Drie zwarte vliegen zitten op het raam als ik de gordijnen open. Ze zijn ongeveer een centimeter lang en ik schat 7.5 millimeter dik. Ze zoemen lustig om elkaar heen en af en toe knalt er één keihard met een zachte tik tegen het raam. Ze willen naar buiten, ze willen de vrijheid in.
Waar ze vandaan komen weet ik niet. Waarschijnlijk uit een dode muis of vogel die ergens tussen het plafond of in de dakgoot zijn of haar laatste adem heeft gelaten.
Ze doen me denken aan een huis waar ik ooit voor het laatst was. Het raam zat vol met dezelfde dikke zwarte vliegen, zoemend door elkaar heen op zoek naar de vrijheid. Met een harde plof vlogen ze om beurten tegen het raam. Een hele berg lag al voor het raam op hun rug. Die hadden hun zinloze vlucht naar de vrijheid niet gehaald.
Het lege huis was dat uiteraard niet altijd, een paar dagen eerder zijn we hier met man en macht aan het werk geweest om de spullen er uit te halen. Een ieder met zijn eigen gedachten en herinneringen, de meesten hadden de spullen hier twee jaar eerder ook al neergezet. Dat was een vrolijke bedoeningen en een fijne aangelegenheid. De reden dat we hier nu weer stonden was een stuk minder aangenaam.
Afijn.
Het huis was leeg. Ik keek uit het raam, tussen de vliegen door, de tuin in. Het was warm geweest in die oktobermaand en de tuin lag er nog netjes bij. Nog niet alles was dood en de perenboom droeg nog steeds vruchten. “De zomer was laat.” Denk ik bij mezelf. We zouden op het uiterste puntje van de tuin een moestuin gaan aanleggen. Leuk, een beetje de eigen groente verbouwen. Gewoon voor de lol en wie weet kunnen we het nog eten ook. Was het niet een maand eerder dat we dit bespraken tijdens de barbecue? De lege plek achter in de tuin vertelde me dat hij het niet vergeten was. De vliegen zoemden om mijn hoofd. Ik kon ze niet haten, ik kon me er niet aan irriteren. Ze waren een laatste getuige, ze waren….
Ik kijk naar de drie dikke vliegen op het raam en denk aan toen. In mijn herinnering is het huis weer vol. Gelukkig. We zitten aan tafel, een tafel die volstaat met eten en wijn. Iedereen is er en is blij, lacht en straalt. Er is vast iemand jarig in deze herinnering of het is een feestdag. Maakt niet uit ook natuurlijk, het komt uiteindelijk op het zelfde neer.
Plof! Er probeert er weer één zich een weg door het raam te boren. Kansloos natuurlijk. Een beetje groggy daalt de vlieg naar de vloer, hij haalt het net niet en vliegt weer omhoog om zich bij zijn twee vriendjes te voegen. Hij zal ze echter niet alle twee aantreffen. Eén van hen heeft zich voorgenomen ook naar buiten te gaan.
In volle vaart komt hij aanvliegen en gaat er vol voor. Iets in mij zegt dat dit wel eens de genade klap zou kunnen zijn, zo hard komt hij aanvliegen. Dankbaar voor de herinnering die ze mij hebben gegeven open ik net op tijd deur. Ze vliegen gedrieën naar buiten, de vrijheid in.
donderdag 19 april 2012
zondag 15 april 2012
wachten, wachten, wachten
Links, rechts, rechts, links, weer links, naar rechts, links, omhoog, omlaag, rotonde driekwart, vluchtheuvel, drempel, links, rechts, omhoog omlaag, opschakelen, afschakelen, remmen en weer optrekken. Wegversmalling, omhoog, stilstaan en weer optrekken, valpartij, geschreeuw, gekraak. Wachten. En dat 255 kilometer lang.
De racebandjes slijten meer aan de zijkant dan op het midden. Remblokjes piepen van vermoeidheid en kettingen kraken van het vele schakelen. Als je niet moe wordt van de kilometers dan is het wel van het concentreren, of van desillusie.
Zelf heb ik de finale van de Amstel Gold Race een stuk of vijftien keer gereden,desalniettemin stond ik steeds weer perplex als ik ineens op de Kruisberg stond te harken terwijl ik dacht dat het de Eijserbosweg moest zijn. Laat staan hoe een Italiaan of Spanjaard die hier voor het eerst rijdt zich voelt. Nederland was toch vlak?
De Amstel Gold Race dus, Nederlands enige echte wielerwedstrijd en onderdeel van het klassieke voorjaar. Nou ja, Nederlands. De 255 kilometer worden verreden in het zuidelijkste puntje van Zuid-Limburg. Op een postzegeltje dus.
Dit jaar staan er weer een hoop kleppers aan het vertrek, natuurlijk met het oog op het aanstaande WK dat hier verreden gaat worden aan het einde van het jaar. Maar ook omdat deze wedstrijd onderhand een hele mooie koers is om op je palmares te hebben. Enkele namen die een sterretje in hun agenda hebben staan op de datum van de Amstel (en dus van het WK): Valverde, Rodriguez, Freire (valt het nou echt niemand op dat hij dit jaar alleen maar deelneemt aan wedstrijden met finish bergop?), Sagan, Sanchez, Evans, Cunego, Hoogerland, Chavanel, Gerrans, Geesink, Mollema. Om maar wat te noemen. O ja, en Thomas Dekker.
En dan nu de koers. Kopgroepje weg vanaf het begin, zoals het hoort. Normaliter wordt de kopgroep zo’n kilometer of 50 voor de finish ingelopen en is het spel op de wagen, begint het spektakel dus. Zo niet vandaag, 27 kilometer voor het einde, bij de beklimming van de verschrikkelijk steile Gulpenerberg rijden er nog steeds twee op kop. Meer dan 230 kilometer geen actie. Pfff. Nu is de beste wielertactiek vandaag de dag wachten, wachten, wachten. Nou, dat doen ze. Verder was het koud en grijs.
Op de Eijserbosweg rijden er nog steeds twee op kop.
Op de Fromberg ook.
Na de vierhonderennegentachtig bochten en 30 van de 31 steile pukkels vindt Freire (de koning van het wachten) het welletjes. Hij gaat de sprint niet afwachten en piept er op zijn Zoetemelks tussenuit. Waarschijnlijk is het ook voor het eerst deze dag dat hij iets van de omgeving herkent. Niemand reageert en het lijkt te gaan lukken. Nu kan Oscarito ook meteen in alle rust de finale van het WK bekijken.
Wachten dus. De Cauberg ligt voor de wielen, nog 1000 meter omhoog. Freire spartelt nog steeds voorop. Gilbert trekt zijn registers open, de rest slingert er achteraan.
