maandag 19 december 2016

Under Construction.

“Godverdomme!” Vloek ik hard als ik mijn trui aan wil doen zoals altijd en het niet lukt. Niet per se omdat het niet lukt maar meer omdat er een godvergeten scherpe pijnscheut door mijn linkerschouder schiet.

“Doe dan ook eens rustig!” Klinkt het belerend vanaf de bank.

“Shit, au! Klotezooi!” Roep ik als ik een kat op wil tillen met mijn linkerarm en de kat niet helemaal omhoog krijg. Door de pijn laat ik het lieve beest vallen. Hij kijkt verbaast, teleurgesteld en geschrokken naar boven. Denk ik want ik zie niks, ik probeer met fijngeknepen ogen de pijn te verbijten.

Dit lukt slecht, dus ik vloek. De kat is gevlogen.

Als ik probeer het kratje op te pakken voor de jongen die de boodschappen komt brengen realiseer ik me wederom te laat dat mijn sleutelbeen net is gezet. Deze lag na een onfortuinlijke val tijdens een crosswedstrijdje in gruzelementen en moest met behulp van een roestvrijstalen balkje en zes schroeven gerepareerd worden. Een redelijke beperking in het bewegen is het logische gevolg, alleen vergeet ik dat dus de hele tijd.
Mijn vriendin, die op dit moment een kleine dame ‘Under Construction’ heeft in haar boller en boller wordende buik. Kijkt me bij iedere verkeerde beweging en de daaropvolgende kreuntjes en steuntjes geschrokken aan. Ze staat moeizaam, maar toch, op en probeert me te helpen met mijn jas, trui, overhemd of wat ik dan ook maar aan probeer te trekken. Iedere keer als ze me helpt en haar mooie bolle buik zit een beetje in de weg dan vervloek ik mezelf. “Let nou toch eens op eigenwijze vent!”

“Schat, het is niet no-dig, het lukt we-hel! “  Zeg ik tegen beter weten in en met de kennis dat zij met een veel groter project bezig is. Natuurlijk snap ik haar eigenlijk wel, als ze niet helpt en ik trek dat bot weer uit elkaar met mijn eigenwijze gedrag zijn we verder van huis.
De kans dat ik helemaal hersteld ben als onze kleine wonderdochter ter wereld komt is ontzettend groot. Zolang er maar niks mis gaat. Gaat er wel iets mis, bijvoorbeeld omdat ik vast kom te zitten in mijn jas en met een beetje geweld weer los probeer te komen. Of als ik toch met links, de kat wil optillen, de deur wil open of mijn gordel wil vastmaken. Dan moeten we weer helemaal opnieuw beginnen, dan kan ik niet alleen de kat niet optillen maar dan moet de baby ook in haar wiegje blijven……….

Redelijk belangrijk dus dat er niets mis gaat.

Waar staan we dan nu?:
Sleutelbeen: Under Construction
Kind: Under Construction

Mijn eigen koppigheid ten opzichte van mijn meegaandheid: Almost done 

(Ik kan toch heus wel al een stukje fietsen toch? Toch? toch........toch….) 

Oké oké. Ik ga wandelen.

donderdag 24 maart 2016

Johan en ik (24 maart 2016)

De vlaggen van Hotel Huis ter Duin hangen half stok als ik er om een uur of twee langsfiets. ‘dag van nationale rouw voor België?’  denk ik bij mezelf dus dat is logisch. Ik peddel rustig door richting Katwijk en verheug me al op het moment dat ik daar ga omdraaien en de wind in de rug heb. Mijn telefoon trilt in mijn achterzak en ik besluit na het lastige stukje duin te kijken wat er aan de hand is.
Ik trap me zo hard als ik kan door de duinen want hoe harder je trapt, hoe eerder je op je bestemming bent. En ik ben wel nieuwsgierig naar het berichtje.

‘Johan Cruijff is overleden’. Staat er in mijn scherm. Tja, ook hij moest een keer gaan. Al is hij nu iets te snel weg naar mijn mening. Ik ben niet zo van het voetbal maar als klein jongetje was ik toch fan van hem en ben dat altijd gebleven. Voetbal is alleen leuk als het door genieën gespeeld wordt. Johan was dus leuk, net als Bergkamp, Van Basten, Mezzi en Henry bijvoorbeeld.

Affijn.

Ik stap weer op en fiets met de wind in de rug naar huis. Ik realiseer mij dat ik nog een handtekening van hem moet hebben op zo’n voetbalplaatje die je vroeger bij de sigarenboer kocht. ‘Thuis meteen kijken’ denk ik blij. Ik schakel bij en ga logischerwijs dus harder.
Onderweg droom ik weg en zie ik mezelf staan voor de poorten van ‘De Meer’ met dat plaatje in mijn hand. Wachtend op Cruijff. Negen jaar oud, ongeveer.
De spelers komen één voor één aan gereden voor de wedstrijd van vandaag waar we geen kaartjes voor hebben. Nee we komen alleen om een glimp op te vangen van Cruijff. Als zijn Citroën eindelijk en als laatste  aan komt rijden bewegen we een beetje met de auto mee. Zodat we in de buurt zijn als hij uitstapt. Want veel tijd heeft hij niet als hij zo laat aankomt.

Thuis duik ik direct de dozen met prullaria in op zoek naar dat ene kaartje met die ene handtekening. Hoe goed ik ook zoek, ik kan het niet vinden. Ik kom een honkbal tegen met een handtekening van een beroemde Amerikaanse pitcher, een shirt van de beste catcher van Nederland, een gesigneerd exemplaar van Turks Fruit. Ik kom foto’s tegen van vakanties uit 1985, 86, 87 etc en allerlei andere troep. Maar geen voetbalplaatje van Cruijff met zijn handtekening.
Ik zak in elkaar en denk na. En denk na, waar is die handtekening? Stond die dan op iets anders? Ik denk na en denk na. En plots wijst mijn herinnering me terecht. Keihard en meedogenloos.

De auto kwam aan en Johan stapte uit, we liepen er op af en hoe dichterbij ik kwam, hoe langzamer ik ging lopen. ‘Daar stond Johan Cruijff’ …Verschillende mensen stonden om hem heen om een foto te maken, een handtekening te vragen of gewoon om maar in de buurt te zijn. Ik zag dat hij haast had en dat hij naar binnen moest. Mijn stiefvader porde in mijn rug dat ik moest doorlopen. Ik stopte. Ik kon Cruijff niet te laat op zijn training laten komen. Daar komt bij dat ik echt niet durfde. Johan Cruijff, een grotere held had ik toen niet. En hij me aan zoals alleen Cruijff dat kon, uitdagend. Ik liet het gaan.
Onderweg rende er nog een jongetje naar hem toe met een kaartje. Cruijff stopte, bukte, tekende het kaartje en gaf het ventje een aai over zijn bol.

Een traan bungelt over mijn wang als ik er aan denk. Wat een sukkel was ik toen, want nu kan het echt nooit meer. 

zaterdag 19 maart 2016

Huize vergeet me alsjeblieft niet

De oude man pakt de hand van zijn vrouw vast. Ze reageert amper en blijft recht voor zich uit kijken. Hij probeert haar een kus te geven maar komt net niet ver genoeg uit zijn rolstoel omhoog om met zijn lippen bij de hare te komen. 
“Dan maar even zo lieverd” zegt hij in het niets en geeft haar een kus op haar arm.

Hij gaat weer rechtop zitten en kijkt de groep rond. De groep bestaat uit hun kinderen, kleinkinderen en ik. Ze zijn 59 jaar getrouwd en dat moet gevierd. Iedereen is samen gekomen en hebben de twee oudjes, die in hetzelfde huis zitten maar wel op een andere afdeling, bij elkaar gebracht. In de bijeenkomstruimte van het huis waar iedereen zijn of haar ouders bezoekt op zondag.

Oma pakt ondertussen een glas wijn van tafel alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze kan echter al jaren niet slikken en dus wordt het glas zonder pardon uit haar hand gegrist voordat ze stikt. Ze vertrekt geen spier als het glas ver van haar vandaan weer op tafel wordt gezet. Dan kijkt ze richting haar jongste kleinkind en er verschijnt een kleine glimp van herkenning in haar ogen. 
Een desastreuze.

“Komt je moeder nog jongen?” Vraagt ze oprecht nieuwsgierig.  Iedereen die het verstaan heeft slaat dicht, krijgt vochtige ogen of kijkt een andere kant op. Ze vraagt het nog eens en als dat niet helpt grijpt opa in.

“KOMT JE MOEDER NOG!?”

De kleine jongen kijkt ondertussen naar zijn vader die verschrikkelijk hard maar zinloos aan het vechten is tegen de tranen. Zijn zus en broer weten het ook even niet.
“Je dochter komt niet meer ma, die is er niet meer helaas.” Zegt de vader en schoonzoon zo voorzichtig mogelijk. Lichte paniek neemt de eerder bijna lege blik van oma over.
“Dat ben ik helemaal vergeten. Wat vervelend voor jullie. Nog gecondoleerd……..” Stamelt oma die niet in de gaten heeft dat het ook over haar dochter gaat. Opa is ook geschrokken en realiseert zich iets beter wat er net gebeurd is. "Ja ik weet het weer, wat een narigheid." Zegt hij oprecht. Over de situatie maar ook over de dood van zijn dochter. Hij kijkt ook naar zijn vrouw, en denkt zichtbaar: "Wat een narigheid toch allemaal.". De kleinkinderen zijn gevlucht in hun telefoon, de rest neemt een slok van hun biertje. Weten het ook even niet.

Gelukkig, de borrelhapjes! Even iets luchtigs en een aanleiding om over iets anders te praten.

“Ze mag toch wel even blijven slapen zo? Heel even maar, gewoon even een dutje. Ze is zo ontzettend moe van al die gezellige drukte. Als ze wat uitgerust is dan komt ze toch wel weer naar huis? Toch?” Vraagt opa aan niemand in het bijzonder. Hij probeert weer op te staan om haar een kus te geven. Wederom tevergeefs.
Na de teleurstellende boodschap dat ze allebei naar hun eigen  huis gaan pakt hij voor de twintigste keer het briefje waar op staat wat de aanleiding is van deze dag. 

