Hier zijn toch alleen maar gezinnen en groepjes jongeren?” Terwijl hij de betekenis van zijn woorden tot zichzelf door laat dringen krijgt hij een samenzweerderig glimlachje rond zijn mond. “amai, goe gezien ami, ge weet maar nooit.” “Wie zit er in de kopgroep?” probeer ik het onderwerp te veranderen naar iets met een minder vunzige ondertoon.
We babbelen wat over de koers en drinken in iets te rap tempo nog vier trappisten. Buiten miezert het onderhand, niks bijzonders now a days in Europa, ik wandel naar de camping en ga op zoek naar mijn tent. Helaas zit er niemand voor zijn tent in dit kloteweer, dus weet ik nog niet wie, wat en hoe mijn buren zijn. Gezellig op een wankel gastelletje een zakkie pasta opwarmen is ook niet echt een optie dus ik ga in het restaurant maar wat eten, maar niet voordat ik eerst met de onvermijdelijke rol toiletpapier, handdoek en toilettas naar de douche- en toiletruimte ben geschuifeld.
Weer fris en fruitig neem ik plaats aan een tafeltje onder het afdakje, het is per slot van rekening vakantie dus eten we buiten. Her en der zitten gezinnen en stelletjes wat te drinken, en er worden bordspelletjes gespeeld. Allemaal in lekker makkelijk zittende outdoor kleding, zoals kennelijk gebruikelijk in de campingscene. Ik heb voor de gelegenheid bedacht een overhemd aan te trekken en een spijkerbroek, met teenslippers. Het is tenslotte vakantie. Ik val duidelijk uit de toon. De receptioniste is getransformeerd tot serveerster, ze heet mij met haar verleidelijkste glimlach welkom en vraagt wat ik wil drinken.
“Een rode wijn alstublieft mevrouw.” Probeer ik zo afstandelijk mogelijk te zeggen. Al vrees ik dat de trappisten mijn ogen in standje guitig hebben gezet. Diezelfde trappisten hebben haar bungelende vrienden ook een stuk interessanter gemaakt. “En de plat du jour graag,” sluit ik mijn bestelling af.
Ik drink rustig van mijn wijn in afwachting van het eten. De wijn haalt desalniettemin het eten niet. Audrey, de bedienende receptioniste, brengt mij ongevraagd nog een glas met een knipoog ten teken dat het van het huis was. Denk ik. Hierbij vertelde ze ook meteen haar naam. Audrey, ik heb altijd al een zwak gehad voor namen als Audrey. Geen idee waarom. Het tweede wijntje doet me besluiten niet meteen af te taaien na het eten. Het eten volgt snel, en voel ik tijdens het uitserveren nou iets tegen mijn schouder aan duwen…..?
Ik word wakker, vakantie! De auto is snel ingepakt en ik ben er helemaal klaar voor. Eerste stop is La Roche in de ardennen, camping Benelux. Ik loop een laatste ronde door huis, trek er nog een stekker uit want 'je weet maar nooit' en ga op pad. Alleen de grote wereld in, het avontuur lonkt, de zon doet een moedige poging mijn strijdvaardigheid kracht bij te zetten. Ik zet Pearl Jam op en schreeuw hard mee. Dat moet ook wel want zo’n diesel maakt een pokke herrie! Bij Amstelveen hoor ik mezelf ineens heel hard schreeuwen. De snelheid zakt dramatisch, ik vlucht naar de vluchtstrook. Ik sta stil. De motor loopt maar reageert niet op mijn verwoede pogingen het gaspedaal in te drukken. Ik zet de motor uit,… en weer aan. Even lijkt hij het weer te doen, ik manoeuvreer de weg weer op en schakel door. Weer niks, ik rij definitief de vluchtstrook op en bel de ANWB, wordt weggesleept naar een veiliger plek. De Monteur is er snel uit, computer stuk, moet vervangen, in de veiligheidsmodus (stationair en dus 50km/h) terug naar af.