Wachten. Nog 500 meter. Freire spartelt nog harder nog steeds op kop, ze zien hem. Gilbert spartelt onderhand ook, de rest volgt. Wat daar van over is. Onder hen vier grote namen, Cunego, Sagan, Valverde en Sanchez. Cunego gaat er vloekend bij liggen, Valvarde moet er omheen. Met Freire en de finish in zicht zet Gilbert nog één keer aan, en ontploft. Jelle van Endert en Sagan gaan over hem heen.
Wachten. In hun wiel Enrico Gasparotto. De hele dag niet gezien maar daar is de blonde Italiaan in Kazachse dienst. Ze rijden langs de kleine bekkentrekkende Spanjaard. Vijftien meter voor de streep zet Gasparotto één keer echt aan en rijdt als eerste over de streep.
En Thomas Dekker? Na twee jaar wachten mocht hij eindelijk weer meedoen aan een echte grote koers. Hij overleefde en kwam in de eerste groep binnen (18de), dat voorspelt veel goeds voor het WK. Afwachten dus.
De racebandjes slijten meer aan de zijkant dan op het midden. Remblokjes piepen van vermoeidheid en kettingen kraken van het vele schakelen. Als je niet moe wordt van de kilometers dan is het wel van het concentreren, of van desillusie.
Zelf heb ik de finale van de Amstel Gold Race een stuk of vijftien keer gereden,desalniettemin stond ik steeds weer perplex als ik ineens op de Kruisberg stond te harken terwijl ik dacht dat het de Eijserbosweg moest zijn. Laat staan hoe een Italiaan of Spanjaard die hier voor het eerst rijdt zich voelt. Nederland was toch vlak?
De Amstel Gold Race dus, Nederlands enige echte wielerwedstrijd en onderdeel van het klassieke voorjaar. Nou ja, Nederlands. De 255 kilometer worden verreden in het zuidelijkste puntje van Zuid-Limburg. Op een postzegeltje dus.
Dit jaar staan er weer een hoop kleppers aan het vertrek, natuurlijk met het oog op het aanstaande WK dat hier verreden gaat worden aan het einde van het jaar. Maar ook omdat deze wedstrijd onderhand een hele mooie koers is om op je palmares te hebben. Enkele namen die een sterretje in hun agenda hebben staan op de datum van de Amstel (en dus van het WK): Valverde, Rodriguez, Freire (valt het nou echt niemand op dat hij dit jaar alleen maar deelneemt aan wedstrijden met finish bergop?), Sagan, Sanchez, Evans, Cunego, Hoogerland, Chavanel, Gerrans, Geesink, Mollema. Om maar wat te noemen. O ja, en Thomas Dekker.
En dan nu de koers. Kopgroepje weg vanaf het begin, zoals het hoort. Normaliter wordt de kopgroep zo’n kilometer of 50 voor de finish ingelopen en is het spel op de wagen, begint het spektakel dus. Zo niet vandaag, 27 kilometer voor het einde, bij de beklimming van de verschrikkelijk steile Gulpenerberg rijden er nog steeds twee op kop. Meer dan 230 kilometer geen actie. Pfff. Nu is de beste wielertactiek vandaag de dag wachten, wachten, wachten. Nou, dat doen ze. Verder was het koud en grijs.
Op de Eijserbosweg rijden er nog steeds twee op kop.
Op de Fromberg ook.
Na de vierhonderennegentachtig bochten en 30 van de 31 steile pukkels vindt Freire (de koning van het wachten) het welletjes. Hij gaat de sprint niet afwachten en piept er op zijn Zoetemelks tussenuit. Waarschijnlijk is het ook voor het eerst deze dag dat hij iets van de omgeving herkent. Niemand reageert en het lijkt te gaan lukken. Nu kan Oscarito ook meteen in alle rust de finale van het WK bekijken.
Wachten dus. De Cauberg ligt voor de wielen, nog 1000 meter omhoog. Freire spartelt nog steeds voorop. Gilbert trekt zijn registers open, de rest slingert er achteraan.
Wachten. Nog 500 meter. Freire spartelt nog harder nog steeds op kop, ze zien hem. Gilbert spartelt onderhand ook, de rest volgt. Wat daar van over is. Onder hen vier grote namen, Cunego, Sagan, Valverde en Sanchez. Cunego gaat er vloekend bij liggen, Valvarde moet er omheen. Met Freire en de finish in zicht zet Gilbert nog één keer aan, en ontploft. Jelle van Endert en Sagan gaan over hem heen.
Wachten. In hun wiel Enrico Gasparotto. De hele dag niet gezien maar daar is de blonde Italiaan in Kazachse dienst. Ze rijden langs de kleine bekkentrekkende Spanjaard. Vijftien meter voor de streep zet Gasparotto één keer echt aan en rijdt als eerste over de streep.
En Thomas Dekker? Na twee jaar wachten mocht hij eindelijk weer meedoen aan een echte grote koers. Hij overleefde en kwam in de eerste groep binnen (18de), dat voorspelt veel goeds voor het WK. Afwachten dus.
Labels:
Amstel Gold Race,
Cauberg,
Gasparotto,
Limburg,
Thomas Dekker,
wielrennen
dinsdag 10 april 2012
Sterven en weer opstaan
De spanning was prachtig opgebouwd gedurende de weken voorafgaand aan de twee grootste, en doorgaans, meest heroïsche klassiekers van het jaar. Kranten stonden vol met verhalen over de kanshebbers en geen televisie programma ging voorbij of er werd wel over gesproken. De ronde van Vlaanderen moest nog heroïscher en werd derhalve iets zwaarder gemaakt. Dus meer hellingen en nog korter op elkaar, wat dus meer spektakel op zou moeten leveren.
Helaas doen wielrenners nooit wat men van ze verwacht, het zijn soms net mensen. Er werd wat afgewacht, er werd wat gekeken en uiteindelijk konden drie renners het uitvechten. De Kapelmuur was er uit en dat bleek toch een enorme aderlating. Al was het alleen maar om het gemis van het door bier en worst gevoede gebulder van de grote uitzinnige menigte die altijd op de muur staat. Of om de mooie, meestal wonderschone, plaatjes en wielergevechten die richting Godshuis plaatsvinden. Een gemis dus voor de toeschouwer en de renners.
Natuurlijk, men kreeg de gedroomde winnaar. Tom Boonen moest winnen en deed dat. En uiteraard was er het alom vertegenwoordigde ‘wat als’ in alle media te lezen. Want tja, wat als Cancellara gewoon had kunnen meedoen in de finale? Soms lijkt het wel of Cancellara de koers kan breken of maken, valt de Zwitserse beul weg dan is het geen koers meer ofzo. Uiteindelijk komt het er bij fietsen op neer dat je op dat ding blijft zitten, als je dat niet doet dan gaat het mis en doe je niet meer mee. En nog iets: Als Gerrans in zijn wiel kan blijven in Milaan-San Remo dan kan Tommeke dat zeker in Vlaanderen.