“59 jaar getrouwd. We hebben er niet zo lang van kunnen genieten. Twee jaar maar,” verzucht hij als hij mij zoekend naar begrip aankijkt.

Het tegenovergestelde is waar. Het is pas sinds twee jaar dat ze allebei de dingen wat door elkaar halen. Wel wrang dat de herinnering zulke klote spelletjes met zijn bewustzijn speelt. Hij geeft zijn vrouw uiteindelijk maar weer een kus op haar arm als ze met rolstoel en al wordt weggereden naar haar kamer. Oma is een klein vermoeid hoopje mens ondertussen. Opa zucht. Zet zijn bril af en grijpt een tissue van tafel. 

woensdag 17 juni 2015

Een setje

In de kast hangt een rood damesjasje, een rood rokje en een blouse.Op de bodem van de kast staan rode lage pumps en op de bovenste plank ligt een fraaie zomerhoed. Alles hoort duidelijk bij elkaar. Tussen de kledingstukken hangt een klein buideltje, ik herken de mediterrane geur van lavendelvelden.
Het setje hangt in een grote antieke notenhouten kledingkast waarvan de drie andere kastdelen helemaal zijn gevuld met mannenkleding. De kast zelf ruikt zoals een oude kast hoort te ruiken; een mengeling van leven en meubelwas. De combinatie van lavendel en antiek doet me aan mijn oma denken.

Alle kasten bij oma roken hetzelfde, meubelwas en lavendel, en soms naar van die heerlijk ruikende zeepjes met op het wikkel een Spaans meisje. Die lagen her en der tussen de kleding of lakens waardoor alles altijd lekker fris rook. Bij oma in de naaikamer stonden twee dingen die bij ons favoriet waren; de oude radio en de verkleedkist. De radio deed het nog prima en was een wonder der techniek. Het display suggereerde dat je zelfs radioprogramma's uit Berlijn en Wenen kon beluisteren. Het was een Duits exemplaar vermoed ik. Door aan de knoppen te draaien zocht ik als een ware spion de juiste frequentie op en probeerde ik zover mogelijk te komen. Ik heb nog nooit een Duitser te pakken gekregen. Mijn zusje speelde ondertussen met de naar lavendel of zeep geurende kleding. Tijdens mijn zoektocht naar verre onbekende landen en geluiden rook ik regelmatig aan een uit de kist gekomen zeepje en werd heimelijk verliefd op het heerlijk ruikende Spaanse meisje. Haar gitzwarte haar stak mooi af bij haar felrode jurk en haar rode lage pumps. In haar hand droeg ze een zomerhoed.

"Schiet het al een beetje op mannen?" Vraagt de eigenaar van de kast. We moeten zijn antieke kast verbergen met schuifdeuren. "Oh ja ik zie het al, bijna klaar. Dan laat ik jullie nog even lekker doorwerken." En hij loopt de kamer weer uit. De man is een jaar of 65 schat ik. Hij houdt van zeilen, schilderen en klassieke muziek. Dit is af te leiden uit de talloze zeiltijdschriften in het huis, de schilderijen aan de muur met zijn signatuur en de klassieke radiozender die al de hele dag op staat. Nergens een foto van een vrouw. Wel een hele wand met fotoboeken. "Daar staat mijn hele leven," zei hij toen we er naar vroegen. "En daar zal het bij blijven," vervolgde hij met een kleine brok in zijn keel.
Ik kijk weer naar het kledingsetje. Zou iemand het ooit hebben gedragen? Flanerend over een boulevard in een zuidelijke stad, waar de geur van lavendel vanuit de velden de stad in waaide? Hand in hand met de man wiens kast we nu aan het verbergen zijn, gelukkig, verliefd en voor altijd bij elkaar?

Ik klim het trappetje op om de laatste schroef in het plafond te draaien. Achter de hoed op de bovenste plank zie ik fotolijstjes. Ik kan het niet helpen, ik moet even kijken. Op de bovenste foto staat een kale oude vrouw in een bed. Ze zit rechtop en lacht triest. Er komt een slangetje uit haar neus en ze heeft vlekken in haar gezicht. Ik schrik. De tweede foto zie ik per ongeluk ook maar is gelukkiger van aard en een stuk eerder genomen. Dezelfde dame staat in een rode jas en rode jurk uitdagend te lachen naar de fotograaf. Ze staat op het witte strand aan een azuurblauwe zee, de wind waait door haar lange donkere haar. De lage pumps staan naast haar in het zand, in haar hand de zomerhoed.

woensdag 15 april 2015

Leverworst, smeerkaas, bruinbrood en een glas melk

Hij schenkt de thee in uit de thermoskan die de zuster net heeft neergezet, Het is vier uur en in het ziekenhuis is het dan de gewoonte om een kopje thee te drinken.  Of koffie als je bezoek daar zin in heeft. Wij hebben gekozen voor thee. Wij zijn Pappa, zijn vriend Henk,  mijn zusje Manon en ik.
De hand van mijn vader trilt een beetje en de thee komt niet helemaal goed in het kopje terecht.
“Pap, je hand trilt helemaal! Hahahaha, dat is grappig!” Lach ik. “Wat is er aan de hand?” Manon lacht ook.  Het doet ons denken aan de spelletjes die we speelden toen we nog echt klein waren. paardje rijden, de kieteldood, je kent het wel.
Hij zet de kan neer en zucht diep. Henk kijkt bedenkelijk en schaamt zich een beetje. Hij wil zich er niet mee bemoeien maar de woorden branden op zijn lippen. Hij houdt zich in. Pappa begint te vertellen.
“Weten jullie nog dat opa z’n armen en handen altijd zo trilden? Hij had de ziekte van Parkinson, dat is een ziekte waarbij je geen controle meer hebt over je spieren. Hij had vooral last van de spieren in zijn armen. Doordat je geen controle meer hebt over je spieren gaan ze heel erg trillen of schudden. Ik heb daar dus ook last van en kan dus soms niet zo goed de thee inschenken.  Het is erfelijk.” Besluit hij.
De hoofdzuster komt langs en vraagt of er nog speciale wensen zijn voor de avondmaaltijd. Ze kijkt begripvol naar de arm van mijn vader. Hij grijnst gemeen terug.
“Leverworst, smeerkaas, bruinbrood en een glas melk.” Dreun ik tussen neus en lippen op, zoals iedere dag sinds ik hier ben.

Ik schrik een beetje van de laatste woorden van mijn vader. Als mijn opa het had en mijn vader heeft het, dan krijg ik het dus ook. Pappa leest mijn gedachten en probeert me gerust te stellen. 
“Normaal gesproken slaat het een generatie over. Dat betekent dat ik het dus niet zou krijgen want mijn vader heeft het al.”
“Maar ja, dat was ook niet het geval bij jullie toch?” Gooi ik het balletje snel en bijdehand terug.
“Ja,  maar dat is echt een hele grote uitzondering jongen, geloof mij maar . De kans dat jij het krijgt is echt heel erg klein, echt heel erg klein.” 
Manon d'r ogen zijn groot en angstig. Papa geeft haar een kus, "het is vooral iets voor mannen Lieverd. Jij hoeft ook niet ook bang te zijn."
Hij pakt de kan weer op en probeert de thee weer in te schenken. We kijken samen geschrokken toe.

Het mislukt. Pappa zucht en kijkt boos weg. Hij pakt een sigaret, en een aansteker uit zijn jas. Met trillende handen probeert hij de sigaret aan te steken. Hij kan zijn duim niet lang genoeg stilhouden om de vlam aan te houden. Terwijl Henk de thee inschenkt houdt hij hem een aansteker voor. Pap kan zijn hoofd nog stil houden en het lukt hem op deze manier om de sigaret aan te krijgen. 

Roken in het ziekenhuis was nog heel normaal.

“Als hij zich er erg druk om maakt wordt het alleen maar erger." Legt Henk uit. "Soms verkrampt hij helemaal, Hij wil eigenlijk helemaal niet op zijn vader lijken, dat maakt hem kwaad.” Fluistert hij verder.

“Maar goed jongen,” gaat mijn vader verder met trillende stem nu. “Jij hoeft je echt geen zorgen te maken. De kans dat dit nog eens gebeurt is nihil.”
“Maar hoe gaat het met jou?  Zijn je bloedsuikers alweer een beetje op peil? Ik hoorde van de zuster dat het wel weer goed gaat. Dat is fijn om te horen jongen. Je liet ons wel weer erg schrikken hoor!

“Ja het ik voel me ook wel meteen een stuk beter, vanaf nu moet ik maar proberen die bloedsuikers een beetje normaal te houden.”

Zo kwam ik er achter dat mijn vader Parkinson had. Ik lag in het ziekenhuis omdat mijn bloedsuikers tijdens mijn eerste stappen in de pubertijd totaal niet onder controle te krijgen waren. (een combinatie van koppigheid en hormonen)  Hierdoor belandde ik bijna in een coma. Ik moest strenger zijn voor mezelf, geen koekjes meer eten, niet meer snoepen, geen patatjes meer na school bij de snackbar, geen roze koeken meer bij de thee iedere pauze. 14 jaar en het roer moest al om.

Mijn vader legt zijn hand op mijn hoofd, de hand is rustig. Mijn hoofd niet. 


woensdag 25 juni 2014

Privé peepshow

Langzaam rij ik de berg op, met nog vele haarspeldbochten en hoogtemeters voor de boeg doe ik het rustig aan. Pijn gaat het vanzelf wel doen. Het is al warm op dit vroege tijdstip en er zijn helaas geen bomen meer die de zon een beetje tegenhouden. Door het pittige stijgingspercentage is mijn snelheid laag, de warme zon zorgt voor zweet op mijn armen. Ik negeer het en kijk nog maar eens om me heen naar het prachtige Alpenlandschap. De sterk geurende dennenbomen hebben plaatsgemaakt voor alpenweiden en rotsen. Ik adem de frisse lucht genietend diep in en verplaats mijn handen van bovenop het stuur naar bovenop de remgrepen en ik dans op de pedalen. Dat voelt heel lekker, totdat ik op mijn kilometerteller kijk. Ik ga weer lekker zitten.

