woensdag 21 december 2011

mijn huiskamer waterplantje

In mijn streven het huis wat op te vrolijken kwam ik in de grote blauwe doos iets leuks tegen, dacht ik. Een plantje dat je in een vaas zet die helemaal gevuld is met water. Mensen met groene vingers en plantenliefhebbers zouden dit een waterplantje noemen vermoed ik. Je kan het ook, naar het schijnt, zonder gewetensbezwaren zo in de vijver flikkeren. De stylisten hadden echter bedacht dat het ook heel leuk onder water in een vaas zou kunnen habiteren. En inderdaad, het ziet er hartstikke leuk uit, zo in de ruimte, of in een mooi open vak in de kast die midden in de kamer staat.

Het allerfijnste van dit plantje is wel dat het niet al teveel licht nodig heeft en bovenal, je hoeft het geen water te geven. Meer kan een ‘man alleen’ zich niet wensen van zo’n huis opfleurend stukje groen. Die ging dus in de tas samen met nog wat andere potjes en plantjes. Het moest één grote groene bedoening worden thuis.

Het mooi gevormde vaasje met het plantje, inclusief keramiek gekleurd minipotje, heeft al snel een plaatsje in huis gekregen. Mijn verwachtingen waren hooggespannen, het is leuk, geinig, modern, en decoratief. Op de eerste plek, naast de televisie viel het ding helemaal weg. Een bak water.

Op de eetkamertafel komt het ook in een identiteitscrisis. De katten denken dat het een combinatie is van een eet- en een drinkbak. Waar nog bij komt dat het er eerder uitziet als een middelbare school biologie project dan een opfleurend stukje flora. In de vakkenkast, die ik uiteraard ook bezit, is helaas geen plek. Laat staan dat deze midden in mijn kamer fungeert als roomdivider. De salontafel dan maar.

Waar ik het ook neerzet, het blijft een bak water met wat groene blaadjes. En onderin een guitig dobberend baksteenkleurig bakje. Als het nu eens twee meter hoog was en aan weerzijden van mijn met grind bestrooide oprijlaan zou staan zou het denk ik wel werken. Helaas tikt het ding net de twintig centimeter aan.

Na twee weken, waarin mijn lieve groene vriend alle hoeken van het huis heeft gezien, kom ik erachter dat het met dat water geven best wel tegenvalt. Nooit aan gedacht dat water verdampt, dikke witte randen hebben zich reeds afgezet aan de bovenkant van het fraai gevormde vaasje. De langste bladeren zitten uitgedroogd vastgeplakt aan de van het water vrijgekomen vaasrand. Je kan ze bijna horen schreeuwen om vocht. Ze kleuren bruin en de delen die nog gerieflijk onder water dobberen hebben een beetje dezelfde neiging. Als ik dichterbij kom, de bak water is onderhand een beetje uit het zicht geplaatst, komt er een muffe lucht mij tegemoet. Troebele bubbels drijven op het water. Zo vlakbij de kachel en uit het licht was niet de beste plek, blijkt. Na een half uurtje spoelen en schrobben ziet alles er weer fris uit.
Maar nog net zo kansloos.


Ik kijk vertederd naar het plantje met haar koddige vaasje. Ze passen bij elkaar, ik geef het dus nog niet op. Misschien moet ik wat vriendjes en vriendinnetjes voor d’r kopen. En dan lekker gegroepeerd neerzetten. Hebben we in ieder geval weer een missie…..