Labels:
Ardennen,
La Roche,
Vakantie,
vluchtstrook
woensdag 13 juli 2011
De alles vernietigende spijt
Hij zit daar op het bankje tegenover de lagere school, diep weggedoken in de capuchon van zijn trui. Over die trui draagt hij nog een dikke vieze jas. Het is herfst en er hangt regen in de lucht. De eerste bladeren beginnen al te vallen, de lucht is kortom zwanger met de aankomende koude. Hij staart naar de grote dichte deur van het kleine schooltje. De deur die weldra open zal gaan om een meute van vreugde schreeuwende kinderen los te laten. Hij zit daar voor dat ene kleine lieve meisje, met die lieve blonde staartjes en die onschuldige blauwe kijkers. Die kijkers die hem zo aan zichzelf doen denken. Het beeld doet zijn maag samentrekken, een traan zoekt zijn weg door de diepe vieze groeven die zijn gezicht tekenen.
“Waar ging het mis?” Denkt hij voor de zoveelste keer bij zichzelf. "Was het die laatste vijf gulden munt? Die munt die eigenlijk voor de boodschappen was maar die ook echt de uitweg uit de ellende leek te zijn, deze keer echt! De munt die verdween in dat verschrikkelijke apparaat bij de snackbar, net als al die andere laatste vijf gulden munten die daar in die gleuf verdwenen?" Hij zucht vol spijt.
Het is bijna zover, als hij heel goed luistert dan hoort hij de stoelen in het schooltje al schuiven. Hoort hij hoe de boekjes in de kleine tasjes verdwijnen en hoe het de kinderstemmetjes zich langzaam van fluistertoon naar hoger volume vervormen. En hoe de juf tot het laatste moment de orde probeert te bewaren.
De opwinding in de klas slaat op hem over, hij gaat eens verzitten. Zijn blik wordt strakker richting de grote deur, zijn oren gespitst op de bel die weldra gaat rinkelen, ter inleiding van het weekend, van het moment dat hij haar ziet lopen.
"Ging het misschien mis bij dat ‘ene’ biertje in het café van ome Cor? Dat ene biertje dat altijd een tweede, derde, vierde en weet ik niet hoeveelste werd? Zou kunnen denkt jij treurig terwijl hij nog een slok van zijn bier neemt en inschat of hij nog een sjeggie zal draaien of dat hij moet wachten omdat de dag nog lang is en hij niet weet of hij daar wel genoeg voor heeft. Hij rolt er nog één en besluit er extra van te genieten.
"Of ging het daarvoor al mis, op zijn werk, toen hij zijn duim eraf zaagde. Wat was dat een bloedbad. Ze hebben de duim niet eens meer teruggevonden. Maar ja. Hij was wel direct uit de roulatie en zonder werk. God wat miste hij het samen zijn met de jongens aan de werkbank, in de kantine, na het werk, wat mistte hij het contact. Ineens moest hij zichzelf vermaken. Zijn vrouw kon er niets mee. En was binnen de kortste keren vertrokken met zijn dochter. Ze had gelijk ook, achteraf. Wat deed hij nou helemaal?" Gokken en drinken. Het leek allemaal zo onschuldig, ooit.
Andere ouders hebben zich verzamelt rondom het schoolpleintje. Hij hoort ze denken: wat moet die vent? En:”Is dat niet die dronkaard die hier elke dag zit? Daar zouden ze toch eens iets aan moeten doen!” Ach, hij is het gewend ondertussen. De vooroordelen.
De bel klinkt. De kinderen rennen de school uit, gillend, schreeuwend! Wel twee hele dagen vrij! Een klein meisje met twee blonde staartjes en hel blauwe ogen rent rechtstreeks naar het bankje recht tegenover het schoolplein. Ze gaat zitten, en wacht. Alle andere kinderen zijn al weg met hun ouders. Ze zit daar helemaal alleen, haar korte beentjes wiebelen van voor naar achter waardoor haar losse veter gezellig heen en weer zwiept. “Mama komt zo hoor,” fluistert ze tegen haar katoenen pop, “en misschien komt papa ook wel vandaag!” Ze kijkt verheugend om zich heen, de lege straten in.