Twee vliegen landen op mijn onderarm, waarschijnlijk aangetrokken tot de overdaad aan zout en de lage snelheid. Snel kijk ik of ze de bedoeling hebben te steken, dit blijkt niet het geval en ik laat ze. De twee hebben elkaar vliegensvlug gevonden en bespringen elkaar. In eerste instantie lijkt het op een fikse knokpartij, ze staan op hun achterste benen en vallen elkaar in de overgebleven armen. Dit gaat even zo door, totdat de één uiteindelijk bij de ander op de rug klimt. Normaal gesproken zit ik niet zo te wachten op vliegen op mijn arm maar nu vind ik het wel een aardige afleiding, een privé peepshow. Het landschap tijdens de klim is prachtig maar het lijkt er  niet op dat het heel erg veel gaat veranderen het komende half uur. Ik kijk nog eens goed en zie dat ze van mijn natte haren op mijn armen een liefdesnestje hebben gebouwd.

Hier moet ik even over nadenken.....

Eerlijkheid gebied te zeggen dat ik geen idee had hoe en hoe lang vliegen het doen. Het hoe is me nu duidelijk. Zouden ze het doen om me af te leiden van deze verschrikkelijke helling en gaan ze door tot het hoogtepunt? Dan hoop ik voor dat ventje dat zijn conditie beter is dan die van mij. Het is nog zevenenhalve kilometer tot de top en met een snelheid van 10 kilometer per uur is dat dus nog drie kwartier. Dat kan ik ze niet aandoen.
Zelf schrik ik ook wel een beetje van deze cijfers en besluit dat het iets sneller kan, moet. Na een slok energiedrank en een hap sportreep schakel ik een tandje zwaarder. Luidt een bekende wielerwijsheid niet: "Als je nog kan denken dan ga je niet hard genoeg."? Vast wel.

Met 15 kilometer per uur probeer ik het stel een beetje tegemoet te komen. Ik heb lopen lummelen, dit gaat namelijk ook best lekker. Er ontstaat een sterke behoefte om even van positie te wisselen. Ik doe het heel voorzichtig. De vlieg heel abrupt. Hij springt op en landt naast zijn liefdespartner. Misschien even uithijgen? Ik denk er niet aan, ik ga door, in de verte kan ik de top al zien, doortrappen. Ze nestelen zich iets dieper in mijn armhaar en gaan ook weer verder. Gelukkig, ik heb me al helemaal ingesteld op een gezamenlijk hoogtepunt.


Ik kijk weer eens rond en ga voorzichtig nog eens staand klimmen. Mijn vrienden trekken zich er gelukkig niets van aan. De weg vlakt iets af en ik schakel bij, ik heb genoeg haar op mijn armen om ze te beschermen tegen de rijwind. Het zou toch lullig zijn als ze er voor het zingen van af waaien. De top is nu echt dichtbij, nog één kilometer! Het is bijna zover! De weg loopt weer venijnig omhoog en ik geef nog één keer alles om zo snel mogelijk de top te halen. Gehaald! Ik stap van mijn fiets en ga naast de weg uitgeput in het gras liggen en kruis mijn armen achter mijn hoofd. Een zachte krak.
Oeps.


maandag 15 juli 2013

Flarden herinneringen en mist op het Spaarne

“Kom aan boord jongen.” Zegt hij als hij handig de ruime sloep aanmeert. Ik kijk enigszins verbaasd naar mijn vader, nooit geweten dat hij van varen hield, laat staan dat hij er ook nog eens heel bedreven in is. Lichtelijk argwanend stap ik bij hem aan boord. “Ja, nieuwe hobby jongen, het is net autorijden. Het gaat me dus gemakkelijk af. Wees dus maar niet bang en ga lekker zitten.”

Alsof hij nooit anders heeft gedaan vaart hij weg, nonchalant met één arm om het roer en in de andere een sigaretje. Hij groet de andere ‘schippers’ met een rustige en duidelijke knik.
“Dat is lang geleden Pap, ik dacht dat je nu wel eens een keer klaar was hier. Ik had je al zolang niet meer gezien.”
We varen over het Spaarne richting het Qruqiusgemaal. Zwijgend kijkt hij mij aan en zucht, Ik moet even mijn mond houden en genieten van het moment begrijp ik. Ik ga ongemakkelijk achterover zitten, nog niet helemaal comfortabel met de situatie. Pappa wijst onder mijn voeten. Daar zit een klein koelkastje verborgen. Hij glimlacht bemoedigend naar me.

Er zitten biertjes in.

Ik besluit me voorlopig even over te geven aan het moment en pak een biertje, zoals we zo vaak thuis al hadden gedaan. Haarlem glijdt langzaam aan me voorbij en gaat over in aan de rechterkant Heemstede en aan de linkerkant Schalkwijk. Vanaf deze plek is het allebei mooi. Woonbootbewoners zwaaien en we wuiven terug. Vader en zoon in een bootje met een biertje op een mooie middag.

Jaloersmakend.

De laatste keer dat ik deze route aflegde was met mijn lieve zus, ook over het water al was dat toen bevroren. Een stuk kouder maar het gaf net zo’n warm gevoel. We hoefden ook niet zoveel te zeggen toen, gewoon een beetje krabbelen en elkaars tempo aanhouden. Had best willen zeggen dat ik heel veel van haar hou en dat ik blij was dat we dit nog konden doen. Maar ik denk dat mijn stralende gezicht dat wel verraadde.

Ik kijk naar hem. Ik lijk steeds meer op hem, ik ben hem ook aan het inhalen. Ik nader zijn leeftijd langzaam maar gestaag. Een koude rilling trekt door me heen als ik dit denk. “Je ziet er goed uit jongen. Jij wordt ook geen dag ouder hè?!” lacht hij mijn gedachtes weg. “Smaakt het biertje nog steeds zo goed?” Vraagt hij naar de bekende weg. “Ja pap, ik geniet met volle teugen.”
“Goed zo, doe mij er ook nog maar eentje dan.”
We varen heel even het kleine haventje van Heemstede in. Natuurlijk. De Van den Eijnde kade. Snel varen we weer verder naar het gemaal. Ik zie ons nog staan langs de kant van de weg met een overkokende motor, bijna op onze eindbestemming maar nog lang niet thuis. Rustig verwisseld hij het wiel en wast zijn handen in de Ringvaart. We slaan linksaf diezelfde Ringvaart op. Ik zie me vervolgens klooien met Sacha, de hond, die wel heel goed de Molenplas in kon springen maar er nooit zelfstandig weer uit kon. Beschaamd kwam ik thuis omdat ik die duffe Golden retriever weer haar gang had laten gaan. Pappa zette lachend de douche aan om het arme koude dier te wassen.

Ik zie de Meerwijkplas, zijn grote zus woonde daar lange tijd in een flat. Uren speelde ik daar in het park met mijn grote neven. Stiekem op de brommer, zwemmen in het meer en verlegen stamelen als één van hun vriendinnetjes iets tegen me zei. Ter hoogte van Vijfhuizen zie ik ons op bezoek gaan bij de ‘De Bie-tjes’ die een zoon hebben van de zelfde leeftijd en die bij me in het honkbal team zat en waar we vaak heen gingen om ze op te halen om naar het honkbal te gaan. Of om na het honkbal nog wat te gaan drinken. Zorgeloos.

We tuffen lekker door en ik mijmer lekker verder op het monotone geluid van de motor. Als we de Ringvaart weer verlaten zou daar vroeger de plek zijn geweest waar ook de Amsterdamse vaart uitkwam. We kijken elkaar aan en richten ons op. Als we heel erg ons best doen zien we de plek waar ooit zijn ouderlijk huis heeft gestaan. Het staat er niet meer en we gaan lichtelijk teleurgesteld weer zitten.

Ik zie tranen in zijn ogen als hij naar me lacht. Ik geef hem nog een biertje. En een glimlach.

Het wordt mistig als we via Haarlem Noord de stad weer binnen varen, dikke slierten glijden langs de boot en over onze kaal geschoren hoofden. Er blijven druppeltjes aan de korte haartjes plakken. De mist wordt dikker en dikker en met het verdwijnen van het zicht wordt ook al het geluid gedempt. De wereld is verdwenen en ik voel een afscheid naderen, hoe meer bruggen we passeren hoe dichterbij het komt. Ik schuif iets dichter naar hem toe om hem nog een beetje te kunnen zien. Hij legt zijn hand op mijn schouder en knijpt vaderlijk. “We zijn er bijna jongen, Ik moet je zo laten gaan. Je mag nog niet met me mee.” Als we de laatste brug onderdoor zijn gevaren leggen we aan voor mijn huis. Zoals altijd als we afscheid nemen gaat dat snel en gemakkelijk. “Dag jongen.” “Dag pap, we bellen!”
Ik hoor de motor van de boot ronken, hij vaart weg, zijn silhouet wordt snel vager als hij naar de overkant van het Spaarne vaart. Het geluid van de motor verdwijnt net als mijn vader in de mist, ik staar al snel in het niets.

Ik pak snel mijn telefoon, ben vergeten hem iets te vragen. Zijn nummer is er niet meer.

woensdag 17 april 2013

De lamme en de blinde

Hij loopt er wat verloren bij, hij ziet geen hand voor ogen en is over duidelijk de weg kwijt op het immense plein voor het centraal station. Door werkzaamheden en drukte is hij de dikke geribbelde strepen op het trottoir, die blinden moeten geleiden, kwijtgeraakt.

Het is spitsuur in Amsterdam. Zakenlui lopen gehaast van en naar de trein, studenten rennen om op tijd op college te komen en de toeristen die de moeite hebben genomen te komen genieten van de Amsterdamse ochtendspits lopen er rustig door heen.

Desalniettemin staat de man stil.

Voorbijgangers ontwijken de arme ziel scheldend en vloekend zoals je dat alleen in het oergezellige Amsterdam nog ziet. Hij trekt zijn schouders op en de paniek straalt van zijn gezicht. Hij probeert om zich heen te kijken door wild met zijn stok te zwaaien. Weer vloekend en tierend ontwijken de zakenlui, studenten de rood met witte stok. De vroege toeristen maken rustig foto’s.