zondag 18 december 2011

Ingezonden brief

-Reactie op column in de pers van Maandag 19-12-2011-

Ik rij altijd met de trein,. Niet omdat ik geen ander vervoer heb, maar omdat ik het leuk vind om naar mensen te kijken te raden wat er hun omgaat. Hoe drukker de trein, hoe meer keus. Mij krijg je dus niet gek met een vertraging. Het jaargetijde van vierkante wielen is voor mij een feest.
Ik zie heel Nederland vertegenwoordigd en verzameld in deze gouden kokon. Zo is er de doorgewinterde treinreiziger met een persoonlijk coffee-to-go mok, krantje en een toegeëigende plek. De giechelende tieners met hun telefoons vergroeid aan hun vlugge vingertjes. Het oude echtpaar, op zoek naar een leuk museumpje en een verliefde stelletje op hun eerste date.
Toen ik van de week mijn ogen de vrije loop liet terwijl de trein bibberend tot stilstand kwam, zag ik het volgende; een jongen keek me vanuit een andere trein aan. Met een grote grijns op zijn gezicht alsof hij rechtstreeks weggelopen was uit ‘Het feest der herkenning’. Grappig, iemand die direct contact zocht, dat maak ik niet vaak mee.
Ik vroeg me af wat hem zo vrolijk maakte en teken een vraagteken op het raam. Hij beantwoordt dit met een uitroepteken en een vraagteken. Daar had ik dus niets aan. Ik trek de stoute schoenen aan en begin als een stoomboot het raam te bevochtigen. Zijn verhaal intrigeert me en wil hem mijn nummer geven voor het vervolg. Ik concentreer me op mijn spiegelschrift, maar hij ziet het al niet meer, de trein is op tijd...

Al lezend in de Pers kom ik bovenstaand verhaal tegen. Kan niet anders dan dat zijn verhaal over mij ging. Alleen ken ik hem niet, maar wilde jullie wel de andere kant van het treinverhaal laten weten. Wat heerlijk dat er mensen zijn die hun verhalen opschrijven, zo gebeurt er nog eens wat...

woensdag 14 december 2011

Onbereikbaar dichtbij

-Column in de Pers van maandag 19-12-2011-
De trein komt tot stilstand, het volgende station is net zo ver als het vorige. We staan in het niemandsland van de NS. Vanuit tegengestelde richting komt een andere trein aanrijden.

Stapvoets.

De trein is rustig, de zon staart me glazig aan. Ik kruip in mijn jas en terug in mijn leven. De counting Crows brengen me vanuit mijn koptelefoon terug naar mijn eerste studiejaar in Amsterdam. Waarin ik leerde wat echt doordrinken is, wat nachten overslaan inhoudt en waar ik leerde hoe een vrouwenlichaam er in het bloot uit ziet.

De tegemoet komende trein komt tot stilstand.

En ja ik kijk recht in het gezicht van een vrouw, ze is mooi, Ik ken haar. Voor ik het weet heb ik een glimlach losgelaten. Ze lacht terug, vragend. Ze kan me ook onmogelijk herkennen. Al het haar dat ik ooit had is al lang in het doucheputje verdwenen en we zijn zo’n 19 jaar verder. De tijd heeft nog niet veel grip op haar gekregen, ze ziet er nog bijna net zo uit als ik haar mij meen te herinneren.

Josephine. Haar naam stond dik in het rood op de onderkant van een trap gespoten in de flat waar we de nacht samen doorbrachten. Toevallig, want niet haar flat. Op één of ander feestje kwam ze vragen wat ik daar in godsnaam deed.Ze was mooi. En lachte lief tijdens de toch wat dwingende vraag. Aangeschoten en overmoedig als ik was zei ik dat ik naar haar op zoek was. Ze zoende me en ging mee. Mijn eerste blote vrouwen lichaam.

Ze ademt hard op het raam, met open mond, iets wat er gek uit ziet totdat de wasem ook daadwerkelijk op het raam zit. Ze tekent een vraagteken. “Hoe gaat het met je?” Denk ik er uit te moeten opmaken.
Ik bewasem het raam en teken een uitroepteken ten teken dat het goed gaat. Meteen daarnaast een vraagteken om te vragen hoe het met haar is, ervan overtuigd dat we elkaar herkent hebben.

Ze kijkt me niet begrijpend aan terwijl mijn trein langzaam maar onherroepelijk in beweging komt.

donderdag 8 december 2011

Meisjes

Meisjes zijn het, verkleedt als vrouwen. Nog lang niet klaar met het meisjes zijn, al vinden ze zelf van wel. Opgedoft, sexy, of iets wat daarvoor door moet gaan. Iets te kort, iets te strak, iets te bloot, iets te ordinair.

Één van de drie is een beetje ongemakkelijk, zit te draaien op het ongemakkelijke bankje van de Amsterdamse metro. “Ik ga er uit hoor als ik bij mijn halte ben!” Zegt ze voor de tweede keer, ongemakkelijk door de plotselinge aanwezigheid van de drie populaire jongens, verkleedt als mannen, ogenschijnlijk klaar om ook daadwerkelijk mannen te worden vanavond. Ze hebben alle drie al een slachtoffer uitgekozen. Dit valt af te lezen aan de manier waarop ze zijn gaan zitten en ze hun aandacht allemaal op een ander meisje richten.

