Eenmaal heb ik het aangedurfd, ik was pas net begonnen met wielrennen en was onbevreesd. Onwetend vooral. Ik had jarenlang op een mountainbike de meest onbegaanbare paden in de Alpen overwonnen. Dus hoe erg konden die paar kilometer keitjes daar in dat Vlaamse land nou eigenlijk zijn? Die 140 km kon ik ook wel aan, ik had wel vaker meer dan vier uur op de fiets gezeten.
De ‘Ronde’ ging gereden worden.
De eerste, koude, kilometers gaan vlotjes over de immer glooiende wegen. Het is kraakhelder en de zon verwarmt al snel mijn benen en doet het bloed weer in vingers en tenen stromen. Waar ik ook kijk, alles en iedereen ademt wielrennen. Dit wordt een top dag!
Ik pik aan bij een grote groep die het tempo er lekker in heeft. De heerlijk prikkende geur van massage olie en tijgerbalsem maakt het wielerplaatje compleet en binnen no time zitten de eerste 35 kilometer er op. Van enthousiasme neem ik een keer over en rij ik op kop van een vijftigtal wielrenners. Ik rijd de Ronde! Er is nog geen vuiltje aan de lucht maar van de TV herken ik deze brede baan die vooral bergafwaarts gaat. Met een snelheid van 70 km/pu razen we naar beneden. Naar de eerste hindernis.
Ineens slaan we af en is de weg drie keer smaller. Asfalt heeft plaats gemaakt voor keien en de hellingsgraad is veranderd van dalen naar stijgen. Ik heb niet goed geschakeld en moet op een iets te zware versnelling de Molenberg op. Het gehobbel valt hier mee al is het oppassen dat je wiel niet wegglipt. Harkend kom ik boven. Mijn eerste echte Vlaamse berg is een feit. ik glunder van top tot teen.
Vol goede moed ga ik verder. Het groepje is uiteen geslagen maar al snel ontstaat er een nieuwe. ‘Volle vaart vooruit’ staat er op een shirt voor me en dat lijkt me een zeer goede instelling voor het vervolg van dit avontuur. Vanaf een lekker lopende weg slaan we scherp linksaf.
Bonk, klets, kledder, pang, kloink, hots, klots. De hel breekt los. De paddenstraat. De langste kasseienstrook uit de Ronde, en de slechtste. De eerste 113 en een halve meter gaan nog best goed maar daarna is de snelheid eruit en is het werken geblazen. “Spanning op de benen houden en de handen losjes bovenop het stuur”, zo zeggen ze. Maar hoe in godsnaam? Ik stuiter van links naar rechts en wil een richting kiezen maar mijn fiets beslist steeds anders. Waardoor ik het stuur weer iets strakker vastklem met mijn knuisten wat als gevolg heeft dat elke trilling rechtstreeks mijn schouders en nek inslaat. Bidons, pompjes, reepjes, jasjes, brillen fietsbanden, mannen en vrouwen zie ik langs de weg liggen. Van ellende of gewoon omdat ze een band moeten plakken. Hobbelend, botsend, vloekend en tierend smeek ik om het einde. Tom Boonen zat hier ooit doodleuk aan Armstrong uit te leggen hoe en waar hij moest rijden. Armstrongs’ blik sprak boekdelen: How? Fucking how do you do that?!
Als de keien overgaan in asfalt laat ik een traan van genot.
De volgende hindernis van naam is de Koppenberg. Een slecht aangelegde puist met stukken van 24% of 22% maar een kniesoor die daar op let. Kapot ga je sowieso. De berg wordt steiler en steiler. Ondanks dat de stenen net zijn gelegd liggen ze er beroerd bij. Ik moet slingeren om de lopers (losers) te ontwijken, desondanks gaat het redelijk goed, ik ga het halen. Melkzuur spuit uit mijn poriën. In een flits zie ik een bekend gezicht, ik herken haar niet meteen. Ze moedigt me aan, wat leuk is. Ze vraagt iets, ik antwoord niet, kijk naar voren, trappen, focus. Het steilste stuk dient zich aan. Ik heb hier goed profs in topvorm zien afstappen. Ik denk er niet aan. En rij door. Stapvoets. Boven stap ik voor het eerst af. Smijt mijn fiets in het gras en buig voorover, en weer naar achter. Happen naar adem heet dit. Min moeder is naar boven gekomen: “Zag je me niet?” vraagt ze. “Cippolini reed naast je.”
De Ronde van Vlaanderen dus
Er volgen nog een aantal kasseistroken en wat bergjes. De paterberg, kruisberg haaghoek Oude Kwaremont, Berendries, etc. Allemaal als opwarmertje voor die ene heilige puist in het mooie stadje Geraardsbergen. Over het plein naar Links, aldus het bordje met het magische woord ‘MUUR’. De weg stijgt lichtjes maar de benen beginnen serieus te kraken. Gehobbel en geklim hebben zich als scherpe naalden in mijn dijbenen en kuiten genesteld. Dan gaat de weg scherp naar rechts en daar zijn de kinderkopjes ook weer. We rijden het bos in en het stijgingspercentage wordt nu echt serieus. Net als de pijn in mijn benen en longen.
Ik ga het niet halen,
Ik ga het niet halen
Ik ga het godverdomme niet halen!!
Alléé manneke! Trappe!! Hoor ik naast me en nu valt me op dat de hele berg tjokvol mensen staat. Toeschouwers die iedereen een hart onder de riem steken. De geur van bier en hamburgers blijft hangen onder de bomen. Ik ga niet lopen voor al deze mensen besluit ik en ik ga nog maar eens op de pedalen staan. Ik verbijt de kramp die als messteken door mijn bovenbenen schiet. Het eerste steile stuk is gehaald, de bocht om en dan nog een kasseienpad dat rechtstreeks omhoog naar de hemel lijkt te gaan. De kapelmuur. Ik verbijt me nog éénmaal en kom heelhuids boven bij het kapelletje aan. Ik sla een kruisje. Voel me euforisch. Ondanks de bloedsmaak die vanuit mijn longen mijn mond in komt. Ik heb het gehaald! Ik heb ‘de MUUR’ overwonnen
Nog 20 kilometer en één berg. Eitje! En dan wacht mij een heerlijke trappist en een hele grote bak friet. Ik ben een Flandrien!
vrijdag 30 maart 2012
donderdag 22 maart 2012
Oogcontact van het eenzaamste soort (Spinvis)
De bar is vol en warm en klam, ondanks het feit dat er geen dak op zit. Het is midden juli ergens op een Grieks eiland midden in de azuurblauwe zee. Zoals het op elk Grieks eiland gaat in het hoogseizoen hangt de lucht vol met seksuele verwachtingen. Jongens gedragen haantjes en de meisjes als gewillige kippetjes. De feromonen spuiten uit ieder zijn poriën door de aanblik van strakke jurkjes en nog strakkere hotpants aangevuld met wellicht iets te kleine topjes. Lustige blikken kruizen elkaar in rap tempo, af en toe blijft er een setje hangen. Maar het is nog te vroeg. Eerst moet er nog flink gedronken en gedanst worden voordat er daadwerkelijk actie ondernomen wordt, het voorspel der voorspelen. Rijst natuurlijk de vraag wat ik hier doe?