AUW!
één iemand ziet de stok duidelijk over het hoofd en klettert met een smak op de grond.

De hulpeloze blinde man ontfermt zich over de gevallen kerel. Onhandig zoekt hij naar een geschikte plek om hem aan vast te pakken en hem overeind te helpen. Dit lukt niet.
Met veel pijn en moeite komt hij uiteindelijk zelf overeind. Aan zijn motoriek is te zien dat hij niet helemaal 100 is, ze niet allemaal op een rijtje heeft, geestelijk uitgedaagd is, gehandicapt is of gewoon een plat Amsterdamse mongool.
“Sorry meneer,” zegt de gevallene. “Heb ik u pijn gedaan? Volgens mij liep ik heel hard tegen uw been aan.”
“Nee hoor meneer,” zegt de blinde. “Volgens mij liet ik u struikelen. Ik ben de weg kwijt en probeer die met mijn stok te vinden. Maar het lukt niet helemaal en daar bent u de dupe van geworden vrees ik. Kunt u mij wellicht helpen?” Vraagt de blinde man vertwijfeld. Hij kan de man uiteraard niet zien maar iets zegt hem dat dit wel eens mis zou kunnen gaan.
De wat achtergebleven man denkt even na en maakt daar alle denkbare gebaren bij. “goed! Dat doe ik!” zegt hij uiteindelijk enthousiast. “Wat kan ik voor u doen?”

De blinde legt rustig uit dat hij naar de ingang van de metro moet. Onderwijl kijkt hij van links naar rechts en weer terug. De man loopt rustig en lachend met de blik van de man mee.
“Dat is heel makkelijk hoor meneer, dat kan ik zelfs vinden! Loopt u maar even met mij mee.”

De man die ze niet helemaal op een rijtje heeft steekt zijn hand uit ten teken dat ze hand in hand het avontuur gaan aanvangen. Als de blinde niet reageert steekt hij zijn arm maar door de opening die de in de zak gestoken arm tussen het lichaam laat. “Kom mee!” Zegt hij vrolijk.
Het metro station is maar 100 meter verder. Daar lopen ze gearmd en gehandicapt. Hij loodst de man feilloos door de menigte en zet hem af bij de ingang van de steile en gladde trap die naar de metro tunnel leidt.

“Hier is het meneer! Kijkt u maar.”

De blinde man zwaait met zijn stok over de grond, hij voelt de ribbels weer. "Ja ik zie het meneer, dankuwel."

maandag 31 december 2012

Over cowboys, amazones en zelf paardrijden

Paardrijden. Zelf associeer ik dat met bijvoorbeeld in volle galop door de branding razen, met een schuimbekkend paard. kadoeng, kadoeng, kadoeng, kadoeng! Of ik denk aan cowboys die door het wilde westen galopperen op zoek naar goud, drank of indianen. Stoere kerels met een leren hoed, stevige leren laarzen en een geweer om de brede schouders. Soepel springen ze op hun paard en gaan schijnbaar moeiteloos op pad. Al met al best een stoere bezigheid dus dat paardrijden.

"Wil je het ook even proberen?" Roept ze vanaf haar paard. Ik sta al een tijdje bewonderd te kijken naar haar. Hoe ze makkelijk blijft zitten, makkelijk het gehobbel met haar mooie lichaam absorbeert en schijnbaar het paard laat doen wat ze wil. Lukas rent genietend rondjes door de bak. Maakt een kort bochtje, een lange bocht, steekt diagonaal over en versnelt en remt af bij de minste beweging van haar armen en lijf. Het prachtige en belofte volle woord amazone lijkt voor haar verzonnen.

Met mijn grote mond had ik al een paar keer gezegd dat ik het ook wel eens wilde proberen als dat kon. Prompt probeerde Lukas mij het water in te duwen toen we een brug zonder reling overliepen en ik nietsvermoedend naast de kolos liep. In de bak, een paar momenten later, liep hij wild galopperend en briesend recht op mij af. Stoer bleef ik staan, met klotsende oksels.

Nu was het dus zover, direct zag ik de stoere cowboys voor me. Relaxed stappend door het wilde westen. "ja dat wil ik wel. Leuk!!" roep ik enthousiast. Voelde me al bijna een cowboy. Bijna, want eenmaal naast lukas zie ik eerder een rodeo-achtige gebeurtenis voor me. Potverdikkeme hij is toch best wel groot! En hoe kom ik hier in vredesnaam op!
Ik krijg een voetje van mijn Amazone en voor ik het weet lig ik op mijn buik op de rug van het paard. Ik heb zijn manen vast en trek mezelf verder omhoog, ik til mijn rechterbeen omhoog en over de rug heen. Het doel is dat ik aan iedere kant van zijn rug een been heb bungelen. Mijn geklooi blijft niet onopgemerkt, Lukas begint al vrij snel te bewegen met zijn hoofd en begint van ellende ook maar alvast te stappen.

Met een laatste krachtsinspanning til ik mijn been daadwerkelijk over zijn rug heen. Nu lig ik nog steeds plat op mijn buik maar bevinden mijn benen zich wel ieder aan een andere kant. Lukas blijft lopen terwijl ik me zo bewegingloos mogelijk probeer recht te zetten op zijn hoge rug. Dit lukt natuurlijk voor geen meter en lukas heeft geen idee wat ik wil en dat is lastig want ik ook niet echt. Laat staan dat ik weet hoe dat moet.

Affijn

Als ik eenmaal mijn positie heb gevonden en mijn rug heb gerecht en mijn schouders naar achter heb geduwd, zoals mijn amazone mij heeft opgedragen, staat Lukas stil. Ik laat de teugels rustig en ontspannen langs zijn hals bungelen, net als mijn armen. Dit is goed hoor ik naast mij. Met mijn hak por ik zacht in de zijkant van lukas, hij begint te stappen. Gelukkig, even was ik bang dat er meteen gegaloppeerd ging worden omdat ik het wellicht te hard deed. Ik wil iets naar links dus trek ik aan de linker teugel. Niets, lukas stapt rustig rechtdoor. Ik trek iets harder, nog niets, geen beweging te krijgen in dat beest. We lopen recht op de uitgang van de bak af en ik begin mij ietwat zorgen te maken.

"Niet over de hals lieverd." Hoor ik naast mij. Ik heb geen idee waar het over gaat. "Als je de teugels aanhaalt dan moet je die van het paard afhalen zodat zijn hoofd ook echt opzij gaat. Nu trek je het alleen maar omhoog aan één kant." legt ze verder uit.
Deze uitleg helpt en ik stuur lukas van links naar rechts. Zo ongeveer.

Ik zit boven op een reusachtig beest, en het doet zo ongeveer wat ik wil. Ik fantaseer de cowboyhoed er even bij en de stoere laarzen ook even voor het moment. Een warme gloed van trots trekt van mijn buik door naar mijn kaken en mijn lippen waardoor er een glimlach ontstaat. Ik rij paard, ik ben een cowboy!

"Wil je even draven?" Hoor ik uitdagend naast me. "
Mijn glimlach verdwijnt. "ben je gek geworden!Het is al veel te laat. We moesten maar eens terug naar de stal volgens mij.......

donderdag 27 december 2012

lege plek

Hij staat met zijn hoofd in zijn nek het puntje van de kerktoren te bekijken. Het is bijna nacht en de toren is prachtig verlicht. Door het licht zie je duidelijk dat het sneeuwt en het schouwspel kan als mysterieus worden omschreven.
De oude man staakt zijn getuur en mompelt dat ze verder gaan lopen. Hij pakt de rolstoel vast, draait deze de goede richting op en loopt over de Grote markt richting stadhuis. De man ziet er moe en onverzorgd uit, zijn kleding is ongewassen en zijn vlassige grijze baard staat al een paar dagen. Hij sloft achter de rolstoel aan alsof hij er liever zelf in zou zitten.

Hij strompelt langs de grote kerstboom die op het plein staat. "De boom staat er ook weer, Sinterklaas is koud het land uit en ze zijn alweer begonnen met de kerst. Het is wel een mooie dit jaar, veel mooier dan die van vorig jaar, zie je?" En hij richt de rolstoel richting de kerstboom om er even naar te kijken.
Na een paar tellen loopt hij weer verder. Zijn kleding is wat ongewassen maar van goede snit, verder oogt hij wat afwezig maar totaal niet dronken. Met zijn onderarmen leunend op de handvatten van de rolstoel rolt hij een shagje. "ja ja, ik weet het. Je gaat er dood van." Hij jaagt vuur in de sigaret en inhaleert diep. "ahhhh…. maar het is wel erg lekker!" mompelt hij tijdens het uitblazen van de rook.

Met het shagje in zijn linker mondhoek draait hij de rolstoel om en loopt verder over het plein. Een jonge knul op een fiets schiet rakelings langs hem. "Kijk uit je doppen ouwe!" Roept hij boos naar de oude man met de rolstoel. Die blijft verschrikt staan en vraagt zich af wat er zojuist gebeurde. "Het moet toch niet gekker worden hè?" Roept hij een beetje bozig. Zijn oude lijf en de rolstoel weerhouden hem ervan erachteraan te gaan. Vroeger, toen hij nog fit was en die rolstoel er nog niet was, was hij er wel achteraan gegaan. De kans is echter groot dat er toen niets gezegd werd, toen waren mensen eerder onder de indruk van hem dan dat ze hem uitscholden.

Voor het stadhuis kijkt hij naar de trap die naar de deur van de Ridderzaal loopt. "Weet je nog hoe we daar stonden te stralen? Wat een mooie dag was het toen hè? Kom we gaan nog eens op het bordes staan!" Zegt hij enthousiast.

Hij gaat met zijn rug naar de trap staan en met ieder stapje dat hij achteruit omhoog loopt tilt hij de rolstoel ook een trede verder, trede voor trede sleurt hij zichzelf en de rolstoel zo naar boven. "Je bent afgevallen," zegt hij terwijl hij de laatste trede overwint en op het bordes komt. Vorig jaar had ik dit niet gered denk ik. Toen woog je dubbel zoveel.