De prelude naar de volgende kraker was wellicht nog gekker. Wilfried de Jong leverde een prachtige documentaire af over het rijden over kasseien in Noord Frankrijk en Vlaanderen werd gek bij alleen al de gedachte aan weer een winst van Tom Boonen. Mooi bijkomend detail is dat de Hel van het Noorden verreden werd op eerste paasdag. De koerskoorts steeg zelfs in Nederland tot Vlaamse hoogtes.
Ondanks dat er heel wat rijtjes de ronde deden met eventuele winnaars was er eigenlijk maar één winnaar mogelijk. Wie anders dan Cancellara kon Tom Boonen van zijn winst afhouden? Pozzato? Te Italiaans en te mooi. Thor Hushovd? Ach, die had nog geen enkele keer zijn neus tegen het venster geduwd dit jaar. Ballan? Dan moet Boonen eerst lek rijden. Tjalingi? Boom? Ik hoopte het van harte maar bij Rabo is de Grinta er totaal uit en durven ze niet te winnen dit jaar. Nee, alleen Cancellara kon hem verslaan, maar ja die deed niet mee. Alleen Boonen kon aanspraak maken op zijn vierde steen, zijn vierde winst in Roubaix, zijn volmaakte wederopstanding.
Twee jaar gesukkel. Leven en fietsen in de marge. Twee jaar met een laffe sprint en pudding in de benen. Twee jaar lang iets meer feesten dan trainen. De Belgen hadden hem afgeschreven.
Maar Tom was het daar niet mee eens. Hij begon dit jaar al sterk, reeg de overwinningen aan één en was de smaakmaker in de Vlaamse semiklassiekers. In een sprint, alleen, het maakte niet uit. Hij was terug. In de Ronde ging het niet helemaal van harte, zag het er iets minder zelfverzekerd uit en kreeg de concurrentie een beetje hoop. Cancellara was er niet bij richting Roubaix en dus hoefde men alleen maar Tom te volgen.
Op meer dan vijftig kilometer van de streep vond de vriendelijke Belg dat geloer en getuur welletjes. Hij zette aan. En bleef trappen. Onze Hollandse hoop in bange dagen, Terpstra kon zijn kopman een paar honderd meter volgen maar bij de eerste de beste kasseistrook moest hij hem laten gaan. “Wat een idioot,” dacht ik nog. Hoogmoed komt voor de val. Maar Tommeke bleef lekker draaien, vloog over de kasseien. Een hele Sky armada kon het gat niet dichten. En waar waren de andere favorieten? Het was toch een kwestie van Boonen volgen?
Jaja. Wat zal hij hebben gelachen, “ik zal ze leren, die praatjesmakers,” moet hij vijftig kilometer lang gedacht hebben.
Een unieke zegereeks van vier zware koersen in zestien dagen. Hij heeft zich wederom onsterfelijk gemaakt bij het ganse Vlaamse volk. Op eerste paasdag de mooiste en heldhaftigste wielerkoers winnen die er is. Dat is sterven, en weer opstaan.
Helaas doen wielrenners nooit wat men van ze verwacht, het zijn soms net mensen. Er werd wat afgewacht, er werd wat gekeken en uiteindelijk konden drie renners het uitvechten. De Kapelmuur was er uit en dat bleek toch een enorme aderlating. Al was het alleen maar om het gemis van het door bier en worst gevoede gebulder van de grote uitzinnige menigte die altijd op de muur staat. Of om de mooie, meestal wonderschone, plaatjes en wielergevechten die richting Godshuis plaatsvinden. Een gemis dus voor de toeschouwer en de renners.
Natuurlijk, men kreeg de gedroomde winnaar. Tom Boonen moest winnen en deed dat. En uiteraard was er het alom vertegenwoordigde ‘wat als’ in alle media te lezen. Want tja, wat als Cancellara gewoon had kunnen meedoen in de finale? Soms lijkt het wel of Cancellara de koers kan breken of maken, valt de Zwitserse beul weg dan is het geen koers meer ofzo. Uiteindelijk komt het er bij fietsen op neer dat je op dat ding blijft zitten, als je dat niet doet dan gaat het mis en doe je niet meer mee. En nog iets: Als Gerrans in zijn wiel kan blijven in Milaan-San Remo dan kan Tommeke dat zeker in Vlaanderen.
De prelude naar de volgende kraker was wellicht nog gekker. Wilfried de Jong leverde een prachtige documentaire af over het rijden over kasseien in Noord Frankrijk en Vlaanderen werd gek bij alleen al de gedachte aan weer een winst van Tom Boonen. Mooi bijkomend detail is dat de Hel van het Noorden verreden werd op eerste paasdag. De koerskoorts steeg zelfs in Nederland tot Vlaamse hoogtes.
Ondanks dat er heel wat rijtjes de ronde deden met eventuele winnaars was er eigenlijk maar één winnaar mogelijk. Wie anders dan Cancellara kon Tom Boonen van zijn winst afhouden? Pozzato? Te Italiaans en te mooi. Thor Hushovd? Ach, die had nog geen enkele keer zijn neus tegen het venster geduwd dit jaar. Ballan? Dan moet Boonen eerst lek rijden. Tjalingi? Boom? Ik hoopte het van harte maar bij Rabo is de Grinta er totaal uit en durven ze niet te winnen dit jaar. Nee, alleen Cancellara kon hem verslaan, maar ja die deed niet mee. Alleen Boonen kon aanspraak maken op zijn vierde steen, zijn vierde winst in Roubaix, zijn volmaakte wederopstanding.
Twee jaar gesukkel. Leven en fietsen in de marge. Twee jaar met een laffe sprint en pudding in de benen. Twee jaar lang iets meer feesten dan trainen. De Belgen hadden hem afgeschreven.
Maar Tom was het daar niet mee eens. Hij begon dit jaar al sterk, reeg de overwinningen aan één en was de smaakmaker in de Vlaamse semiklassiekers. In een sprint, alleen, het maakte niet uit. Hij was terug. In de Ronde ging het niet helemaal van harte, zag het er iets minder zelfverzekerd uit en kreeg de concurrentie een beetje hoop. Cancellara was er niet bij richting Roubaix en dus hoefde men alleen maar Tom te volgen.