Ik ben hier alleen, en op de vlucht. Op de vlucht voor thuis, op de vlucht voor verloren liefdes en op de vlucht voor de algehele misère waarin ik thuis verzeild ben geraakt. Bijgevolg werk ik hier dus op deze Griekse versie van Sodom & Gomorra.
Leek me goed voor mijn ontwikkeling.
Mijn werkzaamheden bestaan uit het rondleiden van brakke toeristen over dit, overigens mooie, eiland. Op een mountainbike. De eerste twee maanden heb ik niets anders gedaan dan precies dat. Te moe, te lamlendig en te chagrijnig om ook maar enigszins te genieten van alles wat dit eiland verder te bieden heeft. Daar komt bij dat de werkzaamheden minder romantisch zijn dan vooraf ingeschat. Na de ritjes met de olijke toeristen moeten de fietsen schoongemaakt, afgesteld en opgeborgen. Als ik om elf uur eindelijk eens aan mijn avondeten kan beginnen heb ik mazzel. Niks drinken en feesten met de gezellige vakantiegangers die natuurlijk zwaar onder de indruk zijn mijn gebruinde gespierde kuiten.
Morgen ben ik eindelijk vrij, en die dag erna ook. De reisleiders met wie ik veel contact heb tijdens mijn werk zouden in deze club ’s avonds altijd bij elkaar komen om een feestje te bouwen. Één van hen vond het wel een goed idee voor mij om daar ook eens bij te zijn. Ik loop richting bar, heb nog niemand gezien wat mij de gelegenheid geeft om eens rustig te aanschouwen wat hier allemaal gebeurt. Bij de blonde Nederlandse en rondborstige barvrouw bestel ik een biertje. Een koude Mythos wordt mij knipogend aangereikt. Een twinkeling schiet via mijn ogen richting mijn onderbuik. Het was alweer even geleden en ik denk een uitnodiging te herkennen.
Ze gaat verder met haar werk en knipoogt het ene na het andere biertje weg. Ik draai me om en vergeet haar zo goed en kwaad als het gaat. Ik overzie de menigte, een krioelende massa zwetend mensenvlees, zich voorbereidend op dat ene hoogtepunt dat de avond en voor anderen de vakantie geslaagd moet maken.
Plots blijft mijn blik hangen, onvermijdelijk. Ze is duidelijk niet Hollands, Duits, Engels, Scandinavisch of anderszins noord europees. Diepe en grote donkere ogen kijken heerlijk vernietigend recht in mijn ziel. Ik krijg het warm. Haar donkere krullen vallen nonchalant en luchtig over haar blote schouders. Grote zilveren oorringen verstrengelen zich als gepassioneerde geliefden met deze donkere lokken. Haar lichaam heeft de rondingen van de mooiste Egyptische koninginnen. Een Griekse Cleopatra. De rest van de discotheek vervaagt tot een wazige bewegende menigte, het enige dat nog scherp staat is deze betoverend mooi vrouw. Haar lichaam beweegt traag mee met het snelle ritme van de muziek. Onze blikken laten elkaar niet los ondanks dat ze aan de andere kant van de ruimte staat. Ze loopt, nee schrijdt van de ene kant van de zaak langzaam naar de andere. Zo’n 300 mensen verhinderen direct contact, we blijven elkaar aankijken, ze glimlacht. Lief, mooi en een tikkeltje verlegen. Een haarlok valt voor haar ogen, haar slanke hand werkt deze routineus weer naar achter, haar ogen vallen een moment neer om met een weldaad aan pracht weer te openen.
Ik moet iets doen. Nu. Ik vraag me af waar ze naar toe loopt, totdat ze stil blijft staan. Recht tegenover me. Heel even verbeeld ik mij dat de mensenmassa, als ware zij de Rode Zee voor Mozes, zich opent en dat we naar elkaar toe lopen om elkaar vurig te kussen en elkaar nooit meer los te laten. De mensenmassa beweegt er niet minder om maar is ook niet van plan maar één millimeter te wijken.
Ik moet iets doen.
Ik gebaar of ze iets wil drinken, maar ja hoe doe je zoiets in het Grieks? Op het moment dat ik nadenk over wat ik nu aan het doen ben of zou moeten doen, doet ze me heel erg denken aan de reden waarom ik hier ben. Pijn schiet door mijn hart en verdrijft de geveinsde euforie die zich eerder van mij meester maakte. Een knoop schiet in mijn maag, ik staak mijn pogingen haar iets duidelijk te maken. Ze glimlacht en loopt door naar waar ze naar toe ging. Alles wordt weer scherp, de muziek dringt ineens weer als een irritante mug mijn oren binnen. Ik bestel haastig nog een biertje, de barvrouw zet het zonder blikken of blozen voor me neer.
Ik realiseer me dat de pijn waarvoor ik vlucht ook niet thuis is gebleven. Ik neem een slok en nog één en dan klok het koude bier in één keer achterover. Overmand door eenzaamheid in deze steeds heftiger bewegende mensenmassa die totaal geen last schijnt te hebben van enige emotionele beperkingen vlucht ik naar buiten. Bij het naar buiten lopen zie ik haar weer staan, ze ziet me niet. Ik loop vlak langs haar en neem haar geur voor de rest van de nacht met me mee.
Ik ben hier alleen, en op de vlucht. Op de vlucht voor thuis, op de vlucht voor verloren liefdes en op de vlucht voor de algehele misère waarin ik thuis verzeild ben geraakt. Bijgevolg werk ik hier dus op deze Griekse versie van Sodom & Gomorra.
Leek me goed voor mijn ontwikkeling.
Mijn werkzaamheden bestaan uit het rondleiden van brakke toeristen over dit, overigens mooie, eiland. Op een mountainbike. De eerste twee maanden heb ik niets anders gedaan dan precies dat. Te moe, te lamlendig en te chagrijnig om ook maar enigszins te genieten van alles wat dit eiland verder te bieden heeft. Daar komt bij dat de werkzaamheden minder romantisch zijn dan vooraf ingeschat. Na de ritjes met de olijke toeristen moeten de fietsen schoongemaakt, afgesteld en opgeborgen. Als ik om elf uur eindelijk eens aan mijn avondeten kan beginnen heb ik mazzel. Niks drinken en feesten met de gezellige vakantiegangers die natuurlijk zwaar onder de indruk zijn mijn gebruinde gespierde kuiten.
Morgen ben ik eindelijk vrij, en die dag erna ook. De reisleiders met wie ik veel contact heb tijdens mijn werk zouden in deze club ’s avonds altijd bij elkaar komen om een feestje te bouwen. Één van hen vond het wel een goed idee voor mij om daar ook eens bij te zijn. Ik loop richting bar, heb nog niemand gezien wat mij de gelegenheid geeft om eens rustig te aanschouwen wat hier allemaal gebeurt. Bij de blonde Nederlandse en rondborstige barvrouw bestel ik een biertje. Een koude Mythos wordt mij knipogend aangereikt. Een twinkeling schiet via mijn ogen richting mijn onderbuik. Het was alweer even geleden en ik denk een uitnodiging te herkennen.
