vrijdag 12 augustus 2011

Met de trein fietsen op vakantie

Met het ingaan van de zomervakantie maakt de forens plaats voor een heel anders soort reiziger; de reiziger. Van de meesten heb je geen last. Op een verdwaalde rugtas of koffer na en een eventuele walm van die typische lucht die backpackers nog wel eens met zich willen meebrengen. Het fijne van de reizende reiziger is dat ze zich meestal niet in de spits bewegen.

Zoniet deze familie, nee, zij waren van het type ‘hoe vroeger op, hoe meer je aan je dag hebt.’ Ze zijn met z’n zessen, man, vrouw, twee jongetjes en twee meisjes. Met de fiets. Het is droog en halfbewolkt. Een graad of 19. Heerlijk fietsweer lijkt mij. Ik vraag mij dan ook serieus af waarom ze op Amsterdam Centraal op de Sprinter richting Rotterdam staan te wachten. De fietsen zien er burgerlijk onbeschadigd uit en aan het fanatisme waarmee het gezin over het perron springt heeft niemand last van enige vorm van blessureleed.

Ga lekker fietsen zou je zeggen.

Met zo’n druk en groot gezelschap de kleine sprinter betreden is vragen om moeilijkheden. De trein komt er aan en gaat ook stilstaan. Volgens de vrouw is hij te ver doorgereden zoals hij, naar haar zeggen altijd doet, wat mij doet afvragen waarom ze dan niet wat verderop is gaan staan. De deuren gaan open, en de mensen die uit willen stappen doen dit vastberaden. Tot afgrijzen van onze Akela. “Zodra ze er uit zijn, meteen je fiets in de trein zetten jongens.” Krijst ze. “Dit is de fietscoupé dus wij hebben gewoon voorrang,” drilled ze verder.

Haar grote sullige rustige man, hierna te noemen: GVR, hobbelt er rustig achteraan. De trein vertrekt om 9.17 uur. Het is pas 9.10 uur. Iedereen die de trein in wil doet dit op zijn of haar dooie akkertje, want kan rekenen. Wat een verschil met onze familie.

Het nadeel van de nieuwe sprinters is dat de deuren automatisch dichtgaan als er even niemand doorheen loopt, een waar wonder der techniek. Onze Akela raakt er echter vreselijk van in de stress. Ze drukt snel op de knop om de deur te openen ten teken dat ze er toch in wil. De deur reageert niet direct op haar verhoede pogingen de deur open te duwen. De deuren schuiven open. Ze gooit zichzelf erin en begint meteen vanuit de coupe Hitleriaans te commanderen. “Hop hop, geen gaten tussen de fietsen laten. De trein vertrekt niet voordat wij er allemaal inzitten! Pap! Jij ook! Snel! Of wilde je weer proberen ertussen uit te piepen? Kom op Marietje, in het wiel van Jacob, we mogen elkaar niet kwijtraken. Straks gaat die deur weer dicht, schiet op! Aansluiten, aansluiten!” het zweet op haar rug werkt zich een weg door haar wieleroutfit.

Nog 6 minuten.

Ik krijg echt zin om op fietsvakantie te gaan als ik dit zo zie. Die heerlijke rust, de wind door je haren, weg van de drukte.

“Niet tegen elkaar die fietsen!” Gaat onze Akela binnen verder. De GVR pakt rustig de fiets van zijn zoon aan en plaatst hem met een bemoedigend knikje naast de eerste. Hij herhaalt dit met de andere rijwielen. “Hoe vaak moet ik dat nog zeggen jongens, zo gaan ze stuk en dan kunnen we niet meer fietsen.” Gevolg hiervan is dat alle 12 opklap zitplekjes bezet zijn door fietsen tegen de tijd dat ze allemaal binnen zijn. Nu schatte ik de Akela niet echt heel sociaal in hoor, maar ze heeft echt schijt aan alles. Een volgende zweetdruppel probeert naarstig haar haar te verlaten, gelijk heeft ie.

Nog 3 minuten.