Op meer dan vijftig kilometer van de streep vond de vriendelijke Belg dat geloer en getuur welletjes. Hij zette aan. En bleef trappen. Onze Hollandse hoop in bange dagen, Terpstra kon zijn kopman een paar honderd meter volgen maar bij de eerste de beste kasseistrook moest hij hem laten gaan. “Wat een idioot,” dacht ik nog. Hoogmoed komt voor de val. Maar Tommeke bleef lekker draaien, vloog over de kasseien. Een hele Sky armada kon het gat niet dichten. En waar waren de andere favorieten? Het was toch een kwestie van Boonen volgen?
Jaja. Wat zal hij hebben gelachen, “ik zal ze leren, die praatjesmakers,” moet hij vijftig kilometer lang gedacht hebben.
Een unieke zegereeks van vier zware koersen in zestien dagen. Hij heeft zich wederom onsterfelijk gemaakt bij het ganse Vlaamse volk. Op eerste paasdag de mooiste en heldhaftigste wielerkoers winnen die er is. Dat is sterven, en weer opstaan.
donderdag 5 april 2012
Niemand is ooit helemaal weg
Albert Richter (14-10 1912 - †02-01-1940), een naam die alleen al door de klank direct doet denken aan films over de Tweede Wereldoorlog. Een verzetsheld. Strak achterover gekamd blond brillantine haar, eeuwige sigaret in zijn mondhoek, strakke blauwe ogen en een pezig lichaam. Druk in de weer met een mitrailleur met zo’n groot rond magazijn rent hij door het beeld om ’s avonds het bed te delen met een mooie filmster-achtige dame.
Veel van deze verbeelding klopt met de werkelijkheid. Hij was een zeer succesvol baanwielrenner in de jaren dertig van de vorige eeuw, met zijn gespierde pezige lijf, zijn strak blauwe ogen en zijn mooie sterke kop was hij de propaganda droom van de Nazi’s. Alleen moest hij helemaal niets hebben van Hitler en zijn kornuiten. Hij verachtte ze.
Een echt gevaar voor het Duitse regime is Richter nooit echt geweest, hij nam alleen openlijk afstand. Hij weigerde de Hitlergroet te maken en vertikte het om met een hakenkruis op zijn shirt over de baan te koersen. De Gestapo was hier natuurlijk niet erg van gecharmeerd maar ze konden niet veel doen, hij was een populaire figuur in die tijd. Het bleef echter niet bij dit stille verzet. Hij besloot geld te transporteren, in de buizen van zijn fiets. Voor gevluchte joden. Dit was redelijk gemakkelijk aangezien hij van zesdaagse naar zesdaagse reisde door heel Europa. Aangezien hij een gevierd sportman was, drie keer wereldkampioen, controleerden ze hem niet uitvoerig.
Albert Richter dus, een dappere kerel, met een leeuwenhart op de fiets maar ook daarnaast.Verlinkt naar het schijnt.De Gestapo vond zijn geld transportjes niet zo leuk en bestempelde hem als gevaar voor het regime. Alleen niet openlijk. Hij werd vermoord, in het geheim. Op een dag was hij verdwenen. 27 jaar oud, zijn dood is nooit officieel geregistreerd.
Dit lees ik allemaal in een wielertijdschrift. Ik mis echter de citaten van de toeschouwers. Zou er nog iemand zijn die deze man heeft zien fietsen, die naar het stadion is gegaan en hem over de baan heeft zien vliegen. Die een gokje heeft gewaagd op zijn overwinning?
Ik moet direct aan mijn opa denken, die hield wel van een gokje en ik zie hem wel langs de wielerbaan staan als ik er nu zo over nadenk. Helaas is hij twee jaar geleden overleden. Jean Nelissen dan? Helaas ook net overleden. Peter Post even bellen dan voor en leuke anekdote? Die lijn is ook alweer dood. Gé Peeters, die heeft nog wel tegen hem gekoerst. Tijdens een biertje in zijn Haarlemse café zal die ook wel een mooi verhaal kunnen vertellen….Langzaam dringt het tot me door.
De Gestapo heeft in 1940 geprobeerd Albert Richter te elimineren. Niet alleen door hem in stilte te vermoorden maar ook door bijvoorbeeld al zijn uitslagen uit de boeken te halen. Alles is in het werk gezet om hem te doen vergeten. Dat lukte ze toen bijna, de tijd is bezig met de rest.
Veel van deze verbeelding klopt met de werkelijkheid. Hij was een zeer succesvol baanwielrenner in de jaren dertig van de vorige eeuw, met zijn gespierde pezige lijf, zijn strak blauwe ogen en zijn mooie sterke kop was hij de propaganda droom van de Nazi’s. Alleen moest hij helemaal niets hebben van Hitler en zijn kornuiten. Hij verachtte ze.
Een echt gevaar voor het Duitse regime is Richter nooit echt geweest, hij nam alleen openlijk afstand. Hij weigerde de Hitlergroet te maken en vertikte het om met een hakenkruis op zijn shirt over de baan te koersen. De Gestapo was hier natuurlijk niet erg van gecharmeerd maar ze konden niet veel doen, hij was een populaire figuur in die tijd. Het bleef echter niet bij dit stille verzet. Hij besloot geld te transporteren, in de buizen van zijn fiets. Voor gevluchte joden. Dit was redelijk gemakkelijk aangezien hij van zesdaagse naar zesdaagse reisde door heel Europa. Aangezien hij een gevierd sportman was, drie keer wereldkampioen, controleerden ze hem niet uitvoerig.
Albert Richter dus, een dappere kerel, met een leeuwenhart op de fiets maar ook daarnaast.Verlinkt naar het schijnt.De Gestapo vond zijn geld transportjes niet zo leuk en bestempelde hem als gevaar voor het regime. Alleen niet openlijk. Hij werd vermoord, in het geheim. Op een dag was hij verdwenen. 27 jaar oud, zijn dood is nooit officieel geregistreerd.
Dit lees ik allemaal in een wielertijdschrift. Ik mis echter de citaten van de toeschouwers. Zou er nog iemand zijn die deze man heeft zien fietsen, die naar het stadion is gegaan en hem over de baan heeft zien vliegen. Die een gokje heeft gewaagd op zijn overwinning?
Ik moet direct aan mijn opa denken, die hield wel van een gokje en ik zie hem wel langs de wielerbaan staan als ik er nu zo over nadenk. Helaas is hij twee jaar geleden overleden. Jean Nelissen dan? Helaas ook net overleden. Peter Post even bellen dan voor en leuke anekdote? Die lijn is ook alweer dood. Gé Peeters, die heeft nog wel tegen hem gekoerst. Tijdens een biertje in zijn Haarlemse café zal die ook wel een mooi verhaal kunnen vertellen….Langzaam dringt het tot me door.