Ze gaat verder met haar werk en knipoogt het ene na het andere biertje weg. Ik draai me om en vergeet haar zo goed en kwaad als het gaat. Ik overzie de menigte, een krioelende massa zwetend mensenvlees, zich voorbereidend op dat ene hoogtepunt dat de avond en voor anderen de vakantie geslaagd moet maken.
Plots blijft mijn blik hangen, onvermijdelijk. Ze is duidelijk niet Hollands, Duits, Engels, Scandinavisch of anderszins noord europees. Diepe en grote donkere ogen kijken heerlijk vernietigend recht in mijn ziel. Ik krijg het warm. Haar donkere krullen vallen nonchalant en luchtig over haar blote schouders. Grote zilveren oorringen verstrengelen zich als gepassioneerde geliefden met deze donkere lokken. Haar lichaam heeft de rondingen van de mooiste Egyptische koninginnen. Een Griekse Cleopatra. De rest van de discotheek vervaagt tot een wazige bewegende menigte, het enige dat nog scherp staat is deze betoverend mooi vrouw. Haar lichaam beweegt traag mee met het snelle ritme van de muziek. Onze blikken laten elkaar niet los ondanks dat ze aan de andere kant van de ruimte staat. Ze loopt, nee schrijdt van de ene kant van de zaak langzaam naar de andere. Zo’n 300 mensen verhinderen direct contact, we blijven elkaar aankijken, ze glimlacht. Lief, mooi en een tikkeltje verlegen. Een haarlok valt voor haar ogen, haar slanke hand werkt deze routineus weer naar achter, haar ogen vallen een moment neer om met een weldaad aan pracht weer te openen.
Ik moet iets doen. Nu. Ik vraag me af waar ze naar toe loopt, totdat ze stil blijft staan. Recht tegenover me. Heel even verbeeld ik mij dat de mensenmassa, als ware zij de Rode Zee voor Mozes, zich opent en dat we naar elkaar toe lopen om elkaar vurig te kussen en elkaar nooit meer los te laten. De mensenmassa beweegt er niet minder om maar is ook niet van plan maar één millimeter te wijken.
Ik moet iets doen.
Ik gebaar of ze iets wil drinken, maar ja hoe doe je zoiets in het Grieks? Op het moment dat ik nadenk over wat ik nu aan het doen ben of zou moeten doen, doet ze me heel erg denken aan de reden waarom ik hier ben. Pijn schiet door mijn hart en verdrijft de geveinsde euforie die zich eerder van mij meester maakte. Een knoop schiet in mijn maag, ik staak mijn pogingen haar iets duidelijk te maken. Ze glimlacht en loopt door naar waar ze naar toe ging. Alles wordt weer scherp, de muziek dringt ineens weer als een irritante mug mijn oren binnen. Ik bestel haastig nog een biertje, de barvrouw zet het zonder blikken of blozen voor me neer.
Ik realiseer me dat de pijn waarvoor ik vlucht ook niet thuis is gebleven. Ik neem een slok en nog één en dan klok het koude bier in één keer achterover. Overmand door eenzaamheid in deze steeds heftiger bewegende mensenmassa die totaal geen last schijnt te hebben van enige emotionele beperkingen vlucht ik naar buiten. Bij het naar buiten lopen zie ik haar weer staan, ze ziet me niet. Ik loop vlak langs haar en neem haar geur voor de rest van de nacht met me mee.
Labels:
Cleopatra,
Corfu,
Griekenland,
liefde,
oogcontact,
Spinvis
zondag 12 februari 2012
Het gewone leven wint altijd
Glibberend en glijdend baan ik mij een weg richting het station. De zon van gisteren en de vorst van vannacht hebben de sneeuw veranderd in een ijslaag op sommige plekken. Daar had ik dus geen rekening mee gehouden en ik doe er derhalve vijf minuten langer over om het station te bereiken. Ik mis mijn trein, op zich is dit niet zo erg, er gaat een paar minuren later nog een trein en dan ben ik ook nog op tijd op mijn werk.
Nipt weliswaar.
De trein slaat in volle vaart station Haarlem Spaarnwoude over. ‘Lekker,’ denk ik nog. ‘dat scheelt weer een paar minuten.’ Waarna de trein abrupt, meedogenloos en schokkend begint te remmen. Piepend en scheurend komt de trein tot stilstand, de grote Surinaamse familie voor mij ligt door elkaar heen. De goed verpakte broodjes hete kip vullen de coupé, met exotische geuren. Een doos speelgoed valt luid klaterend op de grond als de trein met een laatste kreunende schok echt tot stilstand komt.
Wat rest is stilte. Iedereen houdt zijn adem in.
De stilte wordt onderbroken door veelal vragende zinnen van de inzittenden. ‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’ is doorgaans de strekking van de vragen.
Een krakende en twijfelende stem klinkt overduidelijk geschrokken vervolgens over de intercom……..Beste reizigers, wij hebben helaas een aanrijding met een persoon gehad. Wij volgen vanaf nu het protocol voor deze situaties. Dit kan helaas wel anderhalf uren. Wij vragen uw begrip voor deze situatie en wij zullen u zo goed mogelijk op de hoogte houden van de stand van zaken. Nogmaals onze excuses en bij voorbaat dank voor uw begrip.
Fuck! Vloek ik zacht, dat horten en stoten kwam dus doordat er een lichaam onder de trein lag. Een koude rilling trekt door mijn lijf. De commotie in de coupé zwelt ondertussen aan. Telefoons worden uit zakken gediept, wachtenden worden gebeld. Met een vreemd soort enthousiasme vertelt de man naast mij waarom hij te laat gaat komen. De Surinaamse familie raakt lichtelijk in paniek: “Dat geloof je toch niet! Uitgerekend op de dag dat je gedoopt gaat worden gebeurd dit. Het is toch ongelooflijk! Niet te geloven gewoon. Waren we maar niet in Haarlem gebleven gisteren, dan had je gewoon op tijd voor de heer kunnen verschijnen. Echt ongelooflijk,” jammert de vrouw naar haar kleinzoon, die ook duidelijk teleurgesteld is.
Tja. Geloof. Als ik een ploeg ambulancebroeders en een handvol agenten kijkend onder de trein voorbij zie lopen weet ik zeker dat dit in ieder geval wel echt is….
Ze blijven ter hoogte van mijn raam staan en pakken een handschoen op. Ze kijken me bewust niet aan. Pakken de handschoen in en lopen gebukt en loerend onder de trein verder. Nog meer mensen in allerlei uniformen verzamelen zich langs de trein, druk discussierend en wijzend. Er ligt daar dus iemand, maar waarom? Was het slachtoffer radeloos, zag hij of zij er geen gat meer en kon maar aan één ding denken? Had het leven deze ziel zo beschadigd dat deze chaos, en wellicht ook irritatie, een verlichting betekende? Of was hier sprake van een noodlottig ongeval? Gleed er iemand uit over een glad stukje perron juist op het moment dat de trein in volle vaart aan kwam rijden? We reden tenslotte langs station Haarlem Spaarnwoude, niet de ideale plek om voor een trein te springen lijkt me.