“We moeten allemaal even blijven staan jongens, het is niet anders. Allemaal binnen blijven hoor. ” Daar staan ze dan tussen de fietsen, zwijgend. De bruine boterhammen met kaas komen uit de fietstassen vergezeld door de onmisbare thermosfles. De GVR kijkt tevreden in zijn thermoskopje koffie. Rust…..


De trein gaat rijden. Muiderpoort, Amstel Station, Duivendrecht. De volgende moet ik er uit. Ik ga vast staan want er viel me iets op. Ik sta naast de GVR en begin hardop te tellen terwijl ik één voor één naar de fietsen wijs. Voorzichtig. 1,2,3, 4,…. 5, de man kijkt me aan en glimlacht samenzweerderig. Ik kom niet verder dan vijf fietsen. Hij maant me tevreden tot zwijgen. “Die van haar staat nog op Amsterdam Centraal,… hebben we straks eindelijk even rust.”

maandag 25 juli 2011

Mijn droomvakantie

Ik sta ineens als 36 jarige alleen op een camping in de ardennen. Het publiek op de campings in de ardennen kenmerkt zich door het feit dat het gezinnen op vakantie zijn of groepjes jongeren die een weekje of weekendje aan outdoor activiteiten gaan doen. Iedereen is dus jong of samen of allebei. Door verschillende omstandigheden ben ik hier beland, één omstandigheid is het feit dat ik niet in Frankrijk ben bij de ouders van mijn vriendin.

Dan merk je toch ineens dat je geen 20 meer bent. Het begint al bij het inchecken bij de receptie van de camping. Eigenlijk al bij het uitzoeken van de camping, want wat zocht ik eigenlijk? Geen jongerencamping, zoveel zelfbesef heb ik ook wel weer. Maar een familiecamping waar er na elf uur geen geluid mag worden gemaakt ging me ook wel iets te ver. Ik heb er namelijk niets op tegen om tot diep in de nacht bier te drinken met een groep gezellige mensen.
Camping Benelux in La Roche ging het worden. Een gezellige mix van trekkers en families. Een gezellige bar voorziet in het vertier in de avonduren en is open tot 01.00 uur. Dat bood perspectief. Er was zelfs een plek waar men gezellig kon samenzijn rondom een kampvuur. En ze hadden gratis wifi.

Zoals gezegd voelde ik mij al niet perse op mijn gemak bij de receptie. Ik kwam vragen om een plek om een tent neer te zetten. Hoeveel tenten en hoeveel personen vraagt de wat zwaar opgemaakte plusminus 45-jarige brunette me. In eerste instantie antwoord ik niet daar ik ben afgeleidt door de vrij en lustig bungelende borsten in haar tanktop. “Eh,.. une tente pour une persone madame,” antwoord ik stamelend. Ze kijkt me onderzoekend aan, het is niet te zien of het uit interesse is of dat ze het niet helemaal vertrouwt. Halverwege het onderzoekend naar mij kijken stoppen haar borsten eindelijk eens met bewegen. Ik zet de auto zo dicht mogelijk bij het tentenveldje neer en ga op zoek naar een plek om de tent neer te zetten. Ondanks het slechte weer is het veldje redelijk vol. “Heb ik gelukkig nog een beetje kans op wat aanspraak vanavond” denk ik. De meeste kampeerders zijn op pad, ik kan dus niet zien of ik een beetje leuke buren ga krijgen, ik moet mijn plekje dus maar uitzoeken gebaseerd op locatie. Heel professioneel kijk ik omhoog naar de, achter de wolken verscholen, zon om te kijken of die niet om 6 uur ’s ochtends al vol op de tent staat en controleer de grond op haar mate van waterpasheid. Ik besluit schuin achter een boom te gaan staan en gok dat ik ten westen van die boom sta. Ik ga mijn spullen pakken.