De Gestapo heeft in 1940 geprobeerd Albert Richter te elimineren. Niet alleen door hem in stilte te vermoorden maar ook door bijvoorbeeld al zijn uitslagen uit de boeken te halen. Alles is in het werk gezet om hem te doen vergeten. Dat lukte ze toen bijna, de tijd is bezig met de rest.
Labels:
Albert Richter,
Baanwielrennen,
Gestapo,
Nazi,
Tweede Wereldoorlog
maandag 2 april 2012
Kekke dametjes
“Nieuwe sneakers, Skinny jeans en een kek basebal jackie, ze zag er helemaal hot and happening uit joh.”
“Oh wat gaaf voor d’r, en dat helemaal in Barcelona!” reageert de oude dame.
De twee dames lijken zo weggelopen uit de C100 reclame. De typetjes van Tineke Schouten, de bekakte Martha en Thérèse. Inclusief het bekakte accent. En ze zitten dus recht tegenover me in de trein. Twee chique zussen die rustig kwebbelend onderweg zijn naar Amsterdam. Mensen die genoemd worden in de gesprekken luisteren naar namen als: Emiel, Jan Willem, Marie-Henriette en, hoe kan het ook anders, Thérèse.
Dit verbaast mij allemaal geenszins, de gespreksonderwerpen verbazen mij.
Dame 1 legt uit dat haar nieuwe jas een ‘super handig’ vakje heeft voor haar iPhone. Daar wees een ‘vrind’ haar op tijdens een strandfeestje in Barcelona. “Het werd een beetje chillie dus ik trok mijn jas aan en toen zag hij dat er zo’n vakje in zat.” “Echt superhandig,” jubelt ze verder. Waarom wordt verder niet duidelijk.
De dames gaan gekleed in lange donker blauwe jas, lange plooi rok en zwarte lakschoenen met zo’n grote zilveren gesp op de wreef. De grijze haren zijn tot een chique suikerspin opgestoken en vastgepind met een klassieke, met stenen ingelegde, speld.
“Wat ik dan wel vervelend vind aan Barcelona is dat er zoveel geweld is op straat in de nacht,” legt Dame 2 uit. Verbijsterd kijk ik nog eens goed naar de dames. Ongetwijfeld komen ze uit Aerdenhout, of Bloemendaal, ze hebben een hete aardappel in de keel waarbij die van Koningin Beatrix lauw warm lijkt. Ze zijn verder minstens tegen de tachtig maar ik sta desalniettemin niet raar te kijken als ze straks opeens gaan zitten twitteren.
Benidorm bastards goes chique
“Gaat u maar voor jongeman.” Zegt ze tegen mij als we bij de eindbestemming zijn. “Ik blijf in de buurt van mijn ‘vrindin’”
“Weet jij waar we moeten uitchecken?” Vraagt ze aan haar ‘vrindin’
“geen flauw benul,” antwoord de ander.
Net als ik verwacht dat ze naar dat allerhandigste vakje in haar jas zal reiken om het even te ‘googlen’ kijkt ze om zich heen. Op zoek naar zo’n alleraardigste conducteur.
vrijdag 30 maart 2012
Ode aan de Flandrien
Eenmaal heb ik het aangedurfd, ik was pas net begonnen met wielrennen en was onbevreesd. Onwetend vooral. Ik had jarenlang op een mountainbike de meest onbegaanbare paden in de Alpen overwonnen. Dus hoe erg konden die paar kilometer keitjes daar in dat Vlaamse land nou eigenlijk zijn? Die 140 km kon ik ook wel aan, ik had wel vaker meer dan vier uur op de fiets gezeten.
De ‘Ronde’ ging gereden worden.
De eerste, koude, kilometers gaan vlotjes over de immer glooiende wegen. Het is kraakhelder en de zon verwarmt al snel mijn benen en doet het bloed weer in vingers en tenen stromen. Waar ik ook kijk, alles en iedereen ademt wielrennen. Dit wordt een top dag!
Ik pik aan bij een grote groep die het tempo er lekker in heeft. De heerlijk prikkende geur van massage olie en tijgerbalsem maakt het wielerplaatje compleet en binnen no time zitten de eerste 35 kilometer er op. Van enthousiasme neem ik een keer over en rij ik op kop van een vijftigtal wielrenners. Ik rijd de Ronde! Er is nog geen vuiltje aan de lucht maar van de TV herken ik deze brede baan die vooral bergafwaarts gaat. Met een snelheid van 70 km/pu razen we naar beneden. Naar de eerste hindernis.
Ineens slaan we af en is de weg drie keer smaller. Asfalt heeft plaats gemaakt voor keien en de hellingsgraad is veranderd van dalen naar stijgen. Ik heb niet goed geschakeld en moet op een iets te zware versnelling de Molenberg op. Het gehobbel valt hier mee al is het oppassen dat je wiel niet wegglipt. Harkend kom ik boven. Mijn eerste echte Vlaamse berg is een feit. ik glunder van top tot teen.
Vol goede moed ga ik verder. Het groepje is uiteen geslagen maar al snel ontstaat er een nieuwe. ‘Volle vaart vooruit’ staat er op een shirt voor me en dat lijkt me een zeer goede instelling voor het vervolg van dit avontuur. Vanaf een lekker lopende weg slaan we scherp linksaf.
Bonk, klets, kledder, pang, kloink, hots, klots. De hel breekt los. De paddenstraat. De langste kasseienstrook uit de Ronde, en de slechtste. De eerste 113 en een halve meter gaan nog best goed maar daarna is de snelheid eruit en is het werken geblazen. “Spanning op de benen houden en de handen losjes bovenop het stuur”, zo zeggen ze. Maar hoe in godsnaam? Ik stuiter van links naar rechts en wil een richting kiezen maar mijn fiets beslist steeds anders. Waardoor ik het stuur weer iets strakker vastklem met mijn knuisten wat als gevolg heeft dat elke trilling rechtstreeks mijn schouders en nek inslaat. Bidons, pompjes, reepjes, jasjes, brillen fietsbanden, mannen en vrouwen zie ik langs de weg liggen. Van ellende of gewoon omdat ze een band moeten plakken. Hobbelend, botsend, vloekend en tierend smeek ik om het einde. Tom Boonen zat hier ooit doodleuk aan Armstrong uit te leggen hoe en waar hij moest rijden. Armstrongs’ blik sprak boekdelen: How? Fucking how do you do that?!
Als de keien overgaan in asfalt laat ik een traan van genot.