Alle hoop dat het slachtoffer wellicht nog in leven is vervliegt als er over het andere spoor een karretje komt langsrijden met daarop een kunststof doodskist. Voortgeduwd door een statig uitziende man in een zwart pak, gevolgd door een net zo neutraal kijkende vrouw in hetzelfde pak.
Ik huiver.
De intercom meldt weer krakend dat we bijna verder kunnen.
Na een kwartier komt de trein krakend in beweging. Langzaam rijden we langs de groep mensen die zo plotseling en ongevraagd werd belast met deze tragedie. De lijkschouwer klikt de laatste sluiting van de kist dicht. Ik denk aan de machinist. Ik neem welgevoegelijk aan dat het niet dezelfde is als de man die anderhalf uur eerder krampachtig op de rem trapte om tegen beter weten in op tijd stil te staan. Desalniettemin zal deze man ook niet op zijn gemak de trein richting Amsterdam rijden…...
De trein vertoont nog sporen van het slachtoffer als we aankomen in Amsterdam, lange vegen bloed lopen langs het geel van het eerste treinstel. Iedereen kijkt en is even stil. De omroepster herhaalt nog maar eens dat er geen treinverkeer mogelijk is vanwege een aanrijding met een persoon.
Gezucht en gesteun en gevloek. Ik vlucht het station uit.
Op de terugweg denk ik weer aan de heenreis. Ter hoogte van de bewuste plek kijk ik uit het raam, zou er nog iets te zien zijn? Ligt er een bloemetje? Is er iets terug te zien van wat er gebeurd is? Ik kijk harder dan ik ooit gekeken heb, op zoek naar iets. Niets is er terug te zien van het eerder afgespeelde drama. Op het perron van het bewuste station staan mensen te wachten, te dicht langs de rand naar mijn zin. Ze willen naar huis, logisch. Verder is er niets, geen afzetlint, geen gewoel in de sneeuw. Er is net een nieuwe laag gevallen, alle sporen zijn ondergesneeuwd. Het gewone leven heeft weer gewonnen.
Nipt weliswaar.
De trein slaat in volle vaart station Haarlem Spaarnwoude over. ‘Lekker,’ denk ik nog. ‘dat scheelt weer een paar minuten.’ Waarna de trein abrupt, meedogenloos en schokkend begint te remmen. Piepend en scheurend komt de trein tot stilstand, de grote Surinaamse familie voor mij ligt door elkaar heen. De goed verpakte broodjes hete kip vullen de coupé, met exotische geuren. Een doos speelgoed valt luid klaterend op de grond als de trein met een laatste kreunende schok echt tot stilstand komt.
Wat rest is stilte. Iedereen houdt zijn adem in.
De stilte wordt onderbroken door veelal vragende zinnen van de inzittenden. ‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’ is doorgaans de strekking van de vragen.
Een krakende en twijfelende stem klinkt overduidelijk geschrokken vervolgens over de intercom……..Beste reizigers, wij hebben helaas een aanrijding met een persoon gehad. Wij volgen vanaf nu het protocol voor deze situaties. Dit kan helaas wel anderhalf uren. Wij vragen uw begrip voor deze situatie en wij zullen u zo goed mogelijk op de hoogte houden van de stand van zaken. Nogmaals onze excuses en bij voorbaat dank voor uw begrip.
Fuck! Vloek ik zacht, dat horten en stoten kwam dus doordat er een lichaam onder de trein lag. Een koude rilling trekt door mijn lijf. De commotie in de coupé zwelt ondertussen aan. Telefoons worden uit zakken gediept, wachtenden worden gebeld. Met een vreemd soort enthousiasme vertelt de man naast mij waarom hij te laat gaat komen. De Surinaamse familie raakt lichtelijk in paniek: “Dat geloof je toch niet! Uitgerekend op de dag dat je gedoopt gaat worden gebeurd dit. Het is toch ongelooflijk! Niet te geloven gewoon. Waren we maar niet in Haarlem gebleven gisteren, dan had je gewoon op tijd voor de heer kunnen verschijnen. Echt ongelooflijk,” jammert de vrouw naar haar kleinzoon, die ook duidelijk teleurgesteld is.
Tja. Geloof. Als ik een ploeg ambulancebroeders en een handvol agenten kijkend onder de trein voorbij zie lopen weet ik zeker dat dit in ieder geval wel echt is….
Ze blijven ter hoogte van mijn raam staan en pakken een handschoen op. Ze kijken me bewust niet aan. Pakken de handschoen in en lopen gebukt en loerend onder de trein verder. Nog meer mensen in allerlei uniformen verzamelen zich langs de trein, druk discussierend en wijzend. Er ligt daar dus iemand, maar waarom? Was het slachtoffer radeloos, zag hij of zij er geen gat meer en kon maar aan één ding denken? Had het leven deze ziel zo beschadigd dat deze chaos, en wellicht ook irritatie, een verlichting betekende? Of was hier sprake van een noodlottig ongeval? Gleed er iemand uit over een glad stukje perron juist op het moment dat de trein in volle vaart aan kwam rijden? We reden tenslotte langs station Haarlem Spaarnwoude, niet de ideale plek om voor een trein te springen lijkt me.
Alle hoop dat het slachtoffer wellicht nog in leven is vervliegt als er over het andere spoor een karretje komt langsrijden met daarop een kunststof doodskist. Voortgeduwd door een statig uitziende man in een zwart pak, gevolgd door een net zo neutraal kijkende vrouw in hetzelfde pak.
Ik huiver.
De intercom meldt weer krakend dat we bijna verder kunnen.
Na een kwartier komt de trein krakend in beweging. Langzaam rijden we langs de groep mensen die zo plotseling en ongevraagd werd belast met deze tragedie. De lijkschouwer klikt de laatste sluiting van de kist dicht. Ik denk aan de machinist. Ik neem welgevoegelijk aan dat het niet dezelfde is als de man die anderhalf uur eerder krampachtig op de rem trapte om tegen beter weten in op tijd stil te staan. Desalniettemin zal deze man ook niet op zijn gemak de trein richting Amsterdam rijden…...
De trein vertoont nog sporen van het slachtoffer als we aankomen in Amsterdam, lange vegen bloed lopen langs het geel van het eerste treinstel. Iedereen kijkt en is even stil. De omroepster herhaalt nog maar eens dat er geen treinverkeer mogelijk is vanwege een aanrijding met een persoon.
Gezucht en gesteun en gevloek. Ik vlucht het station uit.
Op de terugweg denk ik weer aan de heenreis. Ter hoogte van de bewuste plek kijk ik uit het raam, zou er nog iets te zien zijn? Ligt er een bloemetje? Is er iets terug te zien van wat er gebeurd is? Ik kijk harder dan ik ooit gekeken heb, op zoek naar iets. Niets is er terug te zien van het eerder afgespeelde drama. Op het perron van het bewuste station staan mensen te wachten, te dicht langs de rand naar mijn zin. Ze willen naar huis, logisch. Verder is er niets, geen afzetlint, geen gewoel in de sneeuw. Er is net een nieuwe laag gevallen, alle sporen zijn ondergesneeuwd. Het gewone leven heeft weer gewonnen.
woensdag 25 januari 2012
gebak op je verjaardag
Ik loop door een straat, een straat in IJmuiden. Zijn straat. Ik herken het hier vaag. Het is ook al weer best een tijd geleden dat ik hier voor het laatst was. Ik loop aan de overkant van de straat en herken een raam. Er staan planten achter zoals er waarschijnlijk altijd planten hebben gestaan en altijd zullen staan. Op die paar dagen na dan dat er echt niemand woonde, ik had de planten meegenomen. Daar mocht niets mee gebeuren, dacht ik. Maar bij mij hielden ze het helaas ook niet lang uit. Te lang zonder water waarschijnlijk.