Bij mijn auto staat de mevrouw van de receptie. Als ik aankom glimlacht ze betekenisvol en bungelt ze weer richting receptie. Binnen een kwartier ben ik ingericht en zet ik mijn auto weg. Ik loop naar het dorp om wat laatste inkopen te doen. Ondanks mijn redelijk minutieuze planning ben ik toch één en ander vergeten. Zoals daar zijn de fluitketel en de zaklamp. Deze zijn snel gevonden en ik besluit de finale van de touretappe te kijken in een café. Het zit vol met mannen van middelbare leeftijd, ik bestel een biertje en zoek een plekje met goed zicht op de tv. Al snel raak ik in gesprek. “U ook even weg van vrouw en kinderen om onder het genot van een pintje de Tour te kijken?” Vraagt de Belgische man in zijn beste Nederlands. “Nou eigenlijk ben ik hier alleen,” antwoord ik oprecht. De man kijkt me bedenkelijk aan en lacht dan. “Alleen ,.. hier? Hier zijn toch alleen maar gezinnen en groepjes jongeren?” Terwijl hij de betekenis van zijn woorden tot zichzelf door laat dringen krijgt hij een samenzweerderig glimlachje rond zijn mond. “amai, goe gezien ami, ge weet maar nooit.” “Wie zit er in de kopgroep?” probeer ik het onderwerp te veranderen naar iets met een minder vunzige ondertoon.

We babbelen wat over de koers en drinken in iets te rap tempo nog vier trappisten. Buiten miezert het onderhand, niks bijzonders now a days in Europa, ik wandel naar de camping en ga op zoek naar mijn tent. Helaas zit er niemand voor zijn tent in dit kloteweer, dus weet ik nog niet wie, wat en hoe mijn buren zijn. Gezellig op een wankel gastelletje een zakkie pasta opwarmen is ook niet echt een optie dus ik ga in het restaurant maar wat eten, maar niet voordat ik eerst met de onvermijdelijke rol toiletpapier, handdoek en toilettas naar de douche- en toiletruimte ben geschuifeld.

Weer fris en fruitig neem ik plaats aan een tafeltje onder het afdakje, het is per slot van rekening vakantie dus eten we buiten. Her en der zitten gezinnen en stelletjes wat te drinken, en er worden bordspelletjes gespeeld. Allemaal in lekker makkelijk zittende outdoor kleding, zoals kennelijk gebruikelijk in de campingscene. Ik heb voor de gelegenheid bedacht een overhemd aan te trekken en een spijkerbroek, met teenslippers. Het is tenslotte vakantie. Ik val duidelijk uit de toon. De receptioniste is getransformeerd tot serveerster, ze heet mij met haar verleidelijkste glimlach welkom en vraagt wat ik wil drinken.
“Een rode wijn alstublieft mevrouw.” Probeer ik zo afstandelijk mogelijk te zeggen. Al vrees ik dat de trappisten mijn ogen in standje guitig hebben gezet. Diezelfde trappisten hebben haar bungelende vrienden ook een stuk interessanter gemaakt. “En de plat du jour graag,” sluit ik mijn bestelling af.

Ik drink rustig van mijn wijn in afwachting van het eten. De wijn haalt desalniettemin het eten niet. Audrey, de bedienende receptioniste, brengt mij ongevraagd nog een glas met een knipoog ten teken dat het van het huis was. Denk ik. Hierbij vertelde ze ook meteen haar naam. Audrey, ik heb altijd al een zwak gehad voor namen als Audrey. Geen idee waarom. Het tweede wijntje doet me besluiten niet meteen af te taaien na het eten. Het eten volgt snel, en voel ik tijdens het uitserveren nou iets tegen mijn schouder aan duwen…..?

Ik word wakker, vakantie! De auto is snel ingepakt en ik ben er helemaal klaar voor. Eerste stop is La Roche in de ardennen, camping Benelux. Ik loop een laatste ronde door huis, trek er nog een stekker uit want 'je weet maar nooit' en ga op pad. Alleen de grote wereld in, het avontuur lonkt, de zon doet een moedige poging mijn strijdvaardigheid kracht bij te zetten. Ik zet Pearl Jam op en schreeuw hard mee. Dat moet ook wel want zo’n diesel maakt een pokke herrie! Bij Amstelveen hoor ik mezelf ineens heel hard schreeuwen. De snelheid zakt dramatisch, ik vlucht naar de vluchtstrook. Ik sta stil. De motor loopt maar reageert niet op mijn verwoede pogingen het gaspedaal in te drukken. Ik zet de motor uit,… en weer aan. Even lijkt hij het weer te doen, ik manoeuvreer de weg weer op en schakel door. Weer niks, ik rij definitief de vluchtstrook op en bel de ANWB, wordt weggesleept naar een veiliger plek. De Monteur is er snel uit, computer stuk, moet vervangen, in de veiligheidsmodus (stationair en dus 50km/h) terug naar af.