De volgende hindernis van naam is de Koppenberg. Een slecht aangelegde puist met stukken van 24% of 22% maar een kniesoor die daar op let. Kapot ga je sowieso. De berg wordt steiler en steiler. Ondanks dat de stenen net zijn gelegd liggen ze er beroerd bij. Ik moet slingeren om de lopers (losers) te ontwijken, desondanks gaat het redelijk goed, ik ga het halen. Melkzuur spuit uit mijn poriën. In een flits zie ik een bekend gezicht, ik herken haar niet meteen. Ze moedigt me aan, wat leuk is. Ze vraagt iets, ik antwoord niet, kijk naar voren, trappen, focus. Het steilste stuk dient zich aan. Ik heb hier goed profs in topvorm zien afstappen. Ik denk er niet aan. En rij door. Stapvoets. Boven stap ik voor het eerst af. Smijt mijn fiets in het gras en buig voorover, en weer naar achter. Happen naar adem heet dit. Min moeder is naar boven gekomen: “Zag je me niet?” vraagt ze. “Cippolini reed naast je.”
De Ronde van Vlaanderen dus
Er volgen nog een aantal kasseistroken en wat bergjes. De paterberg, kruisberg haaghoek Oude Kwaremont, Berendries, etc. Allemaal als opwarmertje voor die ene heilige puist in het mooie stadje Geraardsbergen. Over het plein naar Links, aldus het bordje met het magische woord ‘MUUR’. De weg stijgt lichtjes maar de benen beginnen serieus te kraken. Gehobbel en geklim hebben zich als scherpe naalden in mijn dijbenen en kuiten genesteld. Dan gaat de weg scherp naar rechts en daar zijn de kinderkopjes ook weer. We rijden het bos in en het stijgingspercentage wordt nu echt serieus. Net als de pijn in mijn benen en longen.
Ik ga het niet halen,
Ik ga het niet halen
Ik ga het godverdomme niet halen!!
Alléé manneke! Trappe!! Hoor ik naast me en nu valt me op dat de hele berg tjokvol mensen staat. Toeschouwers die iedereen een hart onder de riem steken. De geur van bier en hamburgers blijft hangen onder de bomen. Ik ga niet lopen voor al deze mensen besluit ik en ik ga nog maar eens op de pedalen staan. Ik verbijt de kramp die als messteken door mijn bovenbenen schiet. Het eerste steile stuk is gehaald, de bocht om en dan nog een kasseienpad dat rechtstreeks omhoog naar de hemel lijkt te gaan. De kapelmuur. Ik verbijt me nog éénmaal en kom heelhuids boven bij het kapelletje aan. Ik sla een kruisje. Voel me euforisch. Ondanks de bloedsmaak die vanuit mijn longen mijn mond in komt. Ik heb het gehaald! Ik heb ‘de MUUR’ overwonnen
Nog 20 kilometer en één berg. Eitje! En dan wacht mij een heerlijke trappist en een hele grote bak friet. Ik ben een Flandrien!
De ‘Ronde’ ging gereden worden.
De eerste, koude, kilometers gaan vlotjes over de immer glooiende wegen. Het is kraakhelder en de zon verwarmt al snel mijn benen en doet het bloed weer in vingers en tenen stromen. Waar ik ook kijk, alles en iedereen ademt wielrennen. Dit wordt een top dag!
Ik pik aan bij een grote groep die het tempo er lekker in heeft. De heerlijk prikkende geur van massage olie en tijgerbalsem maakt het wielerplaatje compleet en binnen no time zitten de eerste 35 kilometer er op. Van enthousiasme neem ik een keer over en rij ik op kop van een vijftigtal wielrenners. Ik rijd de Ronde! Er is nog geen vuiltje aan de lucht maar van de TV herken ik deze brede baan die vooral bergafwaarts gaat. Met een snelheid van 70 km/pu razen we naar beneden. Naar de eerste hindernis.
Ineens slaan we af en is de weg drie keer smaller. Asfalt heeft plaats gemaakt voor keien en de hellingsgraad is veranderd van dalen naar stijgen. Ik heb niet goed geschakeld en moet op een iets te zware versnelling de Molenberg op. Het gehobbel valt hier mee al is het oppassen dat je wiel niet wegglipt. Harkend kom ik boven. Mijn eerste echte Vlaamse berg is een feit. ik glunder van top tot teen.
Vol goede moed ga ik verder. Het groepje is uiteen geslagen maar al snel ontstaat er een nieuwe. ‘Volle vaart vooruit’ staat er op een shirt voor me en dat lijkt me een zeer goede instelling voor het vervolg van dit avontuur. Vanaf een lekker lopende weg slaan we scherp linksaf.
Bonk, klets, kledder, pang, kloink, hots, klots. De hel breekt los. De paddenstraat. De langste kasseienstrook uit de Ronde, en de slechtste. De eerste 113 en een halve meter gaan nog best goed maar daarna is de snelheid eruit en is het werken geblazen. “Spanning op de benen houden en de handen losjes bovenop het stuur”, zo zeggen ze. Maar hoe in godsnaam? Ik stuiter van links naar rechts en wil een richting kiezen maar mijn fiets beslist steeds anders. Waardoor ik het stuur weer iets strakker vastklem met mijn knuisten wat als gevolg heeft dat elke trilling rechtstreeks mijn schouders en nek inslaat. Bidons, pompjes, reepjes, jasjes, brillen fietsbanden, mannen en vrouwen zie ik langs de weg liggen. Van ellende of gewoon omdat ze een band moeten plakken. Hobbelend, botsend, vloekend en tierend smeek ik om het einde. Tom Boonen zat hier ooit doodleuk aan Armstrong uit te leggen hoe en waar hij moest rijden. Armstrongs’ blik sprak boekdelen: How? Fucking how do you do that?!
Als de keien overgaan in asfalt laat ik een traan van genot.
De volgende hindernis van naam is de Koppenberg. Een slecht aangelegde puist met stukken van 24% of 22% maar een kniesoor die daar op let. Kapot ga je sowieso. De berg wordt steiler en steiler. Ondanks dat de stenen net zijn gelegd liggen ze er beroerd bij. Ik moet slingeren om de lopers (losers) te ontwijken, desondanks gaat het redelijk goed, ik ga het halen. Melkzuur spuit uit mijn poriën. In een flits zie ik een bekend gezicht, ik herken haar niet meteen. Ze moedigt me aan, wat leuk is. Ze vraagt iets, ik antwoord niet, kijk naar voren, trappen, focus. Het steilste stuk dient zich aan. Ik heb hier goed profs in topvorm zien afstappen. Ik denk er niet aan. En rij door. Stapvoets. Boven stap ik voor het eerst af. Smijt mijn fiets in het gras en buig voorover, en weer naar achter. Happen naar adem heet dit. Min moeder is naar boven gekomen: “Zag je me niet?” vraagt ze. “Cippolini reed naast je.”