De meisjes proberen het te negeren op een manier waarbij ze nog net genoeg glimlachen om te laten blijken dat ze wel degelijk gevleid zijn door de intense en wat onbeholpen aandacht.
Op haar na. Ze is met grote voorsprong de slankste van het stel en dat zegt veel meer over de anderen, ze is blonderig met een schattig staartje. Verder heeft ze van het drietal het meest haar best gedaan om er een beetje uit te zien als haar leeftijd; 16+. Dit heeft mede, en vooral, te maken met haar make-up die lang niet zo uitgesproken uitnodigend is als die van haar vriendinnetjes.

Niet geheel toevallig (denk ik) heeft ook de minst stoere van de jongens haar uitgezocht. Of beter: Is tot haar veroordeeld omdat hij het minst assertief was in het benaderen. Hij kijkt haar onderzoekend aan en is blij met wat hij ziet. Hij glimlacht naar haar en probeert iets te zeggen. Ze negeert hem half en wendt zich tot de groep: “ik ga dus echt de volgende halte er uit. Ik ga niet zomaar mee met een paar gasten die we net hebben ontmoet, toch?”zegt ze bijna verontschuldigend. “Zo leuk zijn ook weer niet,” knipoogt ze naar het sulletje.

Ze wil opstaan om uit te stappen. Haar vriendin probeert haar tegen te houden, die kan ze nog wel aan en ze staat op. Ze doet een stap richting de deur, de metro komt tot stilstand, één van de stoerdere jongens houdt haar tegen en zegt dat ze lekker moet blijven want het wordt gezellig. Hij houdt haar vast, ze lacht wat en wil doorlopen. Hij laat niet los.

Ding dong. De metro deuren sluiten weer. Hij lacht en duwt haar zacht maar onherroepelijk weer terug in het oncomfortabele bankje. Haar vriendinnen giechelen opgelucht. De suffige jongen wordt boos. Op zijn vriend. De volgende halte nadert, ze staat weer op, hij maakt ruim baan, zorgt dat ze kan op staan en naar de deur kan lopen. Het meisje lacht, ondeugend.

“Ping?” vraagt de jongen verlegen grijnzend.

Ze geeft hem een zoen op zijn mond,doet een briefje in zijn kontzak. Ding Dong, de deuren sluiten zich, vlak achter haar. Ze kijkt half om. Knipoogt. Zijn glimlach gaat van oor tot oor. Gejoel van zijn vrienden. Even.

Er is werk aan de winkel.

vrijdag 11 november 2011

Niets voor jou

Daar lig je.

Op je buik.

Pyjama nog aan.

Het huis is een bende.

Dit is helemaal niets voor jou, zo lig je normaal gesproken helemaal niet. Zo in de troep, zo in een hoekje. En waarom is je broek half afgezakt? Ik krijg het vermoeden dat hier iets niet helemaal in orde is. Het was ook al zo vreemd dat je al dagen de telefoon niet opnam.
Als ik dichterbij kom wordt alles mij op een verschrikkelijke manier duidelijk. Je ligt in een grote dieprode vlek. Je voeten doen denken aan die van een mummie, vel over been. Je billen zijn opgezet en blauw.
Je bent gevallen, opgekrabbeld, gevallen, en met je laatste krachten richting de bank gekropen om daar waarschijnlijk in een hoekje te gaan liggen, ineengekropen van de pijn.

Althans.

Dat is wat de lijkschouwer mij meedeelde na hun uitgebreide onderzoek. Maagbloeding, als gevolg van een verkeerde mix aan medicijnen. In eerste instantie dacht ik eerder aan moord, of aan zelfdoding.

Zelfmoord, het zou niet de eerste keer zijn dat hij dat probeerde. Ik herinner me het telefoontje van mijn zus nog goed. “Rogier, papa heeft een poging tot zelfmoord gedaan, we moeten er nu heen!
”Woede, verdriet en onbegrip vechten om voorrang in mijn hoofd, ze komen allemaal geen steek verder en laten mij vol woede, verdriet en onbegrip achter. Hoe kon je dat nou doen. En vooral, hoezo is het niet gelukt? Papa’s zijn sterk, papa’s zijn een voorbeeld, en dus als papa’s iets doen dan lukt het.