woensdag 13 juli 2011

De alles vernietigende spijt

Hij zit daar op het bankje tegenover de lagere school, diep weggedoken in de capuchon van zijn trui. Over die trui draagt hij nog een dikke vieze jas. Het is herfst en er hangt regen in de lucht. De eerste bladeren beginnen al te vallen, de lucht is kortom zwanger met de aankomende koude. Hij staart naar de grote dichte deur van het kleine schooltje. De deur die weldra open zal gaan om een meute van vreugde schreeuwende kinderen los te laten. Hij zit daar voor dat ene kleine lieve meisje, met die lieve blonde staartjes en die onschuldige blauwe kijkers. Die kijkers die hem zo aan zichzelf doen denken. Het beeld doet zijn maag samentrekken, een traan zoekt zijn weg door de diepe vieze groeven die zijn gezicht tekenen.

“Waar ging het mis?” Denkt hij voor de zoveelste keer bij zichzelf. "Was het die laatste vijf gulden munt? Die munt die eigenlijk voor de boodschappen was maar die ook echt de uitweg uit de ellende leek te zijn, deze keer echt! De munt die verdween in dat verschrikkelijke apparaat bij de snackbar, net als al die andere laatste vijf gulden munten die daar in die gleuf verdwenen?" Hij zucht vol spijt.

Het is bijna zover, als hij heel goed luistert dan hoort hij de stoelen in het schooltje al schuiven. Hoort hij hoe de boekjes in de kleine tasjes verdwijnen en hoe het de kinderstemmetjes zich langzaam van fluistertoon naar hoger volume vervormen. En hoe de juf tot het laatste moment de orde probeert te bewaren.

De opwinding in de klas slaat op hem over, hij gaat eens verzitten. Zijn blik wordt strakker richting de grote deur, zijn oren gespitst op de bel die weldra gaat rinkelen, ter inleiding van het weekend, van het moment dat hij haar ziet lopen.

"Ging het misschien mis bij dat ‘ene’ biertje in het café van ome Cor? Dat ene biertje dat altijd een tweede, derde, vierde en weet ik niet hoeveelste werd? Zou kunnen denkt jij treurig terwijl hij nog een slok van zijn bier neemt en inschat of hij nog een sjeggie zal draaien of dat hij moet wachten omdat de dag nog lang is en hij niet weet of hij daar wel genoeg voor heeft. Hij rolt er nog één en besluit er extra van te genieten.

"Of ging het daarvoor al mis, op zijn werk, toen hij zijn duim eraf zaagde. Wat was dat een bloedbad. Ze hebben de duim niet eens meer teruggevonden. Maar ja. Hij was wel direct uit de roulatie en zonder werk. God wat miste hij het samen zijn met de jongens aan de werkbank, in de kantine, na het werk, wat mistte hij het contact. Ineens moest hij zichzelf vermaken. Zijn vrouw kon er niets mee. En was binnen de kortste keren vertrokken met zijn dochter. Ze had gelijk ook, achteraf. Wat deed hij nou helemaal?" Gokken en drinken. Het leek allemaal zo onschuldig, ooit.

Andere ouders hebben zich verzamelt rondom het schoolpleintje. Hij hoort ze denken: wat moet die vent? En:”Is dat niet die dronkaard die hier elke dag zit? Daar zouden ze toch eens iets aan moeten doen!” Ach, hij is het gewend ondertussen. De vooroordelen.