Ik loop een paar passen door. Ik kijk met een schuin oog toch weer naar de overkant. Ik had mij nog zo voorgenomen niet te kijken, niet voordat ik eerst een keer blind voorbij was gelopen. Zonder te kijken dus. Mislukt.
Ik loop naar de bakker recht tegenover het huis, ik hoef niets mee te nemen, ik ga immers nergens meer heen. Maar ja, het was wel een beetje een gewoonte om op zijn verjaardag met een gebakje aan te komen. Zeker omdat hij nooit echt verwachtte dat ik langskwam, en dus zelf geen gebak gekocht.
Dat dacht ik althans altijd.
Bij aankomst bleek altijd dat hij voor de zekerheid toch van alles in huis had gehaald. Daar zat je dan. met je gebak. “Lekker voor morgen bij de koffie, en de buurvrouw lust er ook vast wel ééntje, haar man is onlangs overleden namelijk,” hoor ik hem telkens weer zeggen.
De bakker herkent me. “Hé, jou heb ik een tijd niet gezien?” Voegt hij onbewust een vraag in zijn opmerking. “ja het is alweer even geleden,” zeg ik eerlijkheidshalve terug als antwoord. “Jouw pa woonde hier toch tegenover?” stelde hij een vraag zonder om een antwoord te vragen. “hij kwam hier altijd gebak halen op zijn verjaardag. Dan wist ik dat jij en je zus ook langs zouden komen later op de dag. Hij zei altijd dat hij het nooit nodig vond dat jullie langs kwamen maar dat hij wist dat jullie toch altijd wel kwamen. En dus haalde hij toch gebak.
Jullie kwamen altijd onverwacht op bezoek. ‘wel zo gezellig’ zei je altijd bij het bestellen.”
Verbijsterd sta ik voor de oude grijze bakker. Ik herken hem natuurlijk ook. Maar ik had niet verwacht dat hij zo op de hoogte zou zijn. Dat bleek ook uit uit volgende opmerking: “hoe is het met hem, hij is zeker verhuisd?”
“ja naar de eeuwigheid,” antwoord ik, ervan uitgaand dat hij dit keer echt iets vroeg. “ik geef hem geen ongelijk hoor,” gaat hij toch verder. “Wat moest zo’n man hier nou, duidelijk niet hier geboren.” Besluit hij zijn,…. Tja wat was het was het nu eigenlijk…?
“Doet u mij maar een moorkop, een mokkapunt, een bananensoes en een hazelnotenschuimgebakje alstublieft. Antwoord ik op de enige vraag die er echt toe deed. Ik wist vroeger al niet zo goed wat voor gebakje hij wilde en waar ik zelf zin in had. Ik groet de man en loop naar buiten met een doos gevuld met vier gebakjes.
En nu?
Ik staar naar het raam tegenover de bakker.
Er staan weer planten voor het raam, er is weer leven in huis. Ik zie iemand opstaan en naar de keuken lopen. Ik ken het huis, dus weet dat de figuur een raam verder weer zal verschijnen. Ze zet de kraan aan, en vult alvast een waterkoker voor de thee. Hier staan ook verse bloemen voor het raam. In de huiskamer zie ik iemand aan de tafel plaatsnemen.
Het raam daarnaast zie ik de buurvrouw van de gebakjes haar fluitketel vullen en krijg een idee. Ik loop naar de overkant en bel aan. Weifelend doet ze open, maar ik zie herkenning in haar ogen. Ze weet dat ik niet ben aan wie ze in eerste instantie dacht. Ik reik de doos gebakjes aan. “van René van den Eijnde mevrouw, u weet wel.” Ze knikt en glimlacht vertederd, ach ja, zijn verjaardag zeker?
Ik loop een paar passen door. Ik kijk met een schuin oog toch weer naar de overkant. Ik had mij nog zo voorgenomen niet te kijken, niet voordat ik eerst een keer blind voorbij was gelopen. Zonder te kijken dus. Mislukt.
Ik loop naar de bakker recht tegenover het huis, ik hoef niets mee te nemen, ik ga immers nergens meer heen. Maar ja, het was wel een beetje een gewoonte om op zijn verjaardag met een gebakje aan te komen. Zeker omdat hij nooit echt verwachtte dat ik langskwam, en dus zelf geen gebak gekocht.
Dat dacht ik althans altijd.
Bij aankomst bleek altijd dat hij voor de zekerheid toch van alles in huis had gehaald. Daar zat je dan. met je gebak. “Lekker voor morgen bij de koffie, en de buurvrouw lust er ook vast wel ééntje, haar man is onlangs overleden namelijk,” hoor ik hem telkens weer zeggen.
De bakker herkent me. “Hé, jou heb ik een tijd niet gezien?” Voegt hij onbewust een vraag in zijn opmerking. “ja het is alweer even geleden,” zeg ik eerlijkheidshalve terug als antwoord. “Jouw pa woonde hier toch tegenover?” stelde hij een vraag zonder om een antwoord te vragen. “hij kwam hier altijd gebak halen op zijn verjaardag. Dan wist ik dat jij en je zus ook langs zouden komen later op de dag. Hij zei altijd dat hij het nooit nodig vond dat jullie langs kwamen maar dat hij wist dat jullie toch altijd wel kwamen. En dus haalde hij toch gebak.
Jullie kwamen altijd onverwacht op bezoek. ‘wel zo gezellig’ zei je altijd bij het bestellen.”
Verbijsterd sta ik voor de oude grijze bakker. Ik herken hem natuurlijk ook. Maar ik had niet verwacht dat hij zo op de hoogte zou zijn. Dat bleek ook uit uit volgende opmerking: “hoe is het met hem, hij is zeker verhuisd?”
“ja naar de eeuwigheid,” antwoord ik, ervan uitgaand dat hij dit keer echt iets vroeg. “ik geef hem geen ongelijk hoor,” gaat hij toch verder. “Wat moest zo’n man hier nou, duidelijk niet hier geboren.” Besluit hij zijn,…. Tja wat was het was het nu eigenlijk…?
“Doet u mij maar een moorkop, een mokkapunt, een bananensoes en een hazelnotenschuimgebakje alstublieft. Antwoord ik op de enige vraag die er echt toe deed. Ik wist vroeger al niet zo goed wat voor gebakje hij wilde en waar ik zelf zin in had. Ik groet de man en loop naar buiten met een doos gevuld met vier gebakjes.
En nu?
Ik staar naar het raam tegenover de bakker.