Niet dus

Nu is het anders, je ligt daar echt, en je bent ook echt dood, morsdood. Het leven is er echt helemaal uit en de eerste tekenen van nieuw leven beginnen zich enthousiast in je ontzielde lichaam te nestelen. Met dit besef trekt er gelijk een waas mijn brein in. Een waas van helderheid. Er gaat een knop om, ik moet handelen, ik moet iets doen!
112 lijkt me een goede eerste stap. Ik zeg tegen mijn lieve zus dat ze die moet bellen en dat ze zo snel mogelijk moeten komen. Waarom ik zeg dat ze zo snel mogelijk moeten komen weet ik niet zo goed, wellicht om Manon het gevoel te geven dat er nog iets te redden valt. En ja zo komen ze wel meteen, en doen ze er niet een uur over omdat er toevallig ergens anders ook iemand op sterven ligt. Ze bellen redelijk snel aan, aan de voordeur. Ik moet door het huis, we zijn door de tuin binnen gekomen en staan daar te wachten, te praten, te huilen, te bellen, radeloos te zijn. Ik doe mijn handen in mijn mouw als ik de deurklink vast pak, stel dat hij vermoord is dan mogen mijn vingerafdrukken niet overal bovenop zitten. (Ik ben zelf nog steeds verbaasd over deze heldere maar vreemde gedachtegang.)

Aan de gezichten van de broeders is meteen af te lezen dat het niet goed is. Hun telefoongesprek maakt de zaak definitief. “Het is hier goed mis. Verdachte situatie. Stuur alle diensten maar.” Zijn de flarden die ik oppik.

Daar lig je.

Op je buik.

Pyjama nog aan.

Het huis is een bende.

Dit is ook helemaal niets voor jou, zo had je van te voren niet bedacht. Mannen in witte pakken stappen over je heen, pulken met pincetten, wroeten door je spullen, overleggen met elkaar over je lichaam heen. Ze schudden hun hoofd, knikken bevestigend. Komen langzaam maar zeker tot een eindoordeel. De bel gaat nog een keer. Nog meer agenten die ons vriendelijk doch dringend verzoeken ergens anders heen te gaan.
“We moeten meneer gaan omdraaien en het is beter als jullie daar geen getuige van zijn. Er zijn echter ook nog een hoop vraagtekens dus hebben we jullie wel wat vragen te stellen. Bijvoorbeeld: waarom zijn jullie pas zo laat hier gekomen?”
Wederom vechten onbegrip, woede en verdriet om voorrang in mijn hoofd. Even wil ik heel bot en boos gaan doen, maar er knapt iets en laat het gebeuren. Ik steek nog maar een sigaret op en steek van wal. We worden bedankt voor de medewerking en het begrip. We worden genadeloos de straat opgestuurd, niet ver, blijf bereikbaar. Ik werp nog een laatste blik naar je lichaam. De allerlaatste.

We lopen weg, ik zie door de ramen en de tranen nog net vier mannen in het zwart aankomen. Met een zwarte zak.

Daar lag je dan.

Op je buik.

Pyjama nog aan.

Het huis is een bende.

vrijdag 28 oktober 2011

loslaten

Loslaten
“Ik hoop dat je hier iets kunt achterlaten, iets wat je in de weg zit, wat je al een tijd geleden los had moeten laten. Ik hoop je daarmee te helpen door je hier mee naar toe te nemen. ” antwoord ze op mijn vraag waarom ze precies mij mee wil nemen naar dit prachtige eiland. “mijn ervaring met dit eiland,” gaat ze verder, “is dat er een grote spirituele kracht vanuit gaat. Dat het mensen kan helpen dichter bij zichzelf te komen.”

We zitten op een prachtig strandje op Ibiza, de oktoberzon doet haar best onze lichamen genoeg warmte te geven om de kille winter van ons kikkerlandje te kunnen doorstaan. Het helder blauwe zeewater kabbelt tegen de rotsen en zorgt voor een heerlijke ruis op de achtergrond. Als je over het water kijkt, kijk je recht tegen een puntige rots aan, de vinger van God. Volgens mijn reisgenote.

Tegen het eind van de middag komen er ineens uit alle hoeken en gaten hippie achtige mannen en vrouwen het strand op, uiteraard vergezeld van de nodige honden maar ook van trommels en een soort xylofoon. Ze begroeten elkaar als oude vrienden die elkaar jaren niet gezien hebben. De zon begint al te zakken, doet dat steeds vroeger op de dag, moe van de lange dagen die de zomer van haar verlangde. Ze werpt steeds langere schaduwen op het strand.