De bel klinkt. De kinderen rennen de school uit, gillend, schreeuwend! Wel twee hele dagen vrij! Een klein meisje met twee blonde staartjes en hel blauwe ogen rent rechtstreeks naar het bankje recht tegenover het schoolplein. Ze gaat zitten, en wacht. Alle andere kinderen zijn al weg met hun ouders. Ze zit daar helemaal alleen, haar korte beentjes wiebelen van voor naar achter waardoor haar losse veter gezellig heen en weer zwiept. “Mama komt zo hoor,” fluistert ze tegen haar katoenen pop, “en misschien komt papa ook wel vandaag!” Ze kijkt verheugend om zich heen, de lege straten in.

zondag 3 juli 2011

De buik van Aida


De trein staat stil voor het centraal station van Amsterdam ter hoogte van de passenger Terminal. Op zijn hollands gezegd: De aanlegplaats voor passagiersschepen. De hele grote blauwe letters die samen AIDA vormen vallen me al snel op. Ze zijn geplakt op de dikke buik van een groot wit cruiseschip. Het grote schip met de exotische naam brengen mijn gedachten op hol. Het is minstens 100 graden in de trein dus mijn lichaam is al helemaal in de verre oorden stemming, Aida heeft mijn geest verder op weg geholpen.

Terwijl de zon de coupe nog verder opwarmt waan ik mij op het voordek van het schip, op een strandstoel naast het zwembad. De golven die tegen het schip beuken doen dit in een aangenaam ritme en een lekker geluidsniveau. Het ritme wordt af en toe verstoord door een plonzende medemens. Lachend kijk ik goedkeurend over mijn zonnebril naar de bikini dragende dader en ga verder met mijn eigen gedachten. Onze bartender, uiteraard van Antilliaanse afkomst, lacht luid en aanstekelijk terwijl hij de heerlijkste cocktails klaarmaakt. Al moet gezegd dat hij wat scheutig is met de alcohol, vooral bij de blonde vrouwen. Maar goed, wat geeft het, we hoeven nergens heen.

Tussen het zonnebadend cocktails drinken door worden we losgelaten in de meest sprookjesachtige dorpjes die de Oriënt rijk is. Daar waar de mensen nog geloven in geesten uit flessen en waar nog sultans met een tulband en met gekromd zwaard aan de heup rondlopen. Waar buikdansen nog opwindend is in plaats van wanstaltig. Waar kleine aapjes een pakje aanhebben en aandoenlijke dingen doen. In de kleine broeierige steegjes roken we waterpijp met de lokale bevolking nadat we ons te goed hebben gedaan aan sappige lamsbouten, verse vijgen en dadels en heerlijk soepele rode wijn uit van die gezellige leren zakken. De gouden belletjes om de heupen van de buikdanseresjes klingelen er lustig op los en één van mijn blonde reisgenotes begint spontaan mee te doen, en, of ze heeft het eerder gedaan of de magische sfeer in combinatie met de zwoele temperatuur en gul geschonken wijn missen hun uitwerking niet.Tot diep in de nacht drinken we, dansen we en genieten we van de gastvrijheid.

Waar een tijd van komen is komt ook een tijd van gaan. Ik neem afscheid van mijn nieuwe vrienden, ik beloof ze nog vaker op te zoeken en ga op zoek naar Aida. In de hoop dat ik de weg nog kan terugvinden in dit labyrint, dwaal ik door kleine en spannende steegjes. Hopend dat ik niet verstrikt raak in het web van bedwelmende pijp tabak en waarzeggers achter dikke zware gordijnen. Het duizelt, en ik ben mijn oriëntatie kwijt. Ik ga van steegje naar steegje. Door achteraf kamertjes, door kelders en steeds weer wenkt een mysterieus fluisterend personage dat hij weet waar ik naar toe moet.Elke ruimte komt uit in weer een andere straat. Nadat ik voor mijn gevoel wel door duizend en één gordijnen ben gelopen sta ik ineens in de haven. Aida is rood, groen en geel verlicht. Ze verwelkomt me door haar ladder te laten zakken en me binnen te laten. Op het voordek bij het zwembad staat de bartender, uiteraard van Antilliaanse afkomst, lachend zijn cocktails te bereiden. Hij wenkt me, in het zwembad is nog volop actie. “Kom” zegt ie, “drink er nog er met me en geniet van deze mooie avond. Geniet ervan voordat de dag haar weer opslokt.”