Daar staat hij dan. Jaren geleden stond hij hier samen, samen met haar, zijn vrouw. Mooie tijden waren dat. Ze straalden, keken naar de kerstboom die wel speciaal voor hun huwelijk leek neergezet. De oude man kijkt over het plein en naar de lege plek naast hem. Overmand door emotie verliest hij zijn balans. Net op tijd vindt zijn achterwerk de zitting van de lege rolstoel.

maandag 26 november 2012

Uitzichtloos

De straat is glimmend nat. De zon breekt bij lange na niet door de dichte mist heen die al dagen over de stad heen ligt. Als het leven niet figuurlijk uitzichtloos is dan is het dat wel letterlijk. Het is koud. Daar zit ze op de straat. Een vrouw van mijn eigen leeftijd, gekleed in drie jassen en voor zover ik kan zien minstens twee broeken over elkaar. Ze draagt twee verschillende schoenen. Naast haar staan drie grote boodschappen tassen van de Albert Heijn, gevuld met dekens en een dekzeil.

Ik loop op tien meter afstand en kijk haar aan, per ongeluk, te lang. Ze kijkt terug. Ik weet al waar dat op uit gaat draaien, een smeekbede om muntjes, de aanschaf van een daklozenkrant, of een tirade over hoe verrot deze wereld wel niet in elkaar zit. Ik kijk vlug weg, voel haar donkere ogen prikken als ik haar nader. Vanuit mijn ooghoeken probeer ik in te schatten wat er gaat gebeuren. Ze kijkt me aan, denkt na, vormt zich een beeld.
De priemende ogen dwingen me mijn pas in te houden en haar weer aan te kijken. Haar ogen staan fel maar triest, triest dat ik niet het lef had haar aan te kijken en fel omdat ik vermoed dat er nog iets van levenslust in haar geest zit. Misschien nog net genoeg om haar uit deze situatie te slepen of wellicht is het net genoeg om haar in leven te houden.

In de hoop dat het eerste het geval is stop ik voor haar neus en zeg haar gedag. “Ik ken jou wel," zegt ze lachend en beschuldigend. Jij zat ook op het SSG, net als ik.” Gaat ze haar verkapte beschuldiging verder. “Je herkent me toch nog wel? Ik zag meteen dat jij het was Rogier”

Ik zie ergens onder die capuchon en de wilde bos ongewassen haar wel iets bekends, en inderdaad zou het wel eens van de SSG kunnen zijn. Maar ja, ik zat daar bijna acht jaar op school en heb daar zoveel gezichten gezien en wellicht ook met zoveel meisjes contact gehad in intieme of minder intieme mate. Zou zij daar er één van kunnen zijn? Het was toch niet op één van die eindexamen feestjes waar we voor het eerst veel te veel gedronken hadden en waar er her en der voorzichtig wat gezoend werd. Ik kan mij niet voorstellen dat zij er één van was bedenk ik me als ik weer terugkeer uit mijn mijmeringen en terecht kom in haar aanblik. Natuurlijk, ze ziet er niet echt lekker fris uit nu maar ik kan er wel doorheen kijken. Nee, dit was geen meisje van wie ik het hart gebroken heb.

“Bianca toch?” probeer ik voorzichtig. Ergens hoop ik dat ik het mis heb want wil niet dat ze denkt dat ik altijd aan haar ben blijven denken, aan de andere kant vind ik het ook wel lullig als ik een totaal ander iemand voor ogen heb.
“ja! Wat leuk dat je dat nog weet. Hoe gaat het met je?” Vraagt ze naar de bekende weg. Ik was er al bang voor. Wat moet ik gaan zeggen tegen een zwerfster, een oud klasgenootje dat in mijn herinnering echt niet de slimste mooiste en meest ambitieuze meisje van de klas was. Maar waarvan ik ook niet had gedacht dat ze heel erg zou afglijden. Wat moest ik zeggen? Dat het zwaar was? Dat het iedere maand weer lastig is om alle rekeningen te betalen? Dat ik heel graag een ander huis wil omdat ik de plek waar ik nu woon een beetje zat ben? Dat ik even niet zo op mijn plek ben op mijn werk? Pfffff ik heb eten, liefde en een dak boven mijn hoofd. Alles wat zij niet heeft. Denk ik.

“Goed,” zeg ik dus naar waarheid. Automatisch komt de vraag: “En met jou?” bij me op. Ik slik hem nog net in. “Koffie?” vraag ik wijzend naar de Mc Donalds. “Want voor een biertje vind ik het nog wat te vroeg.” Probeer ik toch een tipje van de sluier opgelicht te krijgen over haar leefsituatie. Vurig hoop ik koffie, voor mijn eigen bestwil maar ook voor dat van haar.
“Als ik het dan toch voor het zeggen heb,” licht haar gezicht op, “dan lust ik wel een biertje.”

dinsdag 18 september 2012

Topsport en diabetes. Bestaat dat?!

De WK wielrennen in Valkenburg hadden een mooie primeur: De ploegentijdrit voor commerciële teams. De wereldpers liep vol enthousiasme uit om deze prachtige discipline te verslaan en mooie verhalen te maken over de renners en de ploegen die zich te pletter hebben gereden over de Limburgse heuvels.
32 teams gingen op zondag zestien september van start om geschiedenis te schrijven. De beste renners van de beste ploegen stonden aan de start. Nogmaals, een primeur en logischerwijs was de pers er al een tijdje druk mee.

Maar er was nog een primeur die niet veel mensen is opgevallen. Het niet zo grote Amerikaanse Team Type 1- Sanofi stond ook aan de start. Dit team is opgericht door Phil Southerland, een wielrenner met suikerziekte die tegen allerlei problemen opliep tijdens het uitoefenen van zijn sport. “Topsport? Dat kan helemaal niet als je diabetes type 1 hebt!” kreeg hij te horen. Sporten prima, maar in eigen tempo. Team Type 1 werd tot leven geroepen om te bewijzen dat diabeten met type 1 wel degelijk aan topsport kunnen doen.


De Nederlandse Suikerpatiënt Martijn Verschoor rijdt voor dit team en mocht starten in de ploegentijdrit. Ik kan mij sterk vergissen maar ik weet bijna zeker dat dit de eerste suikerpatiënt is die aan de wereldkampioenschappen wielrennen heeft deelgenomen. Dat lijkt mij eigenlijk niet geheel onbelangrijk, zeker niet als dit evenement ook nog eens in Nederland plaatsvindt.

Het had de NOS of Sporza of Eurosport gesierd als ze er tenminste een klein beetje aandacht aan hadden besteed. Hoe gaat zijn voorbereiding, waar moet hij onderweg nog aan denken? Hoe vaak test hij? spuit hij insuline bij? Of eet hij juist nog wat? Eerlijk gezegd vind ik dat er sowieso bar weinig aandacht is voor volksziekte nummer 1! (bijna dan) Het is nogal wat om de top van het wielrennen te bereiken, laat staan als je suikerziekte hebt. Dat vergt nog meer doorzettingsvermogen, nog meer ontberingen en nog meer frustratie dan het normaal gesproken al doet.

Maar daar reden ze dus, het team dat een mooie boodschap uitdraagt maar juist moet presteren om die boodschap goed uit te kunnen dragen. Ze rijden voor een statement en mochten dat doen voor het oog van de wereld.

Helaas startten ze vroeg, het publiek stond nog te keuvelen, het podium werd nog afgestoft, de camera mannen laadden hun materiaal nog uit en de journalisten deden nog een bakkie in de VIP tent. Team Type 1 werd genegeerd, hun verhaal werd niet opgeschreven toen ze totaal gesloopt en uitgewrongen als 31ste over de finish reden.

dinsdag 11 september 2012

Waarom varkens niet op het moslim menu staan

Onwennig openen ze het zware houten hek dat hen in een soort tussenruimte brengt. Het volgende zware houten hek leidt dan echt naar de plek waar ze moeten zijn. Daar waar de geiten, de kippen, de kalkoenen, de schaapjes, de konijntjes en de varkens lopen.

De kinderboerderij.

Hij heeft een lange jurk aan en een wit kanten petje op zijn hoofd, zijn baard is een centimeter of twintig lang. Zwart. Zijn vrouw ziet er heel normaal uit qua broek, alleen haar hoofd- en hals bedekkende satijnen hoofddoek steken een beetje af tegen de andere bezoekers. Ze pakken elkaars hand vast en lopen richting de schapen. Ze lezen aandachtig de informatiebordjes die bij de hokken staan. De hoofddoek van de vrouw bedekt nu ook haar neus. Het is een jong stel, hij een jaar of 26 en zij tikt net de twintig aan. Het is een mooi meisje denk ik, met hele grote amandelvormige diep bruine ogen. Ze lachen naar elkaar als ze weer de stallen uitlopen en bijna struikelen over een klein geitje dat op de grond in de zon ligt.

Een klein meisje vraagt ondertussen aan haar Crocs dragende moeder waarom die meneer een jurk draagt. De moeder moet het antwoord schuldig blijven waarop het meisje zelf maar vindt dat het een rare sinterklaas is. Ze gaat volledig voorbij aan de hoofddoek van de vrouw.

Eenmaal uitgelachen lopen ze verder naar de konijnen om daarna nog een kijkje te nemen bij de volière. De informatie bordjes worden weer aandachtig bekekenen en af en toe wijzen ze elkaar iets aan. Een vogel springt ineens onder de bladeren vandaan naar het hek van de volière, ze grijpt verschrikt haar man vast die haar teder omarmd.

Gearmd lopen ze door naar de grote modderpoel in het midden van de kinderboerderij. Drommen kinderen staan schreeuwend, gillend en giechelend aan het hek te kijken naar wat er zich afspeelt. Ze houden even halt, laten elkaar een moment los en kijken elkaar aan. Varkens. Wat te doen? Ze glimlachen begrijpend naar elkaar en houden elkaars hand stevig vast. Het moet er een keer van komen, nu dus.