De Ronde van Vlaanderen dus
Er volgen nog een aantal kasseistroken en wat bergjes. De paterberg, kruisberg haaghoek Oude Kwaremont, Berendries, etc. Allemaal als opwarmertje voor die ene heilige puist in het mooie stadje Geraardsbergen. Over het plein naar Links, aldus het bordje met het magische woord ‘MUUR’. De weg stijgt lichtjes maar de benen beginnen serieus te kraken. Gehobbel en geklim hebben zich als scherpe naalden in mijn dijbenen en kuiten genesteld. Dan gaat de weg scherp naar rechts en daar zijn de kinderkopjes ook weer. We rijden het bos in en het stijgingspercentage wordt nu echt serieus. Net als de pijn in mijn benen en longen.
Ik ga het niet halen,
Ik ga het niet halen
Ik ga het godverdomme niet halen!!
Alléé manneke! Trappe!! Hoor ik naast me en nu valt me op dat de hele berg tjokvol mensen staat. Toeschouwers die iedereen een hart onder de riem steken. De geur van bier en hamburgers blijft hangen onder de bomen. Ik ga niet lopen voor al deze mensen besluit ik en ik ga nog maar eens op de pedalen staan. Ik verbijt de kramp die als messteken door mijn bovenbenen schiet. Het eerste steile stuk is gehaald, de bocht om en dan nog een kasseienpad dat rechtstreeks omhoog naar de hemel lijkt te gaan. De kapelmuur. Ik verbijt me nog éénmaal en kom heelhuids boven bij het kapelletje aan. Ik sla een kruisje. Voel me euforisch. Ondanks de bloedsmaak die vanuit mijn longen mijn mond in komt. Ik heb het gehaald! Ik heb ‘de MUUR’ overwonnen
Nog 20 kilometer en één berg. Eitje! En dan wacht mij een heerlijke trappist en een hele grote bak friet. Ik ben een Flandrien!
donderdag 22 maart 2012
Oogcontact van het eenzaamste soort (Spinvis)
De bar is vol en warm en klam, ondanks het feit dat er geen dak op zit. Het is midden juli ergens op een Grieks eiland midden in de azuurblauwe zee. Zoals het op elk Grieks eiland gaat in het hoogseizoen hangt de lucht vol met seksuele verwachtingen. Jongens gedragen haantjes en de meisjes als gewillige kippetjes. De feromonen spuiten uit ieder zijn poriën door de aanblik van strakke jurkjes en nog strakkere hotpants aangevuld met wellicht iets te kleine topjes. Lustige blikken kruizen elkaar in rap tempo, af en toe blijft er een setje hangen. Maar het is nog te vroeg. Eerst moet er nog flink gedronken en gedanst worden voordat er daadwerkelijk actie ondernomen wordt, het voorspel der voorspelen. Rijst natuurlijk de vraag wat ik hier doe?
Ik ben hier alleen, en op de vlucht. Op de vlucht voor thuis, op de vlucht voor verloren liefdes en op de vlucht voor de algehele misère waarin ik thuis verzeild ben geraakt. Bijgevolg werk ik hier dus op deze Griekse versie van Sodom & Gomorra.
Leek me goed voor mijn ontwikkeling.
Mijn werkzaamheden bestaan uit het rondleiden van brakke toeristen over dit, overigens mooie, eiland. Op een mountainbike. De eerste twee maanden heb ik niets anders gedaan dan precies dat. Te moe, te lamlendig en te chagrijnig om ook maar enigszins te genieten van alles wat dit eiland verder te bieden heeft. Daar komt bij dat de werkzaamheden minder romantisch zijn dan vooraf ingeschat. Na de ritjes met de olijke toeristen moeten de fietsen schoongemaakt, afgesteld en opgeborgen. Als ik om elf uur eindelijk eens aan mijn avondeten kan beginnen heb ik mazzel. Niks drinken en feesten met de gezellige vakantiegangers die natuurlijk zwaar onder de indruk zijn mijn gebruinde gespierde kuiten.
Morgen ben ik eindelijk vrij, en die dag erna ook. De reisleiders met wie ik veel contact heb tijdens mijn werk zouden in deze club ’s avonds altijd bij elkaar komen om een feestje te bouwen. Één van hen vond het wel een goed idee voor mij om daar ook eens bij te zijn. Ik loop richting bar, heb nog niemand gezien wat mij de gelegenheid geeft om eens rustig te aanschouwen wat hier allemaal gebeurt. Bij de blonde Nederlandse en rondborstige barvrouw bestel ik een biertje. Een koude Mythos wordt mij knipogend aangereikt. Een twinkeling schiet via mijn ogen richting mijn onderbuik. Het was alweer even geleden en ik denk een uitnodiging te herkennen.
Ze gaat verder met haar werk en knipoogt het ene na het andere biertje weg. Ik draai me om en vergeet haar zo goed en kwaad als het gaat. Ik overzie de menigte, een krioelende massa zwetend mensenvlees, zich voorbereidend op dat ene hoogtepunt dat de avond en voor anderen de vakantie geslaagd moet maken.
Plots blijft mijn blik hangen, onvermijdelijk. Ze is duidelijk niet Hollands, Duits, Engels, Scandinavisch of anderszins noord europees. Diepe en grote donkere ogen kijken heerlijk vernietigend recht in mijn ziel. Ik krijg het warm. Haar donkere krullen vallen nonchalant en luchtig over haar blote schouders. Grote zilveren oorringen verstrengelen zich als gepassioneerde geliefden met deze donkere lokken. Haar lichaam heeft de rondingen van de mooiste Egyptische koninginnen. Een Griekse Cleopatra. De rest van de discotheek vervaagt tot een wazige bewegende menigte, het enige dat nog scherp staat is deze betoverend mooi vrouw. Haar lichaam beweegt traag mee met het snelle ritme van de muziek. Onze blikken laten elkaar niet los ondanks dat ze aan de andere kant van de ruimte staat. Ze loopt, nee schrijdt van de ene kant van de zaak langzaam naar de andere. Zo’n 300 mensen verhinderen direct contact, we blijven elkaar aankijken, ze glimlacht. Lief, mooi en een tikkeltje verlegen. Een haarlok valt voor haar ogen, haar slanke hand werkt deze routineus weer naar achter, haar ogen vallen een moment neer om met een weldaad aan pracht weer te openen.
Ik moet iets doen. Nu. Ik vraag me af waar ze naar toe loopt, totdat ze stil blijft staan. Recht tegenover me. Heel even verbeeld ik mij dat de mensenmassa, als ware zij de Rode Zee voor Mozes, zich opent en dat we naar elkaar toe lopen om elkaar vurig te kussen en elkaar nooit meer los te laten. De mensenmassa beweegt er niet minder om maar is ook niet van plan maar één millimeter te wijken.
Ik moet iets doen.
Ik gebaar of ze iets wil drinken, maar ja hoe doe je zoiets in het Grieks? Op het moment dat ik nadenk over wat ik nu aan het doen ben of zou moeten doen, doet ze me heel erg denken aan de reden waarom ik hier ben. Pijn schiet door mijn hart en verdrijft de geveinsde euforie die zich eerder van mij meester maakte. Een knoop schiet in mijn maag, ik staak mijn pogingen haar iets duidelijk te maken. Ze glimlacht en loopt door naar waar ze naar toe ging. Alles wordt weer scherp, de muziek dringt ineens weer als een irritante mug mijn oren binnen. Ik bestel haastig nog een biertje, de barvrouw zet het zonder blikken of blozen voor me neer.
Ik realiseer me dat de pijn waarvoor ik vlucht ook niet thuis is gebleven. Ik neem een slok en nog één en dan klok het koude bier in één keer achterover. Overmand door eenzaamheid in deze steeds heftiger bewegende mensenmassa die totaal geen last schijnt te hebben van enige emotionele beperkingen vlucht ik naar buiten. Bij het naar buiten lopen zie ik haar weer staan, ze ziet me niet. Ik loop vlak langs haar en neem haar geur voor de rest van de nacht met me mee.
Ik ben hier alleen, en op de vlucht. Op de vlucht voor thuis, op de vlucht voor verloren liefdes en op de vlucht voor de algehele misère waarin ik thuis verzeild ben geraakt. Bijgevolg werk ik hier dus op deze Griekse versie van Sodom & Gomorra.
Leek me goed voor mijn ontwikkeling.
Mijn werkzaamheden bestaan uit het rondleiden van brakke toeristen over dit, overigens mooie, eiland. Op een mountainbike. De eerste twee maanden heb ik niets anders gedaan dan precies dat. Te moe, te lamlendig en te chagrijnig om ook maar enigszins te genieten van alles wat dit eiland verder te bieden heeft. Daar komt bij dat de werkzaamheden minder romantisch zijn dan vooraf ingeschat. Na de ritjes met de olijke toeristen moeten de fietsen schoongemaakt, afgesteld en opgeborgen. Als ik om elf uur eindelijk eens aan mijn avondeten kan beginnen heb ik mazzel. Niks drinken en feesten met de gezellige vakantiegangers die natuurlijk zwaar onder de indruk zijn mijn gebruinde gespierde kuiten.
Morgen ben ik eindelijk vrij, en die dag erna ook. De reisleiders met wie ik veel contact heb tijdens mijn werk zouden in deze club ’s avonds altijd bij elkaar komen om een feestje te bouwen. Één van hen vond het wel een goed idee voor mij om daar ook eens bij te zijn. Ik loop richting bar, heb nog niemand gezien wat mij de gelegenheid geeft om eens rustig te aanschouwen wat hier allemaal gebeurt. Bij de blonde Nederlandse en rondborstige barvrouw bestel ik een biertje. Een koude Mythos wordt mij knipogend aangereikt. Een twinkeling schiet via mijn ogen richting mijn onderbuik. Het was alweer even geleden en ik denk een uitnodiging te herkennen.
Ze gaat verder met haar werk en knipoogt het ene na het andere biertje weg. Ik draai me om en vergeet haar zo goed en kwaad als het gaat. Ik overzie de menigte, een krioelende massa zwetend mensenvlees, zich voorbereidend op dat ene hoogtepunt dat de avond en voor anderen de vakantie geslaagd moet maken.
Plots blijft mijn blik hangen, onvermijdelijk. Ze is duidelijk niet Hollands, Duits, Engels, Scandinavisch of anderszins noord europees. Diepe en grote donkere ogen kijken heerlijk vernietigend recht in mijn ziel. Ik krijg het warm. Haar donkere krullen vallen nonchalant en luchtig over haar blote schouders. Grote zilveren oorringen verstrengelen zich als gepassioneerde geliefden met deze donkere lokken. Haar lichaam heeft de rondingen van de mooiste Egyptische koninginnen. Een Griekse Cleopatra. De rest van de discotheek vervaagt tot een wazige bewegende menigte, het enige dat nog scherp staat is deze betoverend mooi vrouw. Haar lichaam beweegt traag mee met het snelle ritme van de muziek. Onze blikken laten elkaar niet los ondanks dat ze aan de andere kant van de ruimte staat. Ze loopt, nee schrijdt van de ene kant van de zaak langzaam naar de andere. Zo’n 300 mensen verhinderen direct contact, we blijven elkaar aankijken, ze glimlacht. Lief, mooi en een tikkeltje verlegen. Een haarlok valt voor haar ogen, haar slanke hand werkt deze routineus weer naar achter, haar ogen vallen een moment neer om met een weldaad aan pracht weer te openen.
Ik moet iets doen. Nu. Ik vraag me af waar ze naar toe loopt, totdat ze stil blijft staan. Recht tegenover me. Heel even verbeeld ik mij dat de mensenmassa, als ware zij de Rode Zee voor Mozes, zich opent en dat we naar elkaar toe lopen om elkaar vurig te kussen en elkaar nooit meer los te laten. De mensenmassa beweegt er niet minder om maar is ook niet van plan maar één millimeter te wijken.
Ik moet iets doen.
Ik gebaar of ze iets wil drinken, maar ja hoe doe je zoiets in het Grieks? Op het moment dat ik nadenk over wat ik nu aan het doen ben of zou moeten doen, doet ze me heel erg denken aan de reden waarom ik hier ben. Pijn schiet door mijn hart en verdrijft de geveinsde euforie die zich eerder van mij meester maakte. Een knoop schiet in mijn maag, ik staak mijn pogingen haar iets duidelijk te maken. Ze glimlacht en loopt door naar waar ze naar toe ging. Alles wordt weer scherp, de muziek dringt ineens weer als een irritante mug mijn oren binnen. Ik bestel haastig nog een biertje, de barvrouw zet het zonder blikken of blozen voor me neer.
Ik realiseer me dat de pijn waarvoor ik vlucht ook niet thuis is gebleven. Ik neem een slok en nog één en dan klok het koude bier in één keer achterover. Overmand door eenzaamheid in deze steeds heftiger bewegende mensenmassa die totaal geen last schijnt te hebben van enige emotionele beperkingen vlucht ik naar buiten. Bij het naar buiten lopen zie ik haar weer staan, ze ziet me niet. Ik loop vlak langs haar en neem haar geur voor de rest van de nacht met me mee.
Labels:
Cleopatra,
Corfu,
Griekenland,
liefde,
oogcontact,
Spinvis
Abonneren op:
Posts (Atom)