Warm licht, lange schaduwen. Weemoed.

Langzaamaan begint er iemand op een trommel te spelen, heel rustig en kalm alsof hij het ritme van de kabbelende zee volgt. Hij begint iets steviger te slaan en er haakt een tweede trommel in. Het is een heel rustig ritme. Meer is het eigenlijk niet, een fijn rustig ritme.
De zachte bedwelmende klanken van de xylofoon, ik blijf het zo maar even noemen, komen er vloeiend en rustig tussendoor. De ruisende zee, de betoverende klanken en de warme ondergaande zon brengen mij ver in de krochten van mijn ziel. Ik ben totaal leeg en al mijn vragen en frustraties en gemissen komen boven drijven. De struikelblokken in mijn leven zoals het nu is openbaren zich als grote monsters die vragen om uitgeroeid te worden.

“Maar dat kan ik niet alleen,” schreeuw ik stilletjes uit en een traan bungelt over mijn wang. “ik wil het ook niet alleen doen” denk ik nu hardop.

Een zware warme gerustellende gloed daalt van vanaf mijn kruin mijn lichaam binnen. Ondanks deze vreemde gewaarwording voelt het heel vertrouwd. Het doet me ergens aan denken. De vertrouwde omhelzing van papa, zijn liefde en begrip. Iets anders dan dat kan het niet zijn.
“Niet piekeren jongen, is nergens goed voor.” Hoor ik, denk ik. Voor mijn neus ligt een steen, donker terra, bijna prefect ei-vormig. “Pak die steen en concentreer je eens op iets anders, op die steen bijvoorbeeld. Luister, en draai die steen tussen je vingers. Luister naar de muziek en concentreer je op het ronddraaien van die steen. Denk aan mij, ik heb het goed jongen, maak je geen zorgen. Draai je zorgen in die steen. En jij? Ach hoe vaak ben je al niet op je bek gegaan? En ben je wel op je bek gegaan? Je bent hier, in de zon, je geniet op jouw manier. Het heeft geen zin je zorgen te maken om iets waar je zelf geen invloed op hebt. Leef en wees jezelf. Draai je zorgen in die steen.

Als ik mijn ogen opendoe zit ik rollend met een steen in mijn hand op een strand. De baai is verbluffend mooi, de zee ruist, de zon zakt en stuurt zijn laatste stralen mijn kant op. De muziek ebt langzaam weg, ze houden het voor gezien met dit ritme. De mensen, die ineens met grote getale zijn samen gekomen, klappen. De traan die eerder opwelde laat langzaam mijn wang los, aarzelend. Alsof hij met als zijn kracht aan mij vast wil blijven houden. Het geeft een trekkend gevoel aan mijn huid, zuigt zich vast tegen beter weten in. Als de traan echt losschiet valt de steen uit mijn handen.

Plof


Ik pak ‘m weer op, hij is warm. Warmer dan je zou denken. Ik strek mijn arm naar achter, kijk naar de vinger van God, mijn hand zwiept naar voren als een slinger, ik laat los.

maandag 12 september 2011

Engeltjes


Uit het niets komt hij uit de schemer aanzeilen, door de laagstaande zon vanachter hem lijkt hij groter en indrukwekkender dan hij waarschijnlijk is. Hij daalt neer op de rand van mijn nog volle bierglas dat de serveerster net met veel liefde getapt heeft om het vervolgens nog liefdevoller bij mij neer te zetten. Het lijkt erop dat mensen die alleen op het terras zitten een vriendelijkere behandeling krijgen dan gezelschappen. Maar dat kan ook aan mij liggen, het kan zijn dat het uit altruïsme is.

Affijn.