In de hoek van de modderpoel staat een hele dikke zeug in haar eentje een beetje te rond te hangen. Niemand heeft verder oog voor haar want ze doet niets speciaals of bijzonders, ze staat daar maar. Ze lopen er naar toe, klamme hand in klamme hand, zij knijpt en hij knijpt harder terug. Met een korte gil corrigeert ze haar man, hij geeft haar een kus. De dikke zeug nadert en hun pas vertraagt. Het varken, niet echt een moslimfähig dier. Maar ja ze leven in een land van ham, varkenshaas en rollade, er moet dus wel iets goed zijn aan dat beest. Ze gaan het ontdekken.

Ten eerste vinden ze de stank van het varken in de modderpoel alleszins meevallen, veel minder dan voorgesteld in de Koran. Wat is er eigenlijk vies aan modder? Vragen ze zich allebei af. Ze staan aan het hek, het varken blijft stoïcijns op haar plek. Gelukkig maar. Ongemakkelijk draait de man op de ballen van de uit zijn jurk gestoken voeten. Hij kijkt nog eens goed naar het immense beest voor zijn ogen. Die kijkt terug en knort, het klinkt uitnodigend en vertrouwd. Hij kan het varken niet verafschuwen, hij kan niet vinden dat dit dier afschuwelijk is.

De vrouw ziet hem twijfelen en doet een stap verder naar voren richting het hek en het varken. Het varken schuurt op dat moment net even wat dichter tegen het hek. Het is onomkeerbaar: zijn vrije hand gaat richting hek en daarna er overheen. De islamitische hand komt terecht in de nek van het tegen het hek schurkende varken. Ze begint te knorren. Zijn hand schiet even omhoog, onwennig aan zoveel reactie op een aanraking. Voorzichtig legt hij zijn hand weer neer. De zeug beantwoordt dit met een luide knor en een harder schurken tegen het hek. De man pakt de vrije hand van de vrouw en in één gevouwen glijden hun handen over de rug van de zichtbaar genietende zeug. Vertwijfeld staan ze daar een varken te aaien. Ze vragen zich af wat het probleem is, zijn ze nu in overtreding? Mag dit? Is dit haram? Ze weten het niet.

Het deert ze eigenlijk niet meer. Het varken is er uitgebreid bij gaan liggen, die boeit het niet of ze in naam van God of Allah wordt geaaid. Ze zien het en geloven het wel. Varkens zijn leuk, daarom staan ze wellicht niet bij moslims op het menu.

dinsdag 14 augustus 2012

Mijn eerste keer met een Spaanse furie

Mijn eerste keer kan ik mij nog heel erg goed voor de geest halen helaas. Het was op een mooie warme dag in juni, de vijfde van die maand als ik mij goed kan herinneren. Ik was nog maar een broekie en had derhalve totaal geen ervaring, op wat droog oefenen in de aanloop naar het grote moment na dan. De afspraak was dat ze op een plekje aan het water zou staan, net buiten het dorp en vlak bij de haven. Dit was handig want er zijn daar in de buurt genoeg rustige plekjes om ongestoord te oefenen.

Opluchting als ik haar zie staan en verder niemand in de buurt die ons kan storen tijdens onze eerste stappen richting volwassenheid. Ze staat met haar kont naar me toe, haar mooie gezicht tuurt over het water. Godverdomme wat is ze mooi en godverdomme wat ben ik trots dat ik mijn eerste keer met haar mag beleven. Haar ronde vormen steken prachtig af tegen het scherpe zonlicht, mijn onderbuik roert zich en ik controleer een laatste keer of ik alle benodigdheden wel bij me heb. De schrik slaat toe als ik mij realiseer dat ik niet weet hoe dat ding ook alweer open gaat. Te laat, ik sta al vlak achter haar.



Ik loop om haar heen en bekijk haar aandachtig en monster gelijk de omgeving om mijn volgende stappen te plannen. De stappen die zo snel mogelijk naar het ultieme doel moeten leiden. De stappen die mij eindelijk verlossen van de last die op mijn schouders rust, de eerste keer is toch iets waar je jaren naar toe leeft, voor traint en oefent. Net als een Olympische sporter jaren toeleeft naar een plaats in een Olympische finale.

Als we linksaf slaan dan komen we heel snel op dat rustige weggetje met al die dijkjes en weilanden. Daar komt bijna niemand en kan ik dus rustig wennen aan de verschillende handelingen en wennen aan het gevoel van mijn Spaanse furie. Maar hoe kom ik hier weg? Ze staat op een soort hellinkje met haar neus naar het water. Het is ontegenzeggelijk een prachtig plekje maar handig is anders. Daar komt bij dat ik de hellingproef volgens mijn rij instructeur echt meester ben maar dat we hem nooit in zijn achteruit hebben gedaan. Laat staan op nat gras met de neus al bijna in het water. Ik hou echt van mijn moeder maar begrijp niet dat ze haar niet even achteruit heeft ingeparkeerd. Gewoon om mij een plezier te doen.

Affijn

Ik heb de deur open en ben druk bezig de stoel en de spiegels in te stellen op mijn lengte als er achter mij een hele grote vrachtauto gaat staan zodat ik ook nog eens een hele vreemde draai moet gaan maken. Het zweet breekt me uit. Eerst maar eens de motor starten. De auto schiet meteen vooruit en slaat af, hij stond in de versnelling. Precies zoals ik het niet geleerd heb van mijn rij instructeur. Van hem moest ik altijd de auto in zijn vrij en op de handrem parkeren in tegenstelling tot wat mijn moeder altijd van haar rij instructeur heeft geleerd. Kennelijk. Even opnieuw beginnen dan maar. Ik heb alles voor handen om een prachtig hoogtepunt te beleven, maar mijn lichaam en geest weigeren even dienst. Ik steek een sigaret op, moet even op adem komen.

De tweede poging verloopt iets beter al heb ik nog niet echt veel feeling met de combinatie koppeling/gaspedaal. Luid brullend rolt de auto langzaam achteruit, ik gooi het stuur om en ga veel te ver de bocht in, ik corrigeer en kom weer op het rechte pad.

We gaan vooruit.

Eindelijk schakel ik in de eerste versnelling laat de koppeling opkomen en geef te laat gas. Hots, bots, stil. Sneller gas geven dus om ook daadwerkelijk in beweging te komen. Na drie keer lukt het me om naar de tweede versnelling te schakelen en een beetje snelheid te maken, ik draai de weg op richting de weilanden. Een brede glimlach begroet me als ik in de achteruitkijkspiegel kijk, vrijheid. Ik gooi het raampje open, zet de stereo op tien en schakel naar zijn drie. Deel één van mijn volwassenheid is een feit, nu nog een keer een meisje scoren.

donderdag 7 juni 2012

Aanrijding met een persoon

Bam, kletter, Piep. Stenen vliegen tegen en langs de ruiten van de trein. Een andere trein komt hard toeterend tegemoet en dendert door. Onze trein is vol in de ankers, hotst en botst.

We staan stil, en heel even is het ook doodstil in de volle coupé. Verbazingwekkend toch, Nederlanders houden over het algemeen nooit hun muil. Maar goed, de stilte duurt uiteraard niet lang. Nadat vragende blikken gewisseld zijn van eigenaar komt het krakende antwoord uit de intercom.

Aanrijding met een persoon. Alweer.

Een zucht raast door de trein, van opluchting lijkt het haast. Er is in ieder geval echt iets aan de hand. De reacties die hier op volgen zijn verschillend te noemen, emoties nemen toch even de overhand als het lichaam vol zit met adrenaline van de schrik. Een dame voor mij: “O nee, wat erg, wat erreg.” Terwijl ze haar hoofd hoofdschuddend in haar handen legt. De man daarachter: “Godver! Het is toch niet te geloven!” Waarbij hij zijn hoofd hard naar achteren brengt en tegen de hoofdsteun bonkt en met zijn krant hard op zijn schoot slaat. Verder reageert niemand echt op elkaar. De meeste interactie is er met mensen die er verder helemaal geen ene moer mee te maken hebben.Via de telefoon dus.



Buiten regent het pijpestelen en een blik op de hemel levert niet de gewenste bevestiging op dat dit een tijdelijk buitje betreft. Het is windstil en de lucht zit potdicht. Twee dames achter mij zien de lol van deze situatie wel in en menen lachend dat ze toch wel een gratis bakkie koffie hebben verdiend. "Een bakkie troost", zoals ze er grinnekend en trots op zoveel spitsvondigheid aan toevoegen.

Buiten komt alles op gang nu. Brandweer, politie en ambulance personeel lopen af en aan. Snuffelen onder de trein, overleggen met elkaar en gooien gevonden voorwerpen in een bak met een doek er overheen. Twee jonge meiden overleggen ook met elkaar; welke van de uniformen is het knapst. Je moet wat om de tijd te doden.

De bloemen in het weiland langs het spoor hebben hun mooie kopjes laten hangen, zelfs de klaprozen langs het spoor willen het niet zien, en wenden hun blik af. Voorbij rijdend verkeer blijft juist even stil staan om de, hoogstwaarschijnlijk, fel rode punt van de trein te aanschouwen. Het moet een luguber gezicht zijn. Een bevriende ambulance broeder heeft wel eens gezegd dat het net is alsof er iemand door een vergiet is gedrukt.

Ondertussen heb ik begrepen dat het om een 18 jarige jongen gaat. Hij stuurde zijn ouders nog een laatste sms-je. waarschijnlijk met locatie.

ACHTTIEN jaar!

Eerder op de dag toen ik nog in de trein zat vroeg ik mij nog af wat iemand er toe zou kunnen zetten om zulks te ondernemen. Schulden, werkeloos, je kinderen niet meer kunnen voeden, etc. Allemaal geld gerelateerde zaken, geïndoctrineerd als we allemaal zijn door de financiële crisis. Nu komt er ineens een heel ander palet aan redenen voor de geest. Had hij last van alles verslindend liefdesverdriet? Of werd hij zo erg getreiterd op school dat zijn enige verlichting de dood was? Werd hij misbruikt? Vroeger, of nog steeds. Was hij nog maagd en dacht hij dat dit echt niet meer kon op zijn leeftijd? Hoe het ook zij. Iets was erg genoeg om alle realiteitszin te verliezen. Om geen rekening meer te kunnen houden met machinist, reizigers, lotvallige toeschouwers, zijn ouders.
Hij sprong vanachter een electriciteitshuisje of iets dergelijks het spoor op toen de trein in volle vaart aan kwam razen. Hoeveel treinen zou hij voorbij hebben laten gaan voordat hij deze uitkoos?

Terug in de trein. Het zuchten en steunen begint de overhand te nemen. Er wordt heftig getelefoneerd met leidinggevenden, er worden verhaaltjes in boekjes geschreven, er wordt veel op horloges gekeken. Gedempte gesprekken worden om de haverklap overstemd door laag overrazende vliegtuigen.
Buiten, in de zeikende regen, loopt een puberig meisje over de verlaten landweg. Ze slentert alsof het zonnetje schijnt en weet waar ze heen loopt. Ze is geheel in het zwart gekleed, haar gitzwarte haar steekt hard af tegen haar bleke gezicht. Ze stopt om naar de trein en het tumult te kijken. Ze pakt haar telefoon en maakt een foto, onbewogen. Naast haar een man en een vrouw, jaar of veertig, gearmd, schokkend, ontroostbaar.

donderdag 10 mei 2012

Verhuis verrassingen

Ik trek een lade open, of beter ik trek een lade uit de kast. We gaan mijn vader verhuizen en dus is het handig als de kasten allemaal zoveel mogelijk leeg zijn. Dat tilt prettiger.

“Nee, laat die nog maar even zitten…….” Sterft zijn stem weg als hij ziet dat de lade er al uit is. “Die moesten nog uitgezocht worden, dat kan ik beter even zelf doen,”
Als ik in het laatje kijk wordt duidelijk waarom. Ik schiet woest in de lach. Ik herinner mij nog heel erg goed hoe ik als puber altijd heel erg mijn best deed om te voorkomen dat hij er achter kwam dat ik het deed. “Ik breek allebei je benen als ik erachter kom, dat doe je maar lekker als je het huis uit bent. En denk erom, ik ruik het direct!”

Zijn woorden maakten nogal indruk en ik geloofde heilig dat hij het meende. Alles deed ik eraan om er voor te zorgen dat hij het niet rook. Zo likte ik de hele weg naar huis als een idioot aan mijn vingers om de geur maar weg te likken. Niet dat ik er van uit ging dat meneer nog wakker zou zijn om half vier ’s nachts, maar goed, ik wilde er 's morgens niet nog naar ruiken. Op zich was het likken niet eens zo erg, het was altijd wel een prettig apart smaakje.

Verder fietste ik altijd met mijn neus in de wind. In de veronderstelling dat de geur er dan wel uit zou waaien. Uit mijn toen nog rijkelijk aanwezige haar bedoel ik dan. Eenmaal thuis kwam ik er over het algemeen achter dat iedereen al rustig in diepe slaap was. Languit op de bank rookte ik dan nog een sigaretje uit het pakje van mijn vader (dat mocht ik dan weer wel van hem) en schonk nog een biertje in. Om eens rustig na te genieten van de mooie avond. Hij is er nooit achter gekomen.

Dacht ik

“Wat sta je nou te lachen?” Vraagt mijn inmiddels stuk oudere vader aan zijn inmiddels volwassen zoon. “Nou pap,” twijfel ik even over de toon die ik aan zou moeten slaan. “Ik heb jarenlang mijn best gedaan om er voor te zorgen dat je zou denken dat ik dit nog nooit gedaan had.” Zeg ik inmiddels best wel over mijn zeik. “En wat vind ik hier in dit laatje? Je hebt me gewoon jarenlang in de zeik genomen!” Even waan ik mij mijn vader die tegen zijn zoon tekeer gaat en realiseer me dat het nergens op slaat.
Hij kijkt me geamuseerd vanaf de bank aan, een dikke wolk rook verlaat zijn neusgaten als hij probeert zijn lach in te houden. “Waar heb je het in godsnaam over jongen? Dacht je echt dat ik het niet wist? Zulke dingen weet een vader gewoon. Ik verbaasde me er nog over dat je echt geloofde dat ik je benen zou breken. Het was wel aandoenlijk hoe je je best deed de sporen te wissen, maar ik zag het aan je ogen. Je deed het gelukkig niet teveel, dus mijn dreigementen misten niet hun doel!” Neemt hij de rol van papa weer soepeltjes over. “En dat daar is niet van mij maar van een vriendje van me.”

En daar sta ik dan met mijn grote mond. In mijn handen bungelen de zojuist gevonden grote vloei, en het zakje wiet.

donderdag 19 april 2012

Vliegend naar de vrijheid

Drie zwarte vliegen zitten op het raam als ik de gordijnen open. Ze zijn ongeveer een centimeter lang en ik schat 7.5 millimeter dik. Ze zoemen lustig om elkaar heen en af en toe knalt er één keihard met een zachte tik tegen het raam. Ze willen naar buiten, ze willen de vrijheid in.
Waar ze vandaan komen weet ik niet. Waarschijnlijk uit een dode muis of vogel die ergens tussen het plafond of in de dakgoot zijn of haar laatste adem heeft gelaten.

Ze doen me denken aan een huis waar ik ooit voor het laatst was. Het raam zat vol met dezelfde dikke zwarte vliegen, zoemend door elkaar heen op zoek naar de vrijheid. Met een harde plof vlogen ze om beurten tegen het raam. Een hele berg lag al voor het raam op hun rug. Die hadden hun zinloze vlucht naar de vrijheid niet gehaald.
Het lege huis was dat uiteraard niet altijd, een paar dagen eerder zijn we hier met man en macht aan het werk geweest om de spullen er uit te halen. Een ieder met zijn eigen gedachten en herinneringen, de meesten hadden de spullen hier twee jaar eerder ook al neergezet. Dat was een vrolijke bedoeningen en een fijne aangelegenheid. De reden dat we hier nu weer stonden was een stuk minder aangenaam.

Afijn.

Het huis was leeg. Ik keek uit het raam, tussen de vliegen door, de tuin in. Het was warm geweest in die oktobermaand en de tuin lag er nog netjes bij. Nog niet alles was dood en de perenboom droeg nog steeds vruchten. “De zomer was laat.” Denk ik bij mezelf. We zouden op het uiterste puntje van de tuin een moestuin gaan aanleggen. Leuk, een beetje de eigen groente verbouwen. Gewoon voor de lol en wie weet kunnen we het nog eten ook. Was het niet een maand eerder dat we dit bespraken tijdens de barbecue? De lege plek achter in de tuin vertelde me dat hij het niet vergeten was. De vliegen zoemden om mijn hoofd. Ik kon ze niet haten, ik kon me er niet aan irriteren. Ze waren een laatste getuige, ze waren….

Ik kijk naar de drie dikke vliegen op het raam en denk aan toen. In mijn herinnering is het huis weer vol. Gelukkig. We zitten aan tafel, een tafel die volstaat met eten en wijn. Iedereen is er en is blij, lacht en straalt. Er is vast iemand jarig in deze herinnering of het is een feestdag. Maakt niet uit ook natuurlijk, het komt uiteindelijk op het zelfde neer.
Plof! Er probeert er weer één zich een weg door het raam te boren. Kansloos natuurlijk. Een beetje groggy daalt de vlieg naar de vloer, hij haalt het net niet en vliegt weer omhoog om zich bij zijn twee vriendjes te voegen. Hij zal ze echter niet alle twee aantreffen. Eén van hen heeft zich voorgenomen ook naar buiten te gaan.

In volle vaart komt hij aanvliegen en gaat er vol voor. Iets in mij zegt dat dit wel eens de genade klap zou kunnen zijn, zo hard komt hij aanvliegen. Dankbaar voor de herinnering die ze mij hebben gegeven open ik net op tijd deur. Ze vliegen gedrieën naar buiten, de vrijheid in.

zondag 15 april 2012

wachten, wachten, wachten

Links, rechts, rechts, links, weer links, naar rechts, links, omhoog, omlaag, rotonde driekwart, vluchtheuvel, drempel, links, rechts, omhoog omlaag, opschakelen, afschakelen, remmen en weer optrekken. Wegversmalling, omhoog, stilstaan en weer optrekken, valpartij, geschreeuw, gekraak. Wachten. En dat 255 kilometer lang.



De racebandjes slijten meer aan de zijkant dan op het midden. Remblokjes piepen van vermoeidheid en kettingen kraken van het vele schakelen. Als je niet moe wordt van de kilometers dan is het wel van het concentreren, of van desillusie.
Zelf heb ik de finale van de Amstel Gold Race een stuk of vijftien keer gereden,desalniettemin stond ik steeds weer perplex als ik ineens op de Kruisberg stond te harken terwijl ik dacht dat het de Eijserbosweg moest zijn. Laat staan hoe een Italiaan of Spanjaard die hier voor het eerst rijdt zich voelt. Nederland was toch vlak?

De Amstel Gold Race dus, Nederlands enige echte wielerwedstrijd en onderdeel van het klassieke voorjaar. Nou ja, Nederlands. De 255 kilometer worden verreden in het zuidelijkste puntje van Zuid-Limburg. Op een postzegeltje dus.
Dit jaar staan er weer een hoop kleppers aan het vertrek, natuurlijk met het oog op het aanstaande WK dat hier verreden gaat worden aan het einde van het jaar. Maar ook omdat deze wedstrijd onderhand een hele mooie koers is om op je palmares te hebben. Enkele namen die een sterretje in hun agenda hebben staan op de datum van de Amstel (en dus van het WK): Valverde, Rodriguez, Freire (valt het nou echt niemand op dat hij dit jaar alleen maar deelneemt aan wedstrijden met finish bergop?), Sagan, Sanchez, Evans, Cunego, Hoogerland, Chavanel, Gerrans, Geesink, Mollema. Om maar wat te noemen. O ja, en Thomas Dekker.

En dan nu de koers. Kopgroepje weg vanaf het begin, zoals het hoort. Normaliter wordt de kopgroep zo’n kilometer of 50 voor de finish ingelopen en is het spel op de wagen, begint het spektakel dus. Zo niet vandaag, 27 kilometer voor het einde, bij de beklimming van de verschrikkelijk steile Gulpenerberg rijden er nog steeds twee op kop. Meer dan 230 kilometer geen actie. Pfff. Nu is de beste wielertactiek vandaag de dag wachten, wachten, wachten. Nou, dat doen ze. Verder was het koud en grijs.

Op de Eijserbosweg rijden er nog steeds twee op kop.

Op de Fromberg ook.

Na de vierhonderennegentachtig bochten en 30 van de 31 steile pukkels vindt Freire (de koning van het wachten) het welletjes. Hij gaat de sprint niet afwachten en piept er op zijn Zoetemelks tussenuit. Waarschijnlijk is het ook voor het eerst deze dag dat hij iets van de omgeving herkent. Niemand reageert en het lijkt te gaan lukken. Nu kan Oscarito ook meteen in alle rust de finale van het WK bekijken.

Wachten dus. De Cauberg ligt voor de wielen, nog 1000 meter omhoog. Freire spartelt nog steeds voorop. Gilbert trekt zijn registers open, de rest slingert er achteraan.

Wachten. Nog 500 meter. Freire spartelt nog harder nog steeds op kop, ze zien hem. Gilbert spartelt onderhand ook, de rest volgt. Wat daar van over is. Onder hen vier grote namen, Cunego, Sagan, Valverde en Sanchez. Cunego gaat er vloekend bij liggen, Valvarde moet er omheen. Met Freire en de finish in zicht zet Gilbert nog één keer aan, en ontploft. Jelle van Endert en Sagan gaan over hem heen.

Wachten. In hun wiel Enrico Gasparotto. De hele dag niet gezien maar daar is de blonde Italiaan in Kazachse dienst. Ze rijden langs de kleine bekkentrekkende Spanjaard. Vijftien meter voor de streep zet Gasparotto één keer echt aan en rijdt als eerste over de streep.

En Thomas Dekker? Na twee jaar wachten mocht hij eindelijk weer meedoen aan een echte grote koers. Hij overleefde en kwam in de eerste groep binnen (18de), dat voorspelt veel goeds voor het WK. Afwachten dus.

dinsdag 10 april 2012

Sterven en weer opstaan

De spanning was prachtig opgebouwd gedurende de weken voorafgaand aan de twee grootste, en doorgaans, meest heroïsche klassiekers van het jaar. Kranten stonden vol met verhalen over de kanshebbers en geen televisie programma ging voorbij of er werd wel over gesproken. De ronde van Vlaanderen moest nog heroïscher en werd derhalve iets zwaarder gemaakt. Dus meer hellingen en nog korter op elkaar, wat dus meer spektakel op zou moeten leveren.




Helaas doen wielrenners nooit wat men van ze verwacht, het zijn soms net mensen. Er werd wat afgewacht, er werd wat gekeken en uiteindelijk konden drie renners het uitvechten. De Kapelmuur was er uit en dat bleek toch een enorme aderlating. Al was het alleen maar om het gemis van het door bier en worst gevoede gebulder van de grote uitzinnige menigte die altijd op de muur staat. Of om de mooie, meestal wonderschone, plaatjes en wielergevechten die richting Godshuis plaatsvinden. Een gemis dus voor de toeschouwer en de renners.

Natuurlijk, men kreeg de gedroomde winnaar. Tom Boonen moest winnen en deed dat. En uiteraard was er het alom vertegenwoordigde ‘wat als’ in alle media te lezen. Want tja, wat als Cancellara gewoon had kunnen meedoen in de finale? Soms lijkt het wel of Cancellara de koers kan breken of maken, valt de Zwitserse beul weg dan is het geen koers meer ofzo. Uiteindelijk komt het er bij fietsen op neer dat je op dat ding blijft zitten, als je dat niet doet dan gaat het mis en doe je niet meer mee. En nog iets: Als Gerrans in zijn wiel kan blijven in Milaan-San Remo dan kan Tommeke dat zeker in Vlaanderen.

De prelude naar de volgende kraker was wellicht nog gekker. Wilfried de Jong leverde een prachtige documentaire af over het rijden over kasseien in Noord Frankrijk en Vlaanderen werd gek bij alleen al de gedachte aan weer een winst van Tom Boonen. Mooi bijkomend detail is dat de Hel van het Noorden verreden werd op eerste paasdag. De koerskoorts steeg zelfs in Nederland tot Vlaamse hoogtes.
Ondanks dat er heel wat rijtjes de ronde deden met eventuele winnaars was er eigenlijk maar één winnaar mogelijk. Wie anders dan Cancellara kon Tom Boonen van zijn winst afhouden? Pozzato? Te Italiaans en te mooi. Thor Hushovd? Ach, die had nog geen enkele keer zijn neus tegen het venster geduwd dit jaar. Ballan? Dan moet Boonen eerst lek rijden. Tjalingi? Boom? Ik hoopte het van harte maar bij Rabo is de Grinta er totaal uit en durven ze niet te winnen dit jaar. Nee, alleen Cancellara kon hem verslaan, maar ja die deed niet mee. Alleen Boonen kon aanspraak maken op zijn vierde steen, zijn vierde winst in Roubaix, zijn volmaakte wederopstanding.
Twee jaar gesukkel. Leven en fietsen in de marge. Twee jaar met een laffe sprint en pudding in de benen. Twee jaar lang iets meer feesten dan trainen. De Belgen hadden hem afgeschreven.

Maar Tom was het daar niet mee eens. Hij begon dit jaar al sterk, reeg de overwinningen aan één en was de smaakmaker in de Vlaamse semiklassiekers. In een sprint, alleen, het maakte niet uit. Hij was terug. In de Ronde ging het niet helemaal van harte, zag het er iets minder zelfverzekerd uit en kreeg de concurrentie een beetje hoop. Cancellara was er niet bij richting Roubaix en dus hoefde men alleen maar Tom te volgen.
Op meer dan vijftig kilometer van de streep vond de vriendelijke Belg dat geloer en getuur welletjes. Hij zette aan. En bleef trappen. Onze Hollandse hoop in bange dagen, Terpstra kon zijn kopman een paar honderd meter volgen maar bij de eerste de beste kasseistrook moest hij hem laten gaan. “Wat een idioot,” dacht ik nog. Hoogmoed komt voor de val. Maar Tommeke bleef lekker draaien, vloog over de kasseien. Een hele Sky armada kon het gat niet dichten. En waar waren de andere favorieten? Het was toch een kwestie van Boonen volgen?
Jaja. Wat zal hij hebben gelachen, “ik zal ze leren, die praatjesmakers,” moet hij vijftig kilometer lang gedacht hebben.

Een unieke zegereeks van vier zware koersen in zestien dagen. Hij heeft zich wederom onsterfelijk gemaakt bij het ganse Vlaamse volk. Op eerste paasdag de mooiste en heldhaftigste wielerkoers winnen die er is. Dat is sterven, en weer opstaan.

donderdag 5 april 2012

Niemand is ooit helemaal weg

Albert Richter (14-10 1912 - †02-01-1940), een naam die alleen al door de klank direct doet denken aan films over de Tweede Wereldoorlog. Een verzetsheld. Strak achterover gekamd blond brillantine haar, eeuwige sigaret in zijn mondhoek, strakke blauwe ogen en een pezig lichaam. Druk in de weer met een mitrailleur met zo’n groot rond magazijn rent hij door het beeld om ’s avonds het bed te delen met een mooie filmster-achtige dame.

Veel van deze verbeelding klopt met de werkelijkheid. Hij was een zeer succesvol baanwielrenner in de jaren dertig van de vorige eeuw, met zijn gespierde pezige lijf, zijn strak blauwe ogen en zijn mooie sterke kop was hij de propaganda droom van de Nazi’s. Alleen moest hij helemaal niets hebben van Hitler en zijn kornuiten. Hij verachtte ze.

Een echt gevaar voor het Duitse regime is Richter nooit echt geweest, hij nam alleen openlijk afstand. Hij weigerde de Hitlergroet te maken en vertikte het om met een hakenkruis op zijn shirt over de baan te koersen. De Gestapo was hier natuurlijk niet erg van gecharmeerd maar ze konden niet veel doen, hij was een populaire figuur in die tijd. Het bleef echter niet bij dit stille verzet. Hij besloot geld te transporteren, in de buizen van zijn fiets. Voor gevluchte joden. Dit was redelijk gemakkelijk aangezien hij van zesdaagse naar zesdaagse reisde door heel Europa. Aangezien hij een gevierd sportman was, drie keer wereldkampioen, controleerden ze hem niet uitvoerig.


Albert Richter dus, een dappere kerel, met een leeuwenhart op de fiets maar ook daarnaast.Verlinkt naar het schijnt.De Gestapo vond zijn geld transportjes niet zo leuk en bestempelde hem als gevaar voor het regime. Alleen niet openlijk. Hij werd vermoord, in het geheim. Op een dag was hij verdwenen. 27 jaar oud, zijn dood is nooit officieel geregistreerd.


Dit lees ik allemaal in een wielertijdschrift. Ik mis echter de citaten van de toeschouwers. Zou er nog iemand zijn die deze man heeft zien fietsen, die naar het stadion is gegaan en hem over de baan heeft zien vliegen. Die een gokje heeft gewaagd op zijn overwinning?


Ik moet direct aan mijn opa denken, die hield wel van een gokje en ik zie hem wel langs de wielerbaan staan als ik er nu zo over nadenk. Helaas is hij twee jaar geleden overleden. Jean Nelissen dan? Helaas ook net overleden. Peter Post even bellen dan voor en leuke anekdote? Die lijn is ook alweer dood. Gé Peeters, die heeft nog wel tegen hem gekoerst. Tijdens een biertje in zijn Haarlemse café zal die ook wel een mooi verhaal kunnen vertellen….Langzaam dringt het tot me door.


De Gestapo heeft in 1940 geprobeerd Albert Richter te elimineren. Niet alleen door hem in stilte te vermoorden maar ook door bijvoorbeeld al zijn uitslagen uit de boeken te halen. Alles is in het werk gezet om hem te doen vergeten. Dat lukte ze toen bijna, de tijd is bezig met de rest.