“Waar ging het mis?” Denkt hij voor de zoveelste keer bij zichzelf. "Was het die laatste vijf gulden munt? Die munt die eigenlijk voor de boodschappen was maar die ook echt de uitweg uit de ellende leek te zijn, deze keer echt! De munt die verdween in dat verschrikkelijke apparaat bij de snackbar, net als al die andere laatste vijf gulden munten die daar in die gleuf verdwenen?" Hij zucht vol spijt.
Het is bijna zover, als hij heel goed luistert dan hoort hij de stoelen in het schooltje al schuiven. Hoort hij hoe de boekjes in de kleine tasjes verdwijnen en hoe het de kinderstemmetjes zich langzaam van fluistertoon naar hoger volume vervormen. En hoe de juf tot het laatste moment de orde probeert te bewaren.
De opwinding in de klas slaat op hem over, hij gaat eens verzitten. Zijn blik wordt strakker richting de grote deur, zijn oren gespitst op de bel die weldra gaat rinkelen, ter inleiding van het weekend, van het moment dat hij haar ziet lopen.
"Ging het misschien mis bij dat ‘ene’ biertje in het café van ome Cor? Dat ene biertje dat altijd een tweede, derde, vierde en weet ik niet hoeveelste werd? Zou kunnen denkt jij treurig terwijl hij nog een slok van zijn bier neemt en inschat of hij nog een sjeggie zal draaien of dat hij moet wachten omdat de dag nog lang is en hij niet weet of hij daar wel genoeg voor heeft. Hij rolt er nog één en besluit er extra van te genieten.
"Of ging het daarvoor al mis, op zijn werk, toen hij zijn duim eraf zaagde. Wat was dat een bloedbad. Ze hebben de duim niet eens meer teruggevonden. Maar ja. Hij was wel direct uit de roulatie en zonder werk. God wat miste hij het samen zijn met de jongens aan de werkbank, in de kantine, na het werk, wat mistte hij het contact. Ineens moest hij zichzelf vermaken. Zijn vrouw kon er niets mee. En was binnen de kortste keren vertrokken met zijn dochter. Ze had gelijk ook, achteraf. Wat deed hij nou helemaal?" Gokken en drinken. Het leek allemaal zo onschuldig, ooit.
Andere ouders hebben zich verzamelt rondom het schoolpleintje. Hij hoort ze denken: wat moet die vent? En:”Is dat niet die dronkaard die hier elke dag zit? Daar zouden ze toch eens iets aan moeten doen!” Ach, hij is het gewend ondertussen. De vooroordelen.
De bel klinkt. De kinderen rennen de school uit, gillend, schreeuwend! Wel twee hele dagen vrij! Een klein meisje met twee blonde staartjes en hel blauwe ogen rent rechtstreeks naar het bankje recht tegenover het schoolplein. Ze gaat zitten, en wacht. Alle andere kinderen zijn al weg met hun ouders. Ze zit daar helemaal alleen, haar korte beentjes wiebelen van voor naar achter waardoor haar losse veter gezellig heen en weer zwiept. “Mama komt zo hoor,” fluistert ze tegen haar katoenen pop, “en misschien komt papa ook wel vandaag!” Ze kijkt verheugend om zich heen, de lege straten in.
zondag 3 juli 2011
De buik van Aida
De trein staat stil voor het centraal station van Amsterdam ter hoogte van de passenger Terminal. Op zijn hollands gezegd: De aanlegplaats voor passagiersschepen. De hele grote blauwe letters die samen AIDA vormen vallen me al snel op. Ze zijn geplakt op de dikke buik van een groot wit cruiseschip. Het grote schip met de exotische naam brengen mijn gedachten op hol. Het is minstens 100 graden in de trein dus mijn lichaam is al helemaal in de verre oorden stemming, Aida heeft mijn geest verder op weg geholpen.
Terwijl de zon de coupe nog verder opwarmt waan ik mij op het voordek van het schip, op een strandstoel naast het zwembad. De golven die tegen het schip beuken doen dit in een aangenaam ritme en een lekker geluidsniveau. Het ritme wordt af en toe verstoord door een plonzende medemens. Lachend kijk ik goedkeurend over mijn zonnebril naar de bikini dragende dader en ga verder met mijn eigen gedachten. Onze bartender, uiteraard van Antilliaanse afkomst, lacht luid en aanstekelijk terwijl hij de heerlijkste cocktails klaarmaakt. Al moet gezegd dat hij wat scheutig is met de alcohol, vooral bij de blonde vrouwen. Maar goed, wat geeft het, we hoeven nergens heen.
Tussen het zonnebadend cocktails drinken door worden we losgelaten in de meest sprookjesachtige dorpjes die de Oriënt rijk is. Daar waar de mensen nog geloven in geesten uit flessen en waar nog sultans met een tulband en met gekromd zwaard aan de heup rondlopen. Waar buikdansen nog opwindend is in plaats van wanstaltig. Waar kleine aapjes een pakje aanhebben en aandoenlijke dingen doen. In de kleine broeierige steegjes roken we waterpijp met de lokale bevolking nadat we ons te goed hebben gedaan aan sappige lamsbouten, verse vijgen en dadels en heerlijk soepele rode wijn uit van die gezellige leren zakken. De gouden belletjes om de heupen van de buikdanseresjes klingelen er lustig op los en één van mijn blonde reisgenotes begint spontaan mee te doen, en, of ze heeft het eerder gedaan of de magische sfeer in combinatie met de zwoele temperatuur en gul geschonken wijn missen hun uitwerking niet.Tot diep in de nacht drinken we, dansen we en genieten we van de gastvrijheid.
Waar een tijd van komen is komt ook een tijd van gaan. Ik neem afscheid van mijn nieuwe vrienden, ik beloof ze nog vaker op te zoeken en ga op zoek naar Aida. In de hoop dat ik de weg nog kan terugvinden in dit labyrint, dwaal ik door kleine en spannende steegjes. Hopend dat ik niet verstrikt raak in het web van bedwelmende pijp tabak en waarzeggers achter dikke zware gordijnen. Het duizelt, en ik ben mijn oriëntatie kwijt. Ik ga van steegje naar steegje. Door achteraf kamertjes, door kelders en steeds weer wenkt een mysterieus fluisterend personage dat hij weet waar ik naar toe moet.Elke ruimte komt uit in weer een andere straat. Nadat ik voor mijn gevoel wel door duizend en één gordijnen ben gelopen sta ik ineens in de haven. Aida is rood, groen en geel verlicht. Ze verwelkomt me door haar ladder te laten zakken en me binnen te laten. Op het voordek bij het zwembad staat de bartender, uiteraard van Antilliaanse afkomst, lachend zijn cocktails te bereiden. Hij wenkt me, in het zwembad is nog volop actie. “Kom” zegt ie, “drink er nog er met me en geniet van deze mooie avond. Geniet ervan voordat de dag haar weer opslokt.”
“Kijk dat grote witte schip moeten we hebben moeder!” zegt de man die tegenover mij zit tegen zijn vrouw naast me. De warmte heeft natte plekken gemaakt onder hun oksels en borsten. Ze zijn op respectabele leeftijd en klaar voor hun reis naar de Oriënt, met Aida. In kaki driekwart broek, sokken in hun sandalen en in hun survival overhemd. De ooit blonde vrouw kijkt verlangend naar buiten: “ik ben blij als ik met een cocktail aan dat zwembad op het voordek lig.”
Labels:
AIDA,
aida reizen,
cocktails,
Cruise,
cruiseschip
Abonneren op:
Posts (Atom)