“Kijk dat grote witte schip moeten we hebben moeder!” zegt de man die tegenover mij zit tegen zijn vrouw naast me. De warmte heeft natte plekken gemaakt onder hun oksels en borsten. Ze zijn op respectabele leeftijd en klaar voor hun reis naar de Oriënt, met Aida. In kaki driekwart broek, sokken in hun sandalen en in hun survival overhemd. De ooit blonde vrouw kijkt verlangend naar buiten: “ik ben blij als ik met een cocktail aan dat zwembad op het voordek lig.”

donderdag 23 juni 2011

lopen naar de zon


Ze kijkt naar buiten als ik de coupé binnenstap. Een meisje van, pak ‘m beet, 17 jaar. Peper en zout kleurig lang haar, diadeem, spijkerjasje en een bloemetjesjurk. Net boven haar laarzen steken geruite sokken uit. Ze lijkt zo uit de laatste H&M folder gestapt. Eén van de hakken van haar cowboy laarzen zit een beetje los, de neuzen zijn versleten. Ze houdt haar telefoon in haar handen geklemd die in haar schoot rusten. De knieën tegen elkaar aan de voeten iets uit elkaar, de armen gestrekt. Ze leunt een beetje tegen het raam. Je zou er een vrolijk gezichtje bij verwachten, helaas.

Ik ga tegenover haar zitten.

De avond was al bezig terrein te winnen van de dag. De zon probeerde het afscheid te verzachten door haar laatste zonnestralen te gebruiken om de laaghangende bewolking felrood en roze te kleuren. Over de weilanden tussen Amsterdam en Haarlem had het licht vrij spel en de beweging van de trein gaf het geheel een onwerkelijk en dromerig karakter. Mijn medereiziger had nog niet bewogen, ze keek naar buiten. Ik had niet het idee dat ze iets van het kleurenwonder meekreeg. Ze staarde naar één plek in het raam, precies naar de sticker waarop staat dat je niets naar buiten mag gooien en ook niet uit het raam mag hangen. Betutteling. De aders op haar slanke handen waren opgezwollen van het krampachtig vasthouden van de telefoon. Er zat haar iets dwars, ik keek naar buiten naar de prachtige luchten en kleuren en in de reflectie van het raam zag ik vaag haar treurig starende onschuldige gezicht.

Mijn vader, bedacht ik ineens, zou gevraagd hebben “of er wat scheelde meisje?” Waarschijnlijk zou ze dan verteld hebben wat haar dwars zat. Zo’n man was ie . Ze zou vertellen dat ze op weg was naar het strand, om daar een wandeling te maken, een wandeling tot aan de zon. Ze vertelt:

“De populaire meiden in mijn klas lopen heel vaak met elkaar te smoezen, natuurlijk praten ze dan over mij. Dat voel je toch? En dan heb je ook nog die nieuwe leraar van Nederlands, die geeft mij altijd complimentjes en hij gebruikt bijna altijd mijn opstel als voorbeeld. Om de rest te laten zien hoe het moet. Te genant!”

“Iedereen denkt natuurlijk dat ik zijn lievelingetje ben of dat ik het met hem doe ofzo. Pfff, eikels. Dat is vast ook de reden dat die leuke jongen uit de andere klas niet naar me kijkt, dat hij zijn hoofd wegdraait als ik langsloop. De reden dat hij alleen maar staat te lachen met zijn vrienden als ik zijn aandacht probeer te trekken. “ Verzucht ze.

Papa zou begrijpend knikken en vragen of het thuis wel gezellig was.

“Thuis vraagt u? ach, daar zijn ze me ook liever kwijt dan rijk. Ze zijn al jaren geleden opgehouden met de schijn hoog te houden dat ze het gezellig hebben. Ik loop ze in de weg. Nee meneer dat valt niet mee………………. Mama vraagt me regelmatig wanneer ik van plan ben uit huis te gaan. Wanneer ik ze hun vrijheid eens gun………….. Daar wil ik ook niet meer heen.” Zegt ze zacht, door een in haar mondhoek gerolde traan heen.

“Dus Zandvoort it is!” zegt ze vast beraden. “ Eenmaal daar zijn ze allemaal van me af. Dan hebben ze op school tenminste echt iets om over te kletsen en kunnen de jongens om me lachen zonder dat ik het in de gaten heb. Dan kunnen de leraren eens iemand anders z’n opstel als voorbeeld nemen.”

“Dat opstel zal dan waarschijnlijk wel over mij gaan. Dat doen ze altijd, opstellen laten schrijven over recente gebeurtenissen.”

In Haarlem sta ik op, stap uit. Ik ben mijn vader niet. Als de trein wegrijdt zie ik haar zitten, starend naar buiten, schuin naar boven, ze glimlacht. De trein brengt haar naar de zee, de zon tegemoet.

vrijdag 20 mei 2011

De sleutelbos van één euro

Hij schuifelt de supermarkt in, niet goed wetend wat te doen. Links staan de mandjes en aan de rechterkant staan de winkelwagentjes. Hij kijkt nog eens op zijn lijstje en piekert er nog eens over terwijl de mensen achter hem niet door kunnen lopen. Een uitgewinkelde man biedt uitkomst, zijn niet terug geplaatste winkelwagentje rolt voor de voeten van de man. Hij grijpt zich vast en herkent er een rollator in.

Hij schuifelt achter zijn karretje door de winkel. Pad na pad loopt hij door, op zoek naar de spullen op zijn lijstje. Er zit nog niets in zijn wagentje. Op zijn corduroy broek zitten slijtplekken boven zijn knieën, waarschijnlijk van het wrijven over zijn pijnlijke gewrichten. Het opaatje staat al een tijdje stil bij de vleeswaren, hij kijkt nog eens naar zijn briefje en dan weer naar de vitrine. Hoofdschuddend loopt hij naar het volgende vak, thee en koffie. Hij heeft geen jas aan, het weer is best lekker maar het is niet iets voor mensen van zijn leeftijd om zonder jas het huis uit te gaan. Waar laat je dan per slot van rekening je portemonnee? Hij loopt daar in zijn overhemdje, hij heeft nog net geen pantoffels aan.

Ik ben het schuifelende mannetje even uit het oog verloren. Ik moet zelf toch ook het één en ander in mijn wagentje deponeren. Ah, daar gaat ie weer. Zonder karretje nu maar met een pakje hamlappen in zijn ene trillende hand en een sleutelbos in zijn andere. Hij is op weg naar de kassa.
Hij houdt de lappies in krampachtig vast en schrikt dus als mijn spullen, die dus op de band liggen, langs schuiven. “Ik wilde dit graag afrekenen mevrouw.” Zegt hij tegen de caissière. Op haar beurt zegt ze dat de hamlappen 1 euro kosten. Hij mompelt wat tegen het meisje en overhandigt haar zijn sleutelbos. Het meisje kijkt misprijzend in de handen van het inmiddels verwarde baasje en zegt dat ze een euro wil hebben en geen sleutelbos. Hij murmelt dat hij de sleutels wil achterlaten en dat hij thuis geld gaat halen, want hij is zijn portemonnee vergeten. Het kassameisje heeft geen idee waar hij het over heeft en dus herhaalt hij zijn, voor haar, onnavolgbare zinnen over de sleutels en de portemonnee.

Even, heel even denk ik heel nare dingen. Schiet verdomme eens op. Dan voel ik een losse euro in mijn broekzak, en denk: “Wat maakt die ene Euro eigenlijk uit?” Ik tik de man op zijn schouder, hij draait zich om en ik kijk in twee glazige paniekerige ogen. Hij wil zoveel zeggen maar het gaat niet helemaal meer. “Portemonnee vergeten,” zegt ie zacht. “Geeft niets meneer, dat kan iedereen gebeuren,” zeg ik terwijl ik de euro in zijn hand druk. Hij heeft het niet echt door, het kassameisje begrijpt het gelukkig wel en vraagt nog eens naar de sleutelbos. Hij laat de zijn hand zien met daarin de sleutels. “Kijk, er zit toch een euro tussen meneer, dat bedoelde u dus! Wilt u het bonnetje mee?” Het bonnetje hoeft hij niet, maakt hij duidelijk met een handgebaar. Hij pakt de hamlappen van de loopband en loopt weg, hij kijkt nog even om, dankbaar.

Mijn spulletjes gaan ondertussen langs de scanner, het kassameisje lacht begripvol naar me. “ach” stamel ik. Zachtjes tikt iemand op mijn schouder, ik draai me om. Een onvaste hand drukt een muntje van 50 cent in mijn handen. “Ik zou hetzelfde gedaan hebben jongen,”

dinsdag 3 mei 2011

Een hemelse knipoog!



We hebben weer een nieuwe jongedame in de familie. Mijn zuster kan er kennelijk geen genoeg van krijgen en heeft anderhalf jaar na het eerste wonder de wereld een nieuwe schoonheid geschonken. Als ik bij haar aankom met twee nieuwe knuffels, die eerste moet natuurlijk ook een cadeautje anders voelt die zich misschien wel buitengesloten, is Lente nog niet eens in bad geweest. Ze is gezellig thuis geboren, dus iedereen kan het lekker rustig aan doen. Mama ligt uitgeteld op bed, Elin klimt op het bed en er weer af en er weer op en er weer af en de oma’s zetten thee en verzorgen de koekjes en papa doet dat eigenlijk ook.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik altijd een beetje onwennig ben met pasgeboren baby’tjes, alles is nog slap, je hebt eigenlijk een arm te weinig om alle onderdelen afdoende te ondersteunen en verder doet het nog niet zoveel. Niets eigenlijk. Ietwat onhandig pak haar over van oma, een kreuntje. Ik manoeuvreer d’r wat heen en weer om haar goed in mijn armen te leggen en om de omslagdoek goed op zijn plek te houden. Een iets harder kreuntje nu en een krijsje. Armpje dubbel. Met de zweetdruppels al op mijn hoofd frummel ik het armpje weer in de juiste positie. Uiteindelijk ligt de kleine frummel naar ieders tevredenheid in mijn armen en kan ik het eens goed bekijken. Natuurlijk is ze prachtig, en lief en schattig en al die andere dingen die je zegt op kraamvisite, maar met Lente heb ik iets speciaals.

Net als ik denk; ze doet me aan iemand denken…… nog geen 12 uur oud en ze doet me al aan iemand denken. Zegt Manon: “Vind je ook niet dat ze ontzettend aan papa doet denken?”

Verdomd, dat is het. Hoe jong Lente ook is, ze heeft onmiskenbaar al wat echte Van den Eijnde trekjes. Die bolle wangetjes, die lieve maar donkere onderzoekende ogen en die lippen zijn inieminie versies van die van papa (en die van mij en die van Manon).
Ze kijkt me aan (hou ik me voor) en ik word meegezogen in de fotoalbums en de familiekiekjes. Papa als baby, opgevoed door zijn grote zussen en dus ook wel eens gekleed in wat meisjesachtige pakjes. Jurkjes tot knickerbocker vermaakt en jasjes en shirtjes ontdaan van roesjes en frutsels zodat het wat jongensachtiger leek. Hij kijkt met bolle wangen, donkere onderzoekende ogen lief in de camera. Zijn bovenlipje hangt iets over de onderste. Ik ontwaak uit mijn gedachte en kijk naar bijna hetzelfde lieve gezichtje.

Ik kijk nog eens goed, aai de kleine hummel nog eens over d’r bolletje, pak d’r piepkleine handjes nog eens vast. Ze heeft verbazingwekkend lange vingers en dito nageltjes. Familietrekje. Het kan papa natuurlijk nooit zijn, het is immers een meisje.
“Nou ja,” zegt het valse stemmetje in mijn hoofd. “Hij viel uiteindelijk op mannen dus zo heel erg zal hij het niet vinden om in een vrouwenlichaam te zitten.”
Ik lach voorzichtig en beschaamd.
“Wat is er aan de hand?” vraagt Manon. “Doet ze gek?”
“Oh nee hoor, niks aan de hand, binnenpretje.”
Ik kijk weer naar dat kleine droppie in mijn armen. Haar oogjes zijn open. Ze kijkt me aan. En geeft me een dikke vette knipoog. Deze Lente is hoogstwaarschijnlijk een mooi nieuw begin.