Er staan weer planten voor het raam, er is weer leven in huis. Ik zie iemand opstaan en naar de keuken lopen. Ik ken het huis, dus weet dat de figuur een raam verder weer zal verschijnen. Ze zet de kraan aan, en vult alvast een waterkoker voor de thee. Hier staan ook verse bloemen voor het raam. In de huiskamer zie ik iemand aan de tafel plaatsnemen.
Het raam daarnaast zie ik de buurvrouw van de gebakjes haar fluitketel vullen en krijg een idee. Ik loop naar de overkant en bel aan. Weifelend doet ze open, maar ik zie herkenning in haar ogen. Ze weet dat ik niet ben aan wie ze in eerste instantie dacht. Ik reik de doos gebakjes aan. “van René van den Eijnde mevrouw, u weet wel.” Ze knikt en glimlacht vertederd, ach ja, zijn verjaardag zeker?
Labels:
bakker,
gebakjes,
IJmuiden,
verjaardag
donderdag 19 januari 2012
Wat hou ik van je!
Wat hou ik van je!
Stond er onder mijn laatste verhaal..
Afzender anoniem.
Dat eerste zinnetje, daar kan ik goed mee leven uiteraard, dat deel met die anonieme afzender is wat minder lollig. Dit is Valentijnsdag to the max! Er is geen enkel aanknopingspunt om te achterhalen van wie deze amoureuze boodschap is. Tenzij je een hacker bent natuurlijk.
Waar je op Valentijnsdag nog wel eens iets aan een handschrift kunt afleiden of aan een lollige woordspeling die je ooit een keer samen deelde, of aan een luchtje dat over de brief of kaart is gespoten. Met de bedoeling dat je dat herkent en het met liters tegelijk cadeau gaat geven.
Wat hou ik van je!
De zin is voor mij net zo onbeduidend als dat ze mijn hart sneller doet kloppen. Want tja, ze kan ook zomaar van iemand zijn met wie ik dat houden van wel verder uit zou willen diepen.
Maar ja, geen enkel aanknopingspunt kan ik er in ontdekken, geen herkenbaar spelfoutje, niks. Uit pure frustratie ga ik motieven bedenken waarom dat er zou staan of hoe ik het zou moeten interpreteren. En ga ik mensen bedenken die dit met mij hebben willen delen.
Familieleden vallen al snel af, die zouden er toch op zijn minst een afzender bij zetten omdat ze ook willen dat ik weet wie er van me houdt. Exen zouden dat waarschijnlijk ook doen als ze het sowieso al zouden opschrijven.
Wat hou ik van je!
Goede vrienden, zoals ik er daar een paar van heb, zeggen dit tegen elkaar, op een wat cynische toon. Dat wel. Ik kan mij ook zomaar voorstellen dat deze vrienden per ongeluk hebben verzuimd hun naam erbij te zetten. En er zit er ook één bij die het met opzet anoniem gedaan zou kunnen hebben, puur om me te jennen. Van hem kan ik mij dan weer niet voorstellen dat hij dit een leuk stukje vond. Hier vallen ook enkele vriendinnen onder.
Wat hou ik van je! Vijf woordjes. Je kan er maar druk mee zijn. Laatste mogelijkheid is de leukste en spannendste. Dat is natuurlijk de stille aanbidster. Zij die wel wil laten weten dat ze om me geeft maar dit op de één of andere manier niet openbaar kan of durft te maken. Waardoor de boodschap niet echt aankomt.
Dat lijkt me dus ook heel frustrerend
Stond er onder mijn laatste verhaal..
Afzender anoniem.
Dat eerste zinnetje, daar kan ik goed mee leven uiteraard, dat deel met die anonieme afzender is wat minder lollig. Dit is Valentijnsdag to the max! Er is geen enkel aanknopingspunt om te achterhalen van wie deze amoureuze boodschap is. Tenzij je een hacker bent natuurlijk.
Waar je op Valentijnsdag nog wel eens iets aan een handschrift kunt afleiden of aan een lollige woordspeling die je ooit een keer samen deelde, of aan een luchtje dat over de brief of kaart is gespoten. Met de bedoeling dat je dat herkent en het met liters tegelijk cadeau gaat geven.
Wat hou ik van je!
De zin is voor mij net zo onbeduidend als dat ze mijn hart sneller doet kloppen. Want tja, ze kan ook zomaar van iemand zijn met wie ik dat houden van wel verder uit zou willen diepen.
Maar ja, geen enkel aanknopingspunt kan ik er in ontdekken, geen herkenbaar spelfoutje, niks. Uit pure frustratie ga ik motieven bedenken waarom dat er zou staan of hoe ik het zou moeten interpreteren. En ga ik mensen bedenken die dit met mij hebben willen delen.
Familieleden vallen al snel af, die zouden er toch op zijn minst een afzender bij zetten omdat ze ook willen dat ik weet wie er van me houdt. Exen zouden dat waarschijnlijk ook doen als ze het sowieso al zouden opschrijven.
Wat hou ik van je!
Goede vrienden, zoals ik er daar een paar van heb, zeggen dit tegen elkaar, op een wat cynische toon. Dat wel. Ik kan mij ook zomaar voorstellen dat deze vrienden per ongeluk hebben verzuimd hun naam erbij te zetten. En er zit er ook één bij die het met opzet anoniem gedaan zou kunnen hebben, puur om me te jennen. Van hem kan ik mij dan weer niet voorstellen dat hij dit een leuk stukje vond. Hier vallen ook enkele vriendinnen onder.
Wat hou ik van je! Vijf woordjes. Je kan er maar druk mee zijn. Laatste mogelijkheid is de leukste en spannendste. Dat is natuurlijk de stille aanbidster. Zij die wel wil laten weten dat ze om me geeft maar dit op de één of andere manier niet openbaar kan of durft te maken. Waardoor de boodschap niet echt aankomt.
Dat lijkt me dus ook heel frustrerend
woensdag 18 januari 2012
Hoofddoekjes
Ze draagt een hoofddoekje terwijl haar moeder er geen draagt en die dat ook helemaal niet van haar verlangd. Haar vader denkt er het zijne van, maar als Turkse familie zou het een beetje raar zijn om het haar te verbieden. Ze leeft volgens de regels van de koran. Ze is zelfverzekerd over haar geloof maar ook over haar vrouw, of beter meisje, zijn. En om eerlijk te zijn is ze één van de meest ambitieuze stagiaires die we ooit gehad hebben, en één van de brutaalste. Ze gaat rustig tot diep in de nacht uit, skinny’s,chique blouse, hoge hakken en een matchende hoofddoek. Haar zelfverzekerdheid uit zich ook in de winkel, niet bang om te bellen, niet bang om bezoekers aan te spreken. Een powermoslima dus.
Op woensdagavond zit ze in een praatgroepje. Allemaal jonge Turkse meiden praten met elkaar over het geloof, de maatschappij en alles wat daar verder bij komt kijken. Allemaal met een hoofddoek, uit overtuiging, uit vrije wil. Vanavond zou het gesprek gaan over de kracht van het geloof, vertelt ze me nog net voordat ik de trein uitstap.
De man die naast me zat loopt nu ineens naast me en gaat vervolgens tegenover me zitten in de volgende trein die mij dichter naar mijn eindbestemming moet brengen.
“we maken ons al tijden zorgen over die mannen met baarden,” zegt hij uit het niets. “Maar het ware gevaar komt uit de moslima hoek. Die ambitieuze dames hebben zich in de loop der jaren onder de dwang van het geloof uit gevochten maar ze hangen het nog wel aan. Ze zinnen op wraak.” Bazelt hij verder. “laat je niet misleiden vriend, ze gaan alle mannen wreken. Alle honderden jaren van onderdrukking zitten achter die mooie onschuldige ogen verborgen en dat gaat er snel een keer uitkomen.”
De man heeft, niet geheel toevallig vrees ik, sterk geblondeerd haar dat strak achterover gekamd zit. Ik meen een beetje Limburgs accent waar te nemen maar het kan zijn dat ik dat er zelf een beetje bij verzonnen heb. “Ik zie en hoor een gelijkenis met een ietwat irritante man uit het zuiden van het land,” probeer ik het gesprek een beetje dood te praten. Ik veins een berichtje op mijn telefoon.
“Pff die Wilders, die idioot, ”spettert hij kwaad mijn kant op. “Die slapjanus die zit alleen maar achter die baarden aan. Maar hij ziet niet wat er aan de hand is. Terwijl iedereen die gasten in de gaten houdt zijn die gekke hoofddoekjes de meest verschrikkelijke plannen aan het smeden. Denk je nu echt dat ze daar gezellig zitten te kwebbelen vanavond? Echt niet!” roept hij luid, te luid naar mijn zin. De conducteur komt ondertussen controleren of wij wel aan onze verplichtingen hebben voldaan met betrekking tot het in- dan wel uitchecken. Ik hou ‘m aan de praat. "Waar stopt deze trein zoal?" Hopend op een demonstratie van spoorwegkennis van zijn kant. “Waar moet je zijn?” Stelt hij mij teleur. Aangezien ik dat zelf wel weet houd ik het verder voor gezien met die conducteur.
“Heb je ze wel eens gezien in het park met zijn allen. Dat is gewoon combat training meneer. Ik vertel het je, die zijn zich massaal aan het voorbereiden. Zowel mentaal als fysiek. We moeten de terroristen onder die hoofddoekjes zoeken. Wat ik je brom!” beindigde hij zijn betoog. Niet geheel vrijwillig waarschijnlijk maar ik moest er toch echt uit.
In mijn droom zie ik hele hordes moslima’s met mitrailleurs door de straten rennen. Schietend op alles wat een baard heeft. Het mannenverzet gaat gekleed in een burka. Wat natuurlijk erg dom is aangezien de vrouwen die natuurlijk echt niet meer aan zullen doen.
Badend in het zweet word ik wakker. In de trein naar mijn werk komt de droom nog een paar keer langs. Rijdend langs het Westerpark stokt mijn adem. Door de mistige velden zie ik een grote groep vrouwen rennen, springen, push-ups doen en karate trappen maken. Allemaal met een hoofddoek. Zou het dan toch? Schrik ik van mezelf.
De vrouw naast mij wijst ernaar: “Leuk hè dat de Amsterdamse
moslima’s hun eigen bootcamp clubje hebben op donderdagochtend. Daar hebben ze heel hard voor moeten knokken hoor, om dat voor elkaar te krijgen.”
Op woensdagavond zit ze in een praatgroepje. Allemaal jonge Turkse meiden praten met elkaar over het geloof, de maatschappij en alles wat daar verder bij komt kijken. Allemaal met een hoofddoek, uit overtuiging, uit vrije wil. Vanavond zou het gesprek gaan over de kracht van het geloof, vertelt ze me nog net voordat ik de trein uitstap.
De man die naast me zat loopt nu ineens naast me en gaat vervolgens tegenover me zitten in de volgende trein die mij dichter naar mijn eindbestemming moet brengen.
“we maken ons al tijden zorgen over die mannen met baarden,” zegt hij uit het niets. “Maar het ware gevaar komt uit de moslima hoek. Die ambitieuze dames hebben zich in de loop der jaren onder de dwang van het geloof uit gevochten maar ze hangen het nog wel aan. Ze zinnen op wraak.” Bazelt hij verder. “laat je niet misleiden vriend, ze gaan alle mannen wreken. Alle honderden jaren van onderdrukking zitten achter die mooie onschuldige ogen verborgen en dat gaat er snel een keer uitkomen.”
De man heeft, niet geheel toevallig vrees ik, sterk geblondeerd haar dat strak achterover gekamd zit. Ik meen een beetje Limburgs accent waar te nemen maar het kan zijn dat ik dat er zelf een beetje bij verzonnen heb. “Ik zie en hoor een gelijkenis met een ietwat irritante man uit het zuiden van het land,” probeer ik het gesprek een beetje dood te praten. Ik veins een berichtje op mijn telefoon.
“Pff die Wilders, die idioot, ”spettert hij kwaad mijn kant op. “Die slapjanus die zit alleen maar achter die baarden aan. Maar hij ziet niet wat er aan de hand is. Terwijl iedereen die gasten in de gaten houdt zijn die gekke hoofddoekjes de meest verschrikkelijke plannen aan het smeden. Denk je nu echt dat ze daar gezellig zitten te kwebbelen vanavond? Echt niet!” roept hij luid, te luid naar mijn zin. De conducteur komt ondertussen controleren of wij wel aan onze verplichtingen hebben voldaan met betrekking tot het in- dan wel uitchecken. Ik hou ‘m aan de praat. "Waar stopt deze trein zoal?" Hopend op een demonstratie van spoorwegkennis van zijn kant. “Waar moet je zijn?” Stelt hij mij teleur. Aangezien ik dat zelf wel weet houd ik het verder voor gezien met die conducteur.
“Heb je ze wel eens gezien in het park met zijn allen. Dat is gewoon combat training meneer. Ik vertel het je, die zijn zich massaal aan het voorbereiden. Zowel mentaal als fysiek. We moeten de terroristen onder die hoofddoekjes zoeken. Wat ik je brom!” beindigde hij zijn betoog. Niet geheel vrijwillig waarschijnlijk maar ik moest er toch echt uit.
In mijn droom zie ik hele hordes moslima’s met mitrailleurs door de straten rennen. Schietend op alles wat een baard heeft. Het mannenverzet gaat gekleed in een burka. Wat natuurlijk erg dom is aangezien de vrouwen die natuurlijk echt niet meer aan zullen doen.
Badend in het zweet word ik wakker. In de trein naar mijn werk komt de droom nog een paar keer langs. Rijdend langs het Westerpark stokt mijn adem. Door de mistige velden zie ik een grote groep vrouwen rennen, springen, push-ups doen en karate trappen maken. Allemaal met een hoofddoek. Zou het dan toch? Schrik ik van mezelf.
De vrouw naast mij wijst ernaar: “Leuk hè dat de Amsterdamse
moslima’s hun eigen bootcamp clubje hebben op donderdagochtend. Daar hebben ze heel hard voor moeten knokken hoor, om dat voor elkaar te krijgen.”
zondag 8 januari 2012
Toet toet toeter!
Hoe mijn vrienden het voor elkaar hebben gekregen zal voor altijd een raadsel blijven. Maar feit is dat ik op nieuwsjaarsdag om 12 uur ’s nachts in Club Stalker sta met een biertje in mijn hand en al enkele achter mijn kiezen.
Naar ik meen heb ik nog wel geprobeerd de boel te saboteren door voor te stellen eerst nog even ergens anders te kijken en door te opperen dat alle PIN automaten leeg, dan wel gesloten waren. Ja dat kan hier,dan zit er gewoon een hek voor.
Desalniettemin,
Met vereende krachten hebben ze al mijn tegenwerkingen vakkundig weten te pareren. Ongetwijfeld hoefde de entree niet betaald te worden, zou het eerste rondje toch wel van het huis zijn, en zouden er heel veel leuke mensen en ook nog eens gezellige vrouwen zijn. Iets van die strekking zou inderdaad hebben kunnen werken.
Club Stalker dus, op nieuwjaarsdag, de foutste nacht.
Mensen die niet zoveel te doen hebben in hun leven en al halverwege hun menopauze zitten of tegen hun midlife-crisis aan hikken zijn hier vanavond terug te vinden. Bijna allemaal uitgedost als iets anders. Zo loopt er een vrouwelijk Hitler in de rondte te huppelen (iets wat de wereldgeschiedenis een heel ander beeld had gegeven waarschijnlijk, ware het de waarheid geweest) en een dame in piratenpak en nog één en er lopen ook wat mannen rond in vrouwenkleren.
Al met al hoeft het vannacht dus allemaal niet zo hip en dat is een verademing. Alle schroom is een beetje van de bezoekers afgevallen en verdwijnt compleet met de toename van de hoeveelheid alcohol. Alleen van het ademen wordt je hier al dronken. Dit schijnt ons echter niet te deren en we bestellen nog een rondje als de karaoke begint
De bedoeling is hier dus duidelijk. Door middel van zo slecht mogelijk mee blèren van zo lelijk mogelijke liedjes moet de sfeer en hilariteit worden verhoogd. Een beproefd concept, werkt altijd en het gaat van kwaad tot erger. Na een tijdje hoor en zie ik mezelf meedoen met de legendarische hit ‘Toet toet toeter op mijn waterscooter’. Even een uitleg: toeteren met vlakke hand op je neus, waterscooter nadoen door net te doen of je op een motor zit en door gas te geven met je rechterhand, en dan weer toeteren terwijl je naar iemand wijst om duidelijk te maken dat je naar diegene toetert.
Geïnspreerd door deze paringsdans brulde ik vervolgens keihard mee met de après-skihit ‘ik wil seks met die kale!’ Het begint hier reeds aardig op een après skibar te lijken. Wat slecht uitkomt want het dichtst bij skiën komt mijn liefdesleven, dat net tot een zeer diep dal is afgegleden met de steilte van een zwarte piste. Van een hele hoge top met een sneltreinvaart naar een zeer laag dal.
Uiteraard had ik deze overpeinzingen op het moment van handeling helemaal niet, niet meer althans. De plaatjesdraaier liet zich nu van zijn meest schizofrene kant zien door ‘Smells like teen spirit’ al hossend en springend op te laten volgen door Danny de Munk. Gearmd en tezamen brullen we met zijn drieën dat iedereen lekker de kolere kan krijgen, bij het tweede refrein krijg ik de smaak te pakken en ga ik het menen.
Bij de volgende kraker geef ik er de brui aan. De DJ is hier overduidelijk om mij het leven zuur te maken. ‘We’re going to Ibiza’ volgt. Ik lach me suf maar ben er helemaal klaar mee. Krijg lekker allemaal de kolere!
Wat een heerlijk slechte nacht……
Naar ik meen heb ik nog wel geprobeerd de boel te saboteren door voor te stellen eerst nog even ergens anders te kijken en door te opperen dat alle PIN automaten leeg, dan wel gesloten waren. Ja dat kan hier,dan zit er gewoon een hek voor.
Desalniettemin,
Met vereende krachten hebben ze al mijn tegenwerkingen vakkundig weten te pareren. Ongetwijfeld hoefde de entree niet betaald te worden, zou het eerste rondje toch wel van het huis zijn, en zouden er heel veel leuke mensen en ook nog eens gezellige vrouwen zijn. Iets van die strekking zou inderdaad hebben kunnen werken.
Club Stalker dus, op nieuwjaarsdag, de foutste nacht.
Mensen die niet zoveel te doen hebben in hun leven en al halverwege hun menopauze zitten of tegen hun midlife-crisis aan hikken zijn hier vanavond terug te vinden. Bijna allemaal uitgedost als iets anders. Zo loopt er een vrouwelijk Hitler in de rondte te huppelen (iets wat de wereldgeschiedenis een heel ander beeld had gegeven waarschijnlijk, ware het de waarheid geweest) en een dame in piratenpak en nog één en er lopen ook wat mannen rond in vrouwenkleren.
Al met al hoeft het vannacht dus allemaal niet zo hip en dat is een verademing. Alle schroom is een beetje van de bezoekers afgevallen en verdwijnt compleet met de toename van de hoeveelheid alcohol. Alleen van het ademen wordt je hier al dronken. Dit schijnt ons echter niet te deren en we bestellen nog een rondje als de karaoke begint
De bedoeling is hier dus duidelijk. Door middel van zo slecht mogelijk mee blèren van zo lelijk mogelijke liedjes moet de sfeer en hilariteit worden verhoogd. Een beproefd concept, werkt altijd en het gaat van kwaad tot erger. Na een tijdje hoor en zie ik mezelf meedoen met de legendarische hit ‘Toet toet toeter op mijn waterscooter’. Even een uitleg: toeteren met vlakke hand op je neus, waterscooter nadoen door net te doen of je op een motor zit en door gas te geven met je rechterhand, en dan weer toeteren terwijl je naar iemand wijst om duidelijk te maken dat je naar diegene toetert.
Geïnspreerd door deze paringsdans brulde ik vervolgens keihard mee met de après-skihit ‘ik wil seks met die kale!’ Het begint hier reeds aardig op een après skibar te lijken. Wat slecht uitkomt want het dichtst bij skiën komt mijn liefdesleven, dat net tot een zeer diep dal is afgegleden met de steilte van een zwarte piste. Van een hele hoge top met een sneltreinvaart naar een zeer laag dal.
Uiteraard had ik deze overpeinzingen op het moment van handeling helemaal niet, niet meer althans. De plaatjesdraaier liet zich nu van zijn meest schizofrene kant zien door ‘Smells like teen spirit’ al hossend en springend op te laten volgen door Danny de Munk. Gearmd en tezamen brullen we met zijn drieën dat iedereen lekker de kolere kan krijgen, bij het tweede refrein krijg ik de smaak te pakken en ga ik het menen.
Bij de volgende kraker geef ik er de brui aan. De DJ is hier overduidelijk om mij het leven zuur te maken. ‘We’re going to Ibiza’ volgt. Ik lach me suf maar ben er helemaal klaar mee. Krijg lekker allemaal de kolere!
Wat een heerlijk slechte nacht……
Labels:
après-ski,
feest.,
nieuwjaar,
Stalker,
toeters. waterscooter
Abonneren op:
Posts (Atom)