Het lieveheersbeestje steekt fraai af tegen het witte schuim, zijn kopje is naar de binnenkant van het glas gericht. Hij zal wel dorst hebben gehad van een lange vlucht op deze warme dag ofzoiets. Of misschien had hij wel net zo'n voorliefde voor bier als mijn vader had voor lieveheersbeestjes. De serveerster loopt net weer langs en ik bestel maar een nieuw glas, immers, een slok nemen zou betekenen dat mijn metgezel niet meer bij het bier zou kunnen komen, of dat ik onverhoopt het beestje mee zou sleuren in mijn gulzigheid.
In de verwachting dat ik dus gezelschap zou krijgen reageert de serveerster een stuk minder goedlachs dan daarnet. Het biertje komt desalniettemin redelijk vlug en goed getapt op tafel terecht. Na een ferme slok, en nog één bekijk ik het diertje nog eens goed. Hij steekt zijn kopje nog steeds in het schuim en kijkt dan op. We hebben oogcontact.
“Hoi jongen” zegt hij vriendelijk, “dat is lang geleden, hoe is het nu met je?
“Eh, tja, nou, eh, goh,” zeg ik verbaasd over mijn welzijn.

Op zich ben ik niet verbaasd over het feit dat mijn lieve vader zich openbaart in de vorm van een lieveheersbeestje als wel het feit dat het er op lijkt dat het ook echt gebeurd.
'Dat is wel schrikken zeker?' houdt hij het gesprek op gang. Ik herhaal wat ik net dacht en voeg er aan toe dat ik blij ben hem te zien. En dat ik zijn vroegere postuur goed terug zie in zijn huidige lichaam. De steeds lager zakkende zon plaatst een zwaar uitvergrote schaduw van het glas met het beestje op de stoel. Het is bijna alsof er iemand zit.
“Rotjong” lacht hij. “Jezus wat heb ik dat gemist….” Denk ik weemoedig. Vroeger konden we elkaar aardig pesten, waarschijnlijk zoals alle vaders en zoons dat doen. Na weer één van mijn flauwe danwel scherpe opmerkingen moest hij altijd lachen en noemde me 'rotjong' ten teken dat de grap aankwam.
“Ja dat mis ook heel erg.” Reageert hij op mijn gedachten. Zijn drink tempo is niet meer wat het geweest is maar ondertussen is de schuimkraag toch al een paar millimeter gezakt.
“Wat doe je zoal de hele dag als lieveheersbeestje?” Vraag ik
“Ik ben geen lieveheersbeestje jongen, ik gebruik ze alleen af en toe om een boodschap over te brengen. Mijn komst is een aankondiging van iets moois. De rest van de tijd zweef ik een beetje rond, hou jullie in de gaten. Pest mijn grote zussen een beetje door het licht aan en uit te doen. Verder kletsen we boven een beetje over, tja van alles en nog wat. Je leert veel mensen kennen daarboven, maar vaak hangt er een beetje een grafstemming.” Het is duidelijk mijn vader.
De zon, de situatie en het gesprek maken me dorstig, ik bestel nog een biertje. Met een scheef oog kijkt de serveerster naar het ogenschijnlijk onaangeraakte biertje. Ik vraag haar het te laten staan. Als het nieuwe biertje staat proost ik met mijn tafelgenoot en vertel hem dat ik even naar het toilet ben en of hij even op mijn tas kan letten. Hij zal zijn best doen zegt hij op de typische manier waarop mijn vader iets sarcastisch kan zeggen. Ik vertrouw er maar op dat het goed komt.

Als ik terugkom is de rand van het glas leeg. Wel is de schuimkraag een paar millimeter gezakt zo op het eerste oog. Voor onderweg? Ik kijk om me heen of ik hem wellicht ergens anders zie zitten. Ik kan hem nergens ontdekken een lichte paniek dreigt zich aan te kondigen. Ik was nog lang niet uitgesproken, had nog zoveel te vragen, wilde nog zoveel vertellen. Wilde weten of hij het echt was in de volgauto naar het crematorium, of hij het is die af en toe op mijn schouder zit als ik een stukje aan het fietsen ben. Ik wilde weten of het allemaal echt is, of ik het niet allemaal maar uit mijn duim zoog.

“Mag ik er misschien bij komen zitten,” klinkt het van boven alsof er een engeltje in mijn oor fluistert. Het klinkt zo mooi en bekend dat ik niet op durf te kijken. “Had je dat biertje voor mij besteld, of zit hier toevallig al iemand?” zie ik een slanke en mooie vrouwenhand wijzen naar het bijna onaangeraakte biertje wijzen. Ik kijk toch op en kijk in het liefste en mooist lachende gezicht dat ik ooit heb gezien.
'eh, tja, nou, eh, goh,' zeg ik verbaasd over de beschikbaarheid van de stoel